Leesfragment: Mensen in de zon

10 november 2013 , door Marijke Schermer
| |

In samenwerking met Recensieweb.nl richten we de schijnwerpers op Nederlandse prozadebuten. Deze maand vindt u op onze site uitgebreide leesfragmenten uit de debuten van Pepijn Lanen, Marijke Schermer, Femke Ponsioen en Marten Mantel.

15 november verschijnt het debuut van Marijke Schermer, Mensen in de zon. Wij publiceren voor. ‘Juist als ze begonnen is zich met een aan haar puberteit herinnerende weeheid aan die hitte uit te leveren, als ze zich op een net niet comfortabele ligstoel achter in de tuin heeft uitgestrekt, terwijl ze luistert naar de stemmen uit de andere tuin waar één van de twee vrouwen net de poëtische woordcombinatie: “onmacht, onmacht, allemaal allemaal onmacht,” heeft uitgesproken, belt IJsbrand Asscher die ze in geen twintig jaar gesproken heeft, om haar uit te nodigen voor een historische reconstructie.’

Vijf vrienden besluiten in Frankrijk een verrassingsbezoek te brengen aan de man die zich als vriend en mecenas over hen ontfermd heeft. Ze zijn moe. Ze zijn uitgelaten. Ze staan op het punt om opgemerkt te worden en verschil te gaan maken. Max en Stella als beeldend kunstenaars, Vik als romancier, Leo als pianist, Clara als wetenschapper. Ze geloven dat de wereld een te veroveren plaats is, en dat talent en succes uiteindelijk onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. Het is donker en het begint te sneeuwen. Op de bochtige weg naar het dorp beneden rijden ze met een snelheid van tegen de 100 kilometer per uur frontaal op een andere auto.

Mensen in de zon speelt zich twintig jaar na dit ongeluk af. De vijf zien elkaar niet meer en hun levens hebben zich in verschillende richtingen ontwikkeld. Een uitnodiging om bij elkaar te komen, dwingt iedereen tot reflectie op het verleden en hun huidige leven. Tot de vraag of er nog iets afgemaakt moet worden en of het eigenlijk de bedoeling van geheimen is dat ze worden opgebiecht.

Met een gelijkertijd genadeloze en empathische en humoristische kijk op haar personages, weeft Schermer moderne levens ineen tot een psychologisch intens scherp portret van een generatie.

 

Clara

Terwijl Arthur onophoudelijk praat aan de andere kant van de tafel, rangschikt Clara de kruimels op haar bord van klein naar groot. Ze pikt ze vervolgens met haar wijsvinger één voor één op en bekijkt ze zorgvuldig. Dan ontdekt ze zijn blik, verwachtingsvol, en ze murmelt iets onduidelijks, bevestigends, waarna hij zijn ogen weer laat zakken naar de krant. Hij schudt zijn hoofd op de manier van iemand die van zijn eigen verbijstering geniet. Zij kijkt naar hem, naar zijn pas gewassen haar, naar het zonlicht dat op zijn ene schouder valt, naar de armen in zijn ribfluwelen jasje. Het ging over vissen. Ze kijkt hoe hij zijn boterhammen eet, zacht snuivend door zijn neus ademend. Hij houdt zijn blik nu onafgebroken op de krant, terwijl zijn rechterhand over de tafel en dan richting zijn borstzakje beweegt op zoek naar een pen. Ze voelt zich volkomen neutraal tegenover hem, denkt ze. Volkomen neutraal.

Vier jaar geleden leerden ze elkaar kennen. Clara was ruim een jaar daarvoor teruggekomen uit Amerika, waar ze aan Stanford University had gewerkt, en was hoogleraar logica aan de Universiteit van Amsterdam geworden. Sinds ze begin jaren negentig een computerprogramma had geschreven dat het mogelijk maakte om in een veelheid van beweringen tegenstrijdigheden op te sporen en op te lossen, was ze in haar vakgebied beroemd. Behalve dat het logica-instituut in Amsterdam een geweldige werkplek is, waar ze veel van haar onderzoek uit Californië onder prima condities kon voortzetten, was er geen persoonlijke reden geweest om terug te gaan naar Nederland. Het was niet zo dat ze haar familie, haar vrienden of haar moedertaal miste.
Ze woonde in een kleine betonnen flat aan de noordkant van het IJ, tegen de polder aan. Geen plek voor professoren. Ze maakte lange werkdagen. ’s Avonds zat ze in haar spaarzaam ingerichte kamer te lezen. Ze analyseerde niet wat ze las en sprak er met niemand over. Ze las en ze keek door het raam, over de snelweg heen, in de verte. Fictie gaf haar het gevoel dat ze de dingen op een diep en niet nader gespecificeerd niveau begreep. In de weekenden ging ze op haar racefiets de stad uit en fietste ze door het winderige landschap. Deze tochten maakten haar hoofd leeg en bevredigden haar behoefte aan een goede conditie en spierkracht. Ze wilde eigenlijk een ligfiets maar ze maakte er geen werk van. Ze deed haar wetenschappelijk werk wat niet voelde als werken maar als de meest natuurlijke dagbesteding die ze zich kon voorstellen en vervulde haar onderwijsplichten. Ze fietste, en ze las. Ze bezocht haar vader in Groningen. Met enkele van haar collega’s at ze wel eens. Ze was niet eenzaam. Zo beperkt als haar ruimte in de wereld was, zo ver strekte een zee aan mogelijkheden zich uit in haar hoofd.
De eerste jaarwisseling na haar terugkeer naar Amsterdam had ze zich laten overhalen om naar een feestje te komen van één van haar promovendi, een intelligente en zachtaardige jongen met flaporen die net als zij van fietsen hield en met wie ze routes uitwisselde. Tot op het laatste moment had ze getwijfeld en geprobeerd naar een reden te zoeken waarom ze daar in hemelsnaam naar toe zou gaan. Ze kende daar bijna niemand en ze was niet op zoek naar nieuwe kennissen. Ze zou zichzelf met allerlei ongemakkelijke momenten opzadelen, zoals het moment waarop iedereen elkaar een gelukkig nieuw jaar zou gaan wensen. Ze ging toch, ze dronk te veel en ontmoette Arthur. Hij had zich ook laten overhalen. Zijn broer had hem meegesleurd omdat hij het tijd vond dat Arthur weer eens onder de mensen kwam. Achteraf, in elk geval voor Clara, een onbegrijpelijk motief, aangezien de sociale vermogens van Arthur onbetwist zijn. Ze hadden gedanst. Iets wat ze allebei nooit deden en wat daarna ook niet meer was gebeurd. Toen het twaalf uur was en ze op het dakterras naar het vuurwerk keken, sloeg hij zijn jas om haar heen. Ze leunde tegen hem aan. Hij voelde stevig aan en zong een nummer van Radiohead in haar oor. No alarms and no surprises… Twee uur later ging ze met hem mee naar het huis waar ze nu zitten te ontbijten.
Hij voelt zich intellectueel haar mindere op de manier waarop intelligente alfa’s dat ten opzichte van bèta’s doen (haar woorden). Maar hij revancheert dat gevoel nooit met grapjes over haar vermeende wereldvreemdheid. Hij is trots op de reputatie die zij in haar vakgebied heeft en de roem die zij geniet voor dingen die hij niet begrijpt. Ze zit niet meer zo vaak alleen in haar flat te lezen. Ze zitten hier, in de serre van zijn huis, en soms lezen ze elkaar voor. Daarna praat hij dan tegen haar over wat het allemaal betekent volgens hem en waar het hem aan doet denken. Meestal dwalen haar gedachtes af zonder dat hij daar iets van merkt. Deze zomer wonen ze op proef samen. In haar flat in Noord is ze al weken niet geweest.

Hij heeft zijn pen gevonden en schrijft iets op een papiertje dat hij in zijn broekzak steekt. Zijn associatieve vermogen is zijn belangrijkste kwaliteit, zegt hij. Het is iets waar ze hem om waardeert, net als om zijn talent zich op te winden, een even fascinerend als vermoeiend schouwspel. Hij schrijft een column in een landelijke krant. Zijn dagen staan in het teken van het verzamelen van stof. Hij wandelt, leest, praat met mensen, denkt na en windt zich op. Hij heeft een enorme kennissenkring die hij met aandacht onderhoudt. Soms schrijft hij een essay of een boekrecensie. Hij praat veel over wat hij schrijft. Hij zegt tegen haar dat zij nadenkt met veel minder ruis dan hij. Ze heeft niet de indruk dat de ruis waar hij op doelt iets is waar hij vanaf zou willen.
De zorgvuldigheid waarmee hij zijn papieren opbergt en controleert of zij er niet stiekem in heeft zitten neuzen, ontgaat haar niet. Ze vraagt zich af of het feit dat hij niet weet dat ze dat nooit zou doen, als een belediging zou kunnen worden opgevat. Het is niet uit fatsoen dat ze niet zou lezen wat haar niet nadrukkelijk wordt aangeboden en het is ook niet dat ze zijn werk niet goed vindt. Het interesseert haar niet. Niet echt. Ze denkt dat het misschien een vorm van zelfoverschatting is dat hij denkt dat zij, zodra hij de deur uit is, zijn lades opentrekt en zijn woorden verslindt, maar haar hoofd staat gewoon in een compleet andere stand. Zodra er geen sociale verplichting of afleiding is, lost ze op in een boek of denkt ze na over vormen van orde. Het is niet iets waar ze mee te koop loopt. Dat andere mensen je eigenlijk niet interesseren, zelfs niet als je er een relatie mee hebt, is niet iets om te etaleren.
‘Clara,’ zegt hij, langzaam, de a’s uitrekkend tot een vraagteken. Ze glimlacht naar hem. ‘Ik ga. Doe alsjeblieft iets leuks vandaag. Geniet een beetje van je vrije tijd. En eet die kip op als je zin hebt want morgen moeten we ’m weggooien.’ Hij loopt naar de deur, draait zich om: ‘Volledig doorzichtige goudvissen, ongelooflijk, toch? Dat ze dat kunnen… maken! Als die beesten bloed hadden gehad, hadden we het uit schaamte over zoveel doorzichtigheid naar hun kop kunnen zien stijgen. Dag schat. Tot vanavond’. En weg is hij – zwiert hij, denkt ze. Met de kernzin van zijn stukje alvast in zijn hoofd.
Ze ruimt de tafel af zonder echt op te ruimen, ze verplaatst gewoon alleen maar alles naar het aanrecht. Ze zet nieuwe koffie en wacht tot die klaar is, leunend met haar onderarmen op het granieten aanrechtblad. Arthur heeft een mooi huis waar hij veel zorg aan besteedt. Onlangs heeft hij de keukenkastdeurtjes groen geverfd. Ze waren niet afgebladderd of wat dan ook, ze waren alleen maar wit. Hij had bedacht dat groen mooier zou zijn en het is ook mooier. Op de vloer liggen brede planken, in de winter ligt er een kleed voor de bank en in de lente rolt hij dat op en zet het in de schuur. Hij heeft een bescheiden verzameling jarenvijftigdesign en verder zijn de meubels een combinatie van oude en nieuwe spullen. Aan de muur hangen foto’s en tekeningen, de meeste van hedendaagse Nederlandse kunstenaars. Arthur begon op zijn achttiende, toen zijn vrienden hooguit reproducties uit de posterwinkel op hun muren prikten, betaalbare tekeningen te kopen. In zijn werkkamer bewaart hij twee mappen vol met in de loop der tijd verzamelde werken en eens in de zoveel maanden hangt hij iets anders op. Op een kleine tafel bij het raam staat een schaakbord klaar om te beginnen, maar niemand speelt er ooit op.
Clara loopt de tuin in en hoort daar een vrouwenstem achter de schutting zeggen: ‘Ik ben gewoon niet geschikt voor een buitenechtelijke relatie.’ En dan een andere stem: ‘Want je bent veel te eerlijk’. ‘Precies,’ zegt de eerste weer, ‘en buiten dat heb ik er gewoon ook echt helemaal geen tijd voor.’
Het is tien uur ’s ochtends. Het zijn de laatste dagen van haar vakantie. Aanstaande donderdag begint ze weer. Het is ondanks het vroege uur al bloedheet. Juist als ze begonnen is zich met een aan haar puberteit herinnerende weeheid aan die hitte uit te leveren, als ze zich op een net niet comfortabele ligstoel achter in de tuin heeft uitgestrekt, terwijl ze luistert naar de stemmen uit de andere tuin waar één van de twee vrouwen net de poëtische woordcombinatie: ‘onmacht, onmacht, allemaal allemaal onmacht,’ heeft uitgesproken, belt IJsbrand Asscher die ze in geen twintig jaar gesproken heeft, om haar uit te nodigen voor een historische reconstructie.
‘Een wat?’ vraagt ze terwijl ze met de tenen van haar linkervoet een stukje aarde onder haar andere voet vandaan wrijft. Ze is opgestaan en richting het huis gelopen.
‘Een historische reconstructie’ herhaalt hij.
‘Een reünie?’ vraagt ze. Het horen van zijn stem brengt onmiddellijk de onrust naar boven van de roker die ze allang niet meer is.
‘Geen reünie,’ zegt hij, ‘dat klinkt zo weinig ambitieus.’ Ze kijkt in het raam van de terrasdeur naar de weerspiegeling van zichzelf. Ze is mager. Ze vraagt of hij zijn memoires schrijft en dan, als hij geen antwoord geeft, of hij dood gaat. Hij vraagt haar hem alleen maar het plezier te doen op de uitnodiging in te gaan en het hem live te laten toelichten.
‘De anderen komen ook,’ zegt hij zacht, met die rare nasale stem van hem. Nadat ze hem haar mailadres gegeven heeft, hangt ze op.
Na een halve minuut komt ze in beweging. Ze kan niet langer in de tuin gaan liggen en aan niets in het bijzonder denken. Ze moet douchen en zich aankleden en, wat dan ook, iets doen. Ze gaat naar boven en ze kleedt zich uit. Maar in plaats van onder de douche stapt ze in bed. Ze is op een kinderlijke manier dankbaar dat haar favoriete glad- en zacht- en bijna stukgewassen laken op het bed ligt. Het gordijn hangt doodstil voor het open raam en zet de kamer in een vage oranjeachtige gloed en ze wil hier voor altijd blijven liggen met de koele lakens op haar huid. In de verte hoort ze iemand klaterend lachen. Ze denkt eraan dat mensen zich bijna allemaal een zomer herinneren uit hun kindertijd waar alle latere zomers aan gespiegeld worden – en er onveranderlijk flets bij afsteken. Alsof de zomers vroeger anders waren. Lichter, warmer, eindelozer. Maar natuurlijk was je alleen maar zelf lichter en eindelozer. Nog niet gevangen door de tijd en de behoefte om te vergelijken.

 

© Marijke Schermer
Auteursportret © Tessa Posthuma de Boer

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum