Leesfragment: Kinderkroniek 1940-1945. Brieven, getuigenissen en dagboeken uit de Shoah

27 november 2015 , door Guus Luijters

Op 6 september verschijnt Kinderkroniek 1940-1945. Brieven, getuigenissen en dagboeken uit de Shoahwaarin Guus Luijters kinderen uit de Tweede Wereldoorlog aan het woord laat. Wij publiceren voor: '"Enkele kinderen", het korte hoofdstuk dat Jacques Presser in Ondergang wijdde aan het lot van de kinderen in de Shoah eindigt met de verzuchting "Misschien schrijft iemand toch nog eens dat kleine boek. Over de Joodse kinderen van toen." Had ik het materiaal voor dit boek verzameld?'

Tijdens de Shoah zijn ongeveer 18.000 Joodse kinderen vermoord. Een paar honderd kinderen keerden terug uit de kampen. Enkele duizenden overleefden door onderduik of vlucht naar het buitenland. In Kinderkroniek 1940-1945 laat Guus Luijters het kind zelf spreken. Aan de hand van dagboeken, brieven en getuigenissen van en over kinderen volgt hij hun leven op de voet. Van de inval van de Duitsers tot de scheiding van het onderwijs, van de invoering van de Jodenster tot hun deportatie naar Westerbork - en ten slotte naar Auschwitz, Sobibor en andere kampen, waar zij samen met hun moeders werden vermoord.

Van veel kinderen die anoniem voorkomen in de verschillende bronnen, heeft Guus Luijters de naam gevonden. Ook heeft hij geprobeerd te achterhalen hoe het ze is vergaan. Zo krijgen anoniemen kinderen uit bekende teksten nu een naam. 

Guus Luijters publiceerde de afgelopen jaren de bloemlezingen De moderne Franse poëzie (2001) en Amsterdam. De stad in gedichten (2001), de roman Het korte leven van Rosa ter Beek en de novelle De hongergoochelaar (2006). In 2012 verschenen In Memoriam. De gedeporteerde en vermoorde Joodse, Roma en Sinti kinderen 1942-1945 en het bijbehorende Addendum, met daarin de namen van alle 18.000 omgekomen kinderen en circa 3700 foto’s.

In Kinderkroniek 1940-1945 laat Guus Luijters de kinderen zelf aan het woord. Het is het eerste boek waarin alle bronnen over Joodse kinderen in de oorlog worden gecombineerd. Wij publiceren de inleiding.

Inleiding

Toen ik in januari 2008 aan het boek begon dat vier jaar later, in februari 2012 als In Memoriam het licht zou zien, wist ik niet waaraan ik begonnen was. Niet alleen had ik geen weet van de hoeveelheid werk die me wachtte, maar veel belangrijker, ik wist ook niet hoe het voltooide boek eruit zou zien. Mijn uitgangspunt was dat ik alle kinderen die door de Duitsers vanuit Nederland waren gedeporteerd om in een kamp vermoord te worden een plaats in het boek wilde geven, indien mogelijk met een foto van het betreff ende kind erbij. Net als Serge Klarsfeld in zijn Le Mémorial des Enfants Juifs Déportés de France wilde ik de kinderen ordenen per transport. De gebruikelijke alfabetische ordening, die niets met de werkelijkheid te maken heeft, leek mij zinloos. Hoe ik dit alles moest realiseren, wist ik niet en om tijd te winnen, begon ik me te verdiepen in de literatuur over de Shoah. In deze fase diende zich vier aanvullingen aan op het lijstenboek met foto’s dat me in eerste instantie voor ogen had gestaan. Het leek me zinvol een uitgebreide op documenten gebaseerde chronologie van de gebeurtenissen samen te stellen; ik wilde weten wat je over een ‘gewoon kind’ te weten kon komen en over dat kind dan een beknopte biografie schrijven; ik wilde over de transporten specifi eke informatie verzamelen en ten slotte wilde ik een ‘kinderkroniek’ maken, waarin middels getuigenissen van en over kinderen het verhaal van het kind tijdens de Shoah zichtbaar zou worden.
Terwijl ik werkte aan de snel uitdijende chronologie ging ik op zoek naar het ‘gewone kind’ over wie ik een korte biografie wilde schrijven. Ik vond haar in Sientje Abram, de dochter van een doodgraver uit de Amsterdamse Rapenburgerstraat. Digitaal Monument vertelde me dat Sientje was geboren op 21 februari 1931 en in Auschwitz vermoord op 9 september 1942. Na drie maanden research was ik niet veel verder. Aan Sientje Abram bestaat geen enkele herinnering, iedereen die haar heeft gekend, is ook vermoord, en op enkele documenten na, haar naam op de persoonskaart, op een Joodse Raad-kaart, op de voorpagina van de Staatscourant, heeft ze geen sporen nagelaten. Ik sloot het onderzoek en begon geen ander. Want, wie zou na Sientje kunnen komen?
Enkele maanden later verhief ze haar stem en aan haar hand schreef ik Sterrenlied, een lang gedicht over een meisje, dat ik Sientje Abram noemde.
De ‘chronologie’ had inmiddels zulke proporties aangenomen, dat het duidelijk was dat er in het boek geen plaats voor zou zijn. De informatie die ik over de afzonderlijke transporten verzamelde, heb ik wel in In Memoriam kunnen opnemen.
Resteerden de getuigenissen van en over kinderen, die ik vanaf het begin van het werk aan In Memoriam had verzameld. Toen het boek vorm begon te krijgen, rees de vraag of deze getuigenissen wel in het boek thuishoorden. Ik had zo mijn twijfels. Uiteindelijk was het mijn inmiddels overleden vriend Koen Koch, de schrijver van onder meer Een kleine geschiedenis van de Grote Oorlog, die de knoop doorhakte. In Memoriam was een poging de vermoorde kinderen hun identiteit terug te geven. De met emotie geladen verhalen van en over het levende kind hoorden in zo’n lijstenboek met foto’s niet huis. Ik was het met hem eens. Maar de verhalen die ik had verzameld bleven me achtervolgen. Enkele maanden na het verschijnen van In Memoriam haalde ik het manuscript tevoorschijn en ging verder waar ik was gebleven.
In ‘Enkele kinderen’, het korte hoofdstuk dat Jacques Presser in Ondergang wijdde aan het lot van de kinderen in de Shoah eindigt met de verzuchting ‘Misschien schrijft iemand toch nog eens dat kleine boek. Over de Joodse kinderen van toen.’ Had ik het materiaal voor dit boek verzameld?
Kinderkroniek 1940-1945 begint op 10 mei 1940 met de inval van het Duitse leger en eindigt in mei 1945 met de bevrijding, in Bergen-Belsen, Theresienstadt en Auschwitz, in Westerbork en de rest van Nederland. In Sobibor was geen bevrijding. Het kamp was na de opstand van oktober 1943 opgeheven en met de grond gelijk gemaakt. In Kinderkroniek wordt het lot van de kinderen tijdens de Shoah op de voet gevolgd, in sommige perioden vrijwel van dag tot dag. We zien hoe de kinderen geïsoleerd raken, nadat ze van school zijn verjaagd en naar Joodse scholen met alleen Joodse leerlingen zijn gestuurd. Ze geven hun reactie op het verplicht dragen van de ster, ze verwoorden hun angst voor de naderende deportatie. Ze verhalen over onderduik, verraad, de gevangenis, het kamp, deportatie. Niets bleef de kinderen bespaard.
In Kinderkroniek wordt een proces zichtbaar dat ik in mijn ‘Inleiding’ bij In Memoriam al heb beschreven. Het proces van anonimisering. Alle kinderen hadden een naam, maar die raakten ze langzaam maar zeker kwijt. En met hun naam hun identiteit. Zolang ze nog op school zaten, hadden ze vriendjes en vriendinnetjes. Ze schreven brieven en sommigen hielden een dagboek bij. Eenmaal uit huis gehaald, werden ze in Vught en Westerbork geregistreerd. Daar droegen ze hun naam nog, maar die begon al te vervagen. Het is opmerkelijk dat in de dagboeken van Philip Mechanicus, David Koker en in de brieven van Etty Hillesum vrijwel geen kind bij naam wordt genoemd.
Aan de vooravond van het vertrek van de deportatietrein werden de namen van de gedeporteerden voorgelezen. De namenlijst gaat met hen mee. Met welk doel is niet bekend, want de Duitsers waren in het geheel niet geïnteresseerd in wie zich in de trein bevonden. Het ging hen alleen om aantallen.
Eenmaal in de trein lijken de kinderen verdwenen. Via getuigenissen van overlevenden vangen we nog een glimp van ze op. Van een vader die in de beestenwagen met zijn kind speelt. Van de vader die op een station om water vraagt voor zijn zesenhalve maand oude tweeling en te horen krijgt dat de bewaker het voor hem zal halen, waarna de bewaker de fles stuk slaat tegen de wand van de wagon. In Auschwitz of Sobibor aangekomen, worden de kinderen onzichtbaar. Ze huilen. Ze krijgen een plaatsje op de vrachtwagen en wuiven. Maar hun naam had al geen betekenis meer. Ze gingen anoniem de gaskamer in.
Een kind dat naar een vernietigingskamp werd gedeporteerd had nauwelijks kans om te overleven. In Auschwitz werden kinderen onder de zestien jaar niet aan selectie onderworpen en rechtstreeks naar de gaskamer gestuurd. In Sobibor vond geen selectie plaats; iedereen werd meteen na aankomst vermoord, mannen, vrouwen, kinderen. Vanuit Nederland werden ruim 10.600 kinderen naar Auschwitz gedeporteerd. Tussen de 130 en 140 kinderen keerden terug. Van de bijna 7000 kinderen die naar Sobibor werden gedeporteerd, overleefden er zes. Op de vraag waarom kinderen in de kampen zo snel mogelijk werden vermoord, bestaan meerdere antwoorden. Het eerste is afkomstig van SS-leider Heinrich Himmler. In een op 21 juni 1944 te Santhofen gehouden redevoering voor een groep generaals, zei hij: ‘Het was de vreselijkste opgave en de vreselijkste opdracht die een organisatie kon krijgen: de opdracht om het Jodenvraagstuk op te lossen… Het is goed dat wij de hardheid hebben gehad, de Joden in ons bereik uit te roeien… De vraag wordt gesteld: “Ja, weet U, dat U de volwassen Joden ombrengt, dat begrijp ik, maar de vrouwen en kinderen?” Dan moet ik U iets zeggen: de kinderen zullen eenmaal groot worden. Willen wij dan zo onbehoorlijk zijn om te zeggen, nee, daar zijn wij te zwak voor, daar moeten onze kinderen zich maar mee bezig houden, die moeten dat maar uitvechten? Dan zal deze haat van nu kleine en dan groot geworden wrekers zich vergrijpen aan onze kinderen, zodat ze nog eens hetzelfde probleem moeten oplossen, maar dan in een tijd waarin geen Adolf Hitler meer leeft. Neen, dat kunnen wij niet voor onze verantwoording nemen. Dat zou laf geweest zijn, en daarom hebben wij de voorkeur gegeven aan een duidelijke oplossing, hoe zwaar die ook viel.’
In Kinderkroniek worden soortgelijke woorden uitgesproken door een Nederlandse Jodenjager.
In Kinderen met een gele ster verwoordt Déborah Dwork een andere opvatting. Zij stelt dat voor de bureaucraten die het ‘joodse vraagstuk’ van een ‘definitieve oplossing’ voorzagen, de kinderen geen ‘afzonderlijk vraagstuk’ vormden. Maar toen de Duitsers eenmaal waren begonnen met de massale vernietiging van de Joden, moest de bureaucratische precisie wijken voor overwegingen van operationele effi ciëntie: ‘De kinderen hadden er niet toe gedaan voor de functionarissen, maar voor de slachters waren ze een hinderlijk verschijnsel. Omdat men jonge kinderen niet zo gemakkelijk onder controle kon houden (ze begrepen de bevelen niet, ze huilden, ze protesteerden tegen de onderbreking van hun gebruikelijke leven), zag men hen als een belemmering van het effi ciënte moordsysteem dat afhankelijk was van kalmte en het drogbeeld van normaal bestaan. Om lastige gebeurtenissen te vermijden, en om hun lopende band van de dood te vereenvoudigen en te versnellen, zagen de Duitsers af van de potentiële slavenarbeid van de moeders en lieten hen bij hun kinderen, ter handhaving van discipline en rust. Toen waren kinderen niet meer alleen aanhangsels van hun ouders – ze veranderden in hun doodvonnis. Wat de Duitsers aanging, waren kinderen – en hun moeders – slechts voer voor de moordfabrieken.’
Opmerkelijk is dat de analyse van Dwork voor de Franse situatie niet opgaat. In Frankrijk besloten de Duitsers veelal de kinderen van hun ouders te scheiden en gingen ouders en kinderen van elkaar gescheiden op transport en naar de gaskamers. Want welke procedure de Duitsers ook volgden, het eindigde altijd met de dood.
In de getuigenissen die tezamen Kinderkroniek vormen, komen veel kinderen naamloos voor. Als er ook maar een enkel aanknopingspunt was, is geprobeerd de naam van het kind en zijn lot te achterhalen. In vele gevallen is dat gelukt. Meestal met behulp van In Memoriam en Digitaal Monument. Als een kind meer dan een keer voorkomt in Kinderkroniek, wordt er per keer doorverwezen naar het volgende fragment. Zowel in In Memoriam als op Digitaal Monument is vaak nog meer informatie te vinden, zoals het huisadres of het beroep van de ouders. In enkele gevallen is er ook een foto van het betreffende kind, vaak nog alleen in In Memoriam, maar over enige tijd ook digitaal, want alle foto’s uit In Memoriam en het daarbij behorende Addendum worden overgedragen aan Digitaal Monument. De getuigenissen in Kinderkroniek die handelen over het leven onder de bezetting maar buiten de kampen zijn chronologisch gerangschikt. Na de laatste getuigenis uit 1944, verplaatst de handeling zich naar Westerbork en vervolgens naar Vught, Auschwitz, Bergen-Belsen en Theresienstadt. Ook de getuigenissen uit en over de kampen zijn chronologisch gerangschikt.
Alle getuigenissen die in Kinderkroniek zijn opgenomen zijn eerder gepubliceerd, in boek, tijdschrift of krant. Op film of tape opgenomen getuigenissen vielen buiten het bestek van dit boek. Getuigenissen die handelen over niet bestaande personen heb ik niet opgenomen of er moest duidelijk sprake zijn van tot echte personen te herleiden pseudoniemen.
Ik heb me zo precies mogelijk aan de oorspronkelijke tekst van de getuigenissen gehouden. Taalfouten zijn niet verbeterd. Spelfouten wel, behalve in getuigenissen van kinderen.
Rest mij iedereen te bedanken die mij op de een of andere manier heeft geholpen bij het tot stand komen van Kinderkroniek. In de eerste plaats gaat mijn dank uit naar alle mensen, schrijvers en rechthebbenden die toestemming hebben gegeven hun getuigenissen of getuigenissen van familieleden op te nemen. Zonder hun medewerking was dit boek niet mogelijk geweest. Ik dank iedereen die me op boeken wees die me eerder waren ontgaan. Ik dank de medewerkers van het niod, van het Joods Historisch Museum, van het Herinneringscentrum Westerbork, van het Nationaal Monument Kamp Vught, van de Anne Frank Stichting en van het Stadsarchief Amsterdam. Dank ook aan Raymund Schütz van de afdeling Oorlogsnazorg van het Rode Kruis, die op alle mogelijke manieren heeft geholpen informatie over kinderen op te sporen. Dank aan Aline Pennewaard en Marten Jongman, aan Ludger Smit, Koen Koch en Willy Lindwer, die alle vijf op hun eigen wijze een bijdrage aan dit boek hebben geleverd. Mijn dank ook aan Marije Braat van uitgeverij Nieuw Amsterdam en Janneke Louman, mijn redacteur, die niet alleen alles tegelijk deed, maar ook was.
Ten slotte bedank ik Ruth Visser, van Sterrenlied naar In Memoriam naar Kinderkroniek mijn geliefde, die er altijd bij was.

Guus Luijters
Amsterdam, 9 juni 2013

© Guus Luijters 2013

Uitgeverij Nieuw Amsterdam

MINDBOOKSATH : athenaeum