Leesfragment: Morgenzee

27 november 2015 , door Margaret Mazzantini

7 mei verschijnt de nieuwe roman van Margaret Mazzantini: Morgenzee (Mare al mattino, vertaald door Miriam Bunnik en Mara Schepers). Wij publiceren voor. ‘Farid heeft de zee nog nooit gezien, hij is er nog nooit in geweest. Hij heeft hem zich al heel vaak voorgesteld: bezaaid met de lichtjes van sterren als de mantel van een pasja, azuurblauw als de azuurblauwe muur van de dode stad. Hij heeft fossiele schelpen gezocht, die miljoenen jaren geleden zijn begraven toen de zee nog tot in de woestijn stroomde. Hij heeft achter hagedisvissen aan gerend, die onder het zand zwemmen.’

Libië, zomer 2011: met haar zoontje Farid vlucht Jamila voor Kadaffi’s troepen naar zee. Ze hoopt op een toe­komst in Europa en ze weet een plek op een boot voor zichzelf en de jongen te bemachtigen. Maar er ontstaat gebrek aan drinkwater en benzine.

Aan de andere kant van de Middellandse Zee, op het strand van Sicilië, vindt de achttienjarige Vito een Arabische halsket­ting. Hij denkt aan zijn moeder Angelina, die in Libië is opgegroeid en in de jaren zestig door Kadaffi het land uit gezet werd, net als alle Itali­anen. Nu keert ze terug, uit heimwee naar haar geboorteland en op zoek naar haar eerste grote liefde.

Indringend vertelt Margaret Mazzantini over de mensen van vlees en bloed die achter de recente gebeurtenissen in de Arabische wereld schui­len. Haar krachtige en intense stijl raakt elke lezer.

N.B. Eerder bespraken we Ter wereld gekomen.

 

Farid en de gazelle

Farid heeft de zee nog nooit gezien, hij is er nog nooit in geweest.
Hij heeft hem zich al heel vaak voorgesteld: bezaaid met de lichtjes van sterren als de mantel van een pasja, azuurblauw als de azuurblauwe muur van de dode stad.
Hij heeft fossiele schelpen gezocht, die miljoenen jaren geleden zijn begraven toen de zee nog tot in de woestijn stroomde. Hij heeft achter hagedisvissen aan gerend, die onder het zand zwemmen. Hij heeft het zoutmeer en het bittermeer gezien, en de zilverkleurige dromedarissen die voortschrijden als sleetse piratenschepen. Hij woont in een van de laatste oasen van de Sahara.

Zijn voorouders behoorden tot een rondtrekkende bedoeïenenstam. Ze verbleven in wadi’s, droge rivierbeddingen bedekt met begroeiing, waar ze hun tenten opzetten. De geiten graasden, de vrouwen kookten op roodgloeiende stenen. Ze verlieten de woestijn nooit. Er heerste een zeker wantrouwen tegenover mensen aan de kust, kooplieden, piraten. De woestijn was hun thuis, open en oneindig. Hun eigen zee van zand. Bevlekt met duinen als de vacht van een jaguar. Ze bezaten niets, alleen hun voetafdrukken, die weer met zand werden bedekt. De zon bewoog de schaduwen. Ze waren eraan gewend de dorst te trotseren, uit te drogen als dadels, zonder te sterven. Een dromedaris maakte de weg voor hen vrij, een lange, scheve schaduw. Ze verdwenen in de duinen.
Wij zijn onzichtbaar voor de wereld, maar niet voor God.
Met deze gedachte in hun hart trokken ze verder. In de winter sloeg de noordenwind, die de oceaan van gesteente overstak, hun wollen boernoes tegen hun lichaam, hun huid greep zich vast aan hun botten, uitgebloed als een geitenvel op een trommel. Eeuwenoud kwaad viel uit de hemel. De zandverstuivingen sneden als messen, de woestijn aanraken betekende zich verwonden.
Oude mensen werden begraven op de plek waar ze stierven, overgelaten aan de stilte van het zand. De bedoeïenen trokken verder, franjes van witte en indigoblauwe stof.

In de lente ontstonden nieuwe duinen, lichtroze en bleek. Maagden van zand.
De gloeiend hete ghibil kwam eraan, samen met het hese gekerm van een jakhals. Hier en daar prikkelden kleine wervelwinden het zand als rondreizende geesten. Vervolgens scherende windstoten, scherp als kromzwaarden. Een herrezen leger. In een oogwenk kwam de woestijn omhoog en verslond de hemel. Er was geen grens meer met het hiernamaals. De bedoeïenen liepen voorovergebogen onder het gewicht van de grijze storm. Ze zochten beschutting achter de lichamen van de geknielde dieren, als onder de deken van een oude vloek.

Op een gegeven moment hielden ze stil. Ze bouwden een lemen muur en bakenden een graasweide af. Er liepen sporen van wielen in het zand.
Af en toe kwam er een karavaan langs. Ze zaten op de route van de kooplui die vanuit het zwarte Afrika de woestijn doorkruisten op weg naar de zee. Ze hadden ivoor, hars en edelstenen bij zich, en vastgebonden mannen die ze in de havens van Cyrenaica en Tripolitanië als slaven verkochten.
In de oase kwamen de kooplieden op krachten. Ze aten, ze dronken. Er ontstond een stad. Muren van gedroogde klei die leken op gevlochten touw, daken van palmtakken. De vrouwen leefden boven, gescheiden van de mannen, en liepen blootsvoets over de daken. Met terracotta amforen op hun hoofd gingen ze naar de put. Ze roerden schapeningewanden en gekookt meel door de couscous. Ze baden bij de graven van de maraboets. Bij zonsondergang dansten ze op de daken op de muziek van de ney, hun buik bewegend als een slaperige slang. Beneden kneedden de mannen bakstenen, ze dreven ruilhandel of speelden een Perzisch dobbelspel terwijl ze een waterpijp rookten.

Nu is die stad er niet meer. Alleen de contouren zijn er nog, een heiligdom verteerd door de zandwind. Ernaast is de nieuwe stad verrezen die de Kolonel heeft laten bouwen door buitenlandse architecten uit het oosten. Betonnen bouwwerken, antennes.
Verspreid langs de weg hangen grote afbeeldingen van de raïs, gekleed voor de woestijn, als moslim, als officier. De ene keer is hij heerszuchtig en serieus, de andere keer glimlacht hij met gespreide armen.
Mensen zitten op lege benzinevaten: knokige kinderen, oude mannen die aan wortelstokjes zuigen om hun mond te verfrissen. Elektriciteitskabels hangen slap van het ene gebouw naar het andere. De gloeiend hete ghibil sleurt plastic zakjes mee en afval dat door toeristen in de woestijn is achtergelaten.
Er is geen werk. Alleen gezoete drankjes en geiten, en dadels die moeten worden ingepakt voor de export.
Veel jongeren gaan ervandoor, ze gaan naar de olievelden, het grote zwarte blok. De eeuwige vlammen van de woestijn.

Het is geen echte stad, het is een agglomeratie van levens.
Farid woont in het oude gedeelte, in een van die lage huizen die allemaal met de deur op dezelfde binnenplaats uitkomen. Een verwilderde tuin en een hek dat altijd openstaat. Hij gaat te voet naar school. Hij rent op zijn magere benen, die altijd vervellen als riethalmen. Jamila, zijn moeder, pakt een paar sesamstengels in als tussendoortje.
Na schooltijd spelen hij en zijn vriendjes met een karretje van golfplaat dat blikjes achter zich aan sleept, of hij gaat voetballen. Als een kakkerlak rolt hij door het rode stof. Hij steelt kleine bananen en trossen zwarte dadels. Met een touw klimt hij naar boven, naar het hart van die schaduwrijke bomen.
Hij draagt een talisman om zijn nek. Alle kinderen hebben er een. Een klein leren zakje met een paar kralen erin, een plukje haar van een beest.
Gemene ogen zullen naar de talisman kijken en dan zul jij veilig zijn, heeft zijn moeder hem uitgelegd.

Omar, zijn vader, is monteur, hij installeert tv-antennes. Hij wacht op het signaal en glimlacht naar de vrouwen, die geen aflevering willen missen van hun Egyptische soap. Ze behandelen hem als de redder van hun dromen. Jamila is jaloers op die onnozele vrouwen. Ze heeft zangkunst gestudeerd, maar haar man wil niet dat ze op huwelijken of openbare feesten optreedt, laat staan voor toeristen. Dus zingt Jamila alleen voor Farid, hij is haar enige toeschouwer in die kamers vol gordijnen en tapijten, waar het ruikt naar citroenkruid en andere geurige kruiden, onder dat ovale kalkstenen dak.
Farid is verliefd op zijn moeder, op haar armen die waaieren als palmbladeren, op haar adem wanneer ze de malouf zingt, die muziek vol liefde en tranen, en zijn hart zo opzwelt dat hij het met beide handen moet vasthouden zodat het niet op de grond valt, in het roestige ijzeren regenteiltje dat altijd droogstaat.
Zijn moeder is jong, ze lijkt wel zijn zus. Af en toe spelen ze voor bruidspaar, dan kamt Farid haar haar en doet hij haar sluier goed.
Jamila’s voorhoofd is een grote ronde steen, haar ogen zijn zwart omrand, net als die van een vogel, en haar lippen lijken wel twee zoete, rijpe dadels.

Het is een windstille zonsondergang. De hemel kleurt perzikroze.
Farid zit tegen de muur van de tuin. Hij kijkt naar zijn voeten, naar zijn vieze tenen die uit zijn sandalen steken.
Druipend mos dringt een spleet binnen, Farid brengt zijn neus naar die frisse geur. Dan pas merkt hij dat er een dier naast hem staat te ademen. Het is zo dichtbij dat Farid zich niet durft te bewegen, zijn hart klopt in zijn keel.
Hij is bang dat het een manenschaap is, het ezelachtige schaap met de grote hoorns dat de hoofdrol speelt in vele legenden. Zijn opa heeft hem verteld dat het tussen de duinen aan de horizon verschijnt, als een gemene luchtspiegeling. Inmiddels heeft al jaren niemand meer een manenschaap gezien, maar opa Mussa zweert dat er zich nog een verbergt in de zwarte wadi van zandstenen lagen waar geen enkel leven standhoudt, en hij is heel boos op al die jeeps die de woestijn aantasten, die haar verschuiven met hun wielen.
Maar het dier heeft geen witte plukken en ook geen maanvormige hoorns, en het laat zijn tanden niet zien. Het heeft een zandkleurige vacht en zulke slanke hoorns dat ze net heestertakken lijken. Het kijkt naar hem, misschien heeft het honger.
Farid ziet nu dat het een gazelle is. Een jonge gazelle. Ze vlucht niet. Haar ogen, opengesperd en zo dichtbij, staan helder en kalm. Haar vacht wordt opgeschud door een rilling. Misschien beeft zij ook. Maar ook zij is te nieuwsgierig naar die ontmoeting om achteruit te deinzen. Voorzichtig steekt Farid een tak naar haar uit, de gazelle doet haar bek met stompe witte tanden open en rukt er een paar pistachenootjes af. Ze loopt achteruit weg, terwijl ze naar hem blijft kijken. Dan draait ze zich plotseling om. Ze springt over het lemen muurtje en het zand stuift op als ze wegrent, voorbij de horizon van de duinen.
De dag erna op school vult Farid bladzijden met gazelles. Hij maakt een slordige potloodtekening en met zijn vinger kleurt hij die in met waterverf.

De televisie zendt aan één stuk door de film uit die de raïs heeft geproduceerd, met Anthony Quinn in de rol van de legendarische Omar al-Mukhtar, de bedoeïenenstrijder die als een leeuw heeft gevochten tegen de Italiaanse indringers. Farid is trots, hij voelt zijn hart kloppen in al zijn botten. Zijn vader heet Omar, net als de held uit de woestijn.
Hij speelt oorlogje met zijn vrienden. Blaaspijpen van rietstengels waarmee ze pistachenootjes wegschieten, en rode steentjes die zijn achtergebleven na een storm.
Je bent dood! Je bent dood!
Ze maken ruzie, want niemand heeft zin om op de grond te vallen en uit het spel te liggen.
Farid weet dat er ergens oorlog is uitgebroken. Zijn ouders fluisteren tot diep in de nacht en zijn vrienden zeggen dat er wapens over de grens komen, ze hebben gezien hoe die ’s nachts uit jeeps werden geladen. Ook zij zouden wel een kalasjnikov willen hebben, of een lichtkogel.
Ze steken wat vuurwerk af naast een dove oude koopman.
Farid springt in het rond, hij vermaakt zich kostelijk. Hisham, zijn jongste oom, studeert aan de universiteit van Benghazi en heeft zich aangesloten bij het rebellenleger. Opa Mussa, die toeristen rondleidt tot aan het ‘vervloekte gebergte’, sporen van slangen kan herkennen en rotstekeningen kan ontcijferen, zegt dat Hisham dom is, dat hij te veel boeken heeft gelezen.
Hij zegt dat de qa’id Libië heeft geplaveid met asfalt en beton, het land heeft volgeladen met zwarte Toearegs uit Mali, de woorden uit dat belachelijke groene boek van hem in elke muur heeft gekrast en over de hele wereld geldschieters en politici heeft ontmoet, omgeven door mooie vrouwen, als een acteur op vakantie. Maar hij is een bedoeïen, net als zij, een man van de woestijn. Hij heeft hun ras, dat wordt achtervolgd door de geschiedenis en is teruggedrongen naar de rand van de oasen, altijd verdedigd. Liever hem dan de Moslimbroeders.
Hisham zei: Liever de vrijheid.

Omar klimt het dak op. Hij stelt de schotelantenne af. Zo ontvangen ze een zender die niet door het regime is versleuteld. De kuststeden staan in brand. Nu weten ze dat de profeet van het Verenigd Afrika op zijn eigen jamahiriya schiet. Inmiddels zit hij alleen in het kasteel van de macht. Als hij ziet dat Misrata is verwoest, trekt opa Mussa de poster van de qa’id van de muur, hij rolt hem op en smijt hem onder het bed.
Er is een telegram gekomen. Hisham is blind geworden. Een scherf in zijn gezicht. Hij zal geen boeken meer lezen met zijn eigen ogen. Iedereen huilt, iedereen bidt. Hisham ligt in het ziekenhuis van Benghazi. Hij leeft tenminste nog, hij ligt niet in een groene zak zoals de zoon van Fatima.
Op straat krabben de mensen de woorden van de raïs van de muur en bedekken die met teksten die de vrijheid bejubelen en met spotprenten van de grote rat die met valse onderscheidingen behangen is. Het standbeeld tegenover de medina is door stenen onthoofd.

Het is nacht, er brandt alleen een klein, kaal lichtje dat blijft knipperen alsof het moet hoesten. Omar schudt een plastic zak leeg op tafel, er zit geld in. Zijn spaargeld en de euro’s en de dollars die opa Mussa heeft verdiend aan de toeristen in de woestijn. Omar telt het geld, dan haalt hij een steen uit de muur en verbergt het. Hij praat met Jamila, hij vouwt zijn handen om de hare. Farid slaapt niet, hij kijkt naar de knoop van handen in het donker, die trillen als een kokosnoot in de regen.
Omar zegt dat ze ervandoor moeten gaan. Dat ze dat allang hadden moeten doen. In de woestijn hebben ze geen toekomst. En nu is er oorlog. Hij maakt zich zorgen over hun kind.
Farid vindt dat zijn vader zich geen zorgen over hem hoeft te maken, hij is klaar voor de oorlog, net als oom Hisham. Met zijn handen voor zijn ogen heeft hij uitgeprobeerd hoe het is om blind te zijn. Je stoot je af en toe, maar dat is niet erg.

[...]

 

© 2011 Margaret Mazzantini
First Italian edition by Giulio Einaudi editore S.p.A., Turijn
© 2013 Nederlandse vertaling Miriam Bunnik, Mara Schepers en Uitgeverij Wereldbibliotheek bv

Uitgeverij Wereldbibliotheek

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum