Leesfragment: Naar Whitebridge

27 november 2015 , door Erik Lindner

22 augustus verschijnt Naar Whitebridge, het romandebuut van Erik Lindner. Wij publiceren voor:
'Er drukt iets op mijn longen, het lijkt of er geen lucht meer bij kan. Het lukt me niet om te ademen. Het water is echt veel te koud. Ik begin om me heen te slaan, te spartelen, wil een stap terug zetten maar het gaat niet. Even zie ik de geschrokken blik van Jet. Ze lijkt teleurgesteld. Ik ga bijna kopje-onder. Dan hoor ik boven alles uit, van niet al te grote afstand, met een echo door de dalen, het scherpe, kraakheldere geluid van een geweerschot.' 

Als een winter ten einde loopt wordt een jongen naar zijn moeder in Schotland gestuurd. Na veel omzwervingen heeft zij samen met haar nieuwe liefde werk op een landgoed van een graaf gevonden. De moeder is manisch-depressief en de jongen belandt in een wonderlijke tussentijd. Belast met de zorg voor zijn moeder en zich langzaam bewust van de sluimerende manifestatie van de ziekte, zwerft hij eindeloos over het landgoed, waar de dreiging voelbaar is van het familiegeheim van de graaf. 

In het romandebuut van de dichter Erik Lindner wordt in een sobere, heldere stijl een ziektegeschiedenis verbeeld, maar vooral is Naar Whitebridge een sfeervol portret van een dromerige en dolende jongensziel.

Zwemmen

We lopen over de weg, Henriëtte en ik, langs de keeper’s cottage naar het landhuis. Dell loopt voor ons uit. Vannacht kon ik nauwelijks in slaap komen. Ik bleef piekeren over de rijleraar van Ann Mary. Als ze terugkomt van haar festivals, kan ik haar er eindelijk naar vragen. Midden in de nacht tilde ik Dell uit zijn krat, legde hem bij me aan het voeteneind. Daar sliep hij verder tot hij Elizabeth hoorde rommelen in de keuken. Bij het landhuis wijs ik Jet op de bloemen en vertel hoe ze gesproeid worden. De gardener komt niet naar buiten. Dell rent door de bloemenperken, ik moet hem eruit halen en op het pad zetten. Bij de schuur zie ik twee triplex platen schuin tegen de andere staan. De gardener heeft een rij boompjes omgezaagd zodat de ambulance makkelijker voor de achteringang kon parkeren. Wauw, zegt Jet als we het veld op lopen. Wat groot. Wacht maar, het wordt nog veel groter, zeg ik.
Voor het Loch Kemp staat een klein huisje. Het is van hout en heeft aan het water een kleine veranda. Ze moeten het snel gebouwd hebben in de dagen dat de graaf er was. Het is een goede plek om te schuilen tegen de regen. Er staat een ligstoel op de veranda, die zal voor de graaf bedoeld zijn, daarin kan hij over het water uitkijken. Op dezelfde plek heb ik vaak met Dell aan de kant gezeten. Gaan we hier zwemmen, vraagt Jet enthousiast. Het Loch ligt er mooi bij, het spiegelt onder de volle zon en de bomen erachter hebben veel bladeren. Nee, antwoord ik, het is te groot, niet opgewarmd door de zon. Ik twijfel of we over de ladder zullen gaan naar het Loch in het bos. De zon voelt lekker en in het bos heb je schaduw. We vervolgen het pad.
Is het nog ver, vraagt Henriëtte plagerig en een beetje loom. We volgen het pad rond Loch Kemp omhoog. Nog even en dan ziet ze het Loch Ness en het kleinere Loch met de eenzame boom. Het is warm als je in de volle zon klimt. We gaan langzaam. De pallets in het veld liggen niet meer in de modder maar klinken in de opgedroogde aarde. Voor mijn voeten ligt een platte, opgedroogde kikker. Dat lijkt een teken, die kwam ik de allereerste keer ook tegen. Ik stap er snel over heen.Mooi, zucht Henriëtte als we boven zijn en de Lochs zien. We moeten verder, zeg ik, naar het laatste Loch hoog op de heuvel. Het ligt aan het einde van dit pad. Voorbij het Loch met de boom gaan we omhoog. Na een eerste heuvel steken we een stroom over met stenen. Dell staat op een kei en drinkt van hetwater. De kleine schapen zijn minder bang dan toen ze nog lammetjes waren, maar als je op ze afstapt, rennen ze toch weg tot ze achter de rug van hun moeder kunnen schuilen. Twee lammeren blaten nerveus links van het pad terwijl hun moeder rechts staat. Dit is de laatste helling, de zwaarste. Op de berg links groeit alleen maar heide. Aan de achterkant ligt het veld voor het bos rond het Knockie Loch. Ik stelde me daar de paarden voor die van de heuvel afstormden. Het is eigenlijk vlakbij. In een kom hoog op de heuvel ligt het kleine Loch. Henriëtte zegt niets en klimt langzaam achter me aan.
Ik hurk bij het water. Henriëtte is achteropgeraakt. Dell denkt dat we doorlopen en is al aan de overkant. De waterspiegel staat strak. Ik heb zin om mijn vlakke hand boven het water te houden en erop te petsen. Liever houd ik het strak zodat Jet het straks ziet. Er liggen een paar stokken naast het water. Zal ik vast mijn schoenveters losknopen? Ik loop terug om te kijken waar Jet blijft. Ze komt net de bocht om en kijkt omhoog.
Henriëtte puft uit bij het water. Ze zegt nog steeds niets maar aan haar ogen zie ik dat ze het hier mooi vindt. Dit is wat ze wilde, een afgelegen meertje. Ze trekt haar bloes uit over haar hoofd zonder die los te knopen en laat die naast zich vallen. Ze heeft kleine puntborsten, onopvallend en toch beduidend anders dan bij een jongen. Ik begin aan mijn schoenveter te pulken. Ze stapt uit haar schoenen, doet ook haar broek en haar slip uit en staat aan de waterkant. Ze wacht op me opdat we samen het water in kunnen. Ik trek mijn T-shirt uit. Jet heeft kleine, ronde billen, haar benen zijn glad en lichtbruin. We hebben geen zwemspullen bij ons en ook geen handdoek. Ze draait zich om, kijkt waar ik blijf en hoe ik me uitkleed. In haar kruis zijn de lipjes opgekruld en daarboven is een beetje zwart haar. Ik doe mijn broek uit en ook mijn onderbroek en ga naast haar staan.
Een van ons heeft de eerste teen in het water gestoken en de spiegel gebroken, het oppervlak krijgt kringen die steeds groter worden. Plotseling staan we er allebei in. Het is aan de kant ondiep, het water voelt koud aan. Het is beter om door te zetten dan te treuzelen. We kijken elkaar even aan. Jet glimlacht mysterieus, alsof ze iets verzint. Dan zetten we tegelijkertijd nog een stap. Zou het kunnen dat juist een kleiner Loch hoog op de berg dieper is? Ik had het moeten testen voor ik haar hier mee naartoe nam. Het komt tot aan mijn knie en voelt aan als ijswater. De steen op de bodem waar ik op sta, is hellend en glad. Bijna val ik om, ik krijg kramp in mijn kuit. Jet zet als eerste de volgende stap. Ze is kleiner, het water staat tot aan haar navel. Als ze zich bukt en haar armen spreidt, kan ze beginnen met zwemmen. Ze draait zich om en bestudeert mijn lichaam van onder tot boven en glimlacht naar me. Ze moedigt me aan door te zetten, wacht tot ik weer een stap zet. Ik zet een grotere stap om dicht bij haar te komen. Ik voel het water tegen mijn borst slaan, het raakt mijn tepels. Ik wist niet dat het zo diep zou zijn. Het voelt van binnen klam op mijn borst. Ik probeer diep te ademen. Er drukt iets op mijn longen, het lijkt of er geen lucht meer bij kan. Het lukt me niet om te ademen. Het water is echt veel te koud. Ik begin om me heen te slaan, te spartelen, wil een stap terug zetten maar het gaat niet. Even zie ik de geschrokken blik van Jet. Ze lijkt teleurgesteld. Ik ga bijna kopje-onder. Dan hoor ik boven alles uit, van niet al te grote afstand, met een echo door de dalen, het scherpe, kraakheldere geluid van een geweerschot.
Jet heeft me uit het water gehesen, de kant op gesleept. Ze heeft met twee handen op mijn borst geduwd, me mond-op-mondbeademing gegeven. Dat vertelt ze. We liggen op onze kleren. Ze leunt met een elleboog op mijn borstkas. Een knie heeft ze over mijn been geslagen, aan die kant is het warm en dat is fijn. Aan de andere kant ben ik nat en is het koud. Ik voel de tepel van haar borst in mijn buik prikken, opgezet en stijf. Ze wrijft met haar been langs het mijne omhoog. En de jager, vraag ik verschrikt. Wat voor jager? Jet kijkt me van dichtbij met grote ogen aan. Ze schuift haar knie van mijn been. Jij bent een rare jongen hoor, weet je dat? Wat verzin jij allemaal! Ik doe mijn ogen dicht. Het geluid was zo helder. Het schot. Het is het laatste wat ik in het Loch hoorde.

Toen Ann Mary’s rijleraar meemaakte dat een van zijn dieren een meisje van zijn rug wierp, moet hij besloten hebben dat het niet langer kon. Het mocht niet zo zijn dat door zijn schuld kinderen letsel opliepen. Hij voelde zich verantwoordelijk. Hij werd bang, die grote en sterke man. Hij wilde van zijn paarden af, van de ranch af. Hij verschool zich in de bossen en leefde er als een dier. Hij had een geweer bij zich en dat gebruikte hij maar zelden.

Steve is vertrokken. Mijn moeder staat in de keuken als we binnenkomen. We hebben allebei honger. Toen we droog waren, hebben we onze kleren aangedaan. We liepen naast elkaar terug, weken niet van elkaars zijde. Dell liep op ons vooruit en stond te wachten met een ingetrokken pootje. Ik voelde me roezig. Jet legde af en toe haar arm om me heen. Steve heeft zijn spullen meegenomen en is de weg opgegaan, zegt Elizabeth. Zonder iets te zeggen of haar zelfs maar aan te kijken. Ze lijkt eerder onthutst dan bedroefd. Het is onverwacht, ik heb het ook niet aan zien komen. Raar is het niet als je bedenkt dat geen man het lang met mijn moeder uithoudt. Raken ze van haar onder de indruk als ze druk is, dan kunnen ze niet tegen de stilte als dat voorbij is. Treffen ze haar aan als ze zichzelf is, dan overvalt die drukte hen alsof ze een andere persoon is. Het lijkt onnatuurlijk. Ik heb ze zien komen en gaan, ze kunnen haar niet bijbenen. Niemand houdt het langer dan een paar maanden met haar uit. De schouder die een man haar kan bieden tijdens een depressie, wordt afgeslagen tijdens een manie. Met Steve was het anders. Hij was dermate in zichzelf gekeerd dat weinig hem leek te raken en hij nergens iets aan deed. Alleen in Nederland sloeg hij door, misschien omdat Elizabeth daar vandaan komt en hij de verhoudingen met anderen niet vertrouwde. Elizabeth is bij Steve gaan wonen en niet andersom. En Steve is de pachter. Je kunt hier alleen in de cottage wonen als je voor het Estate werkt.
Elizabeth begint heen en weer te lopen, spullen te verleggen zonder duidelijke reden. Ze vraagt ons niet waar we geweest zijn. Henriëtte kijkt haar met grote ogen aan. Wat moeten we nu, vraagt Elizabeth, meer aan zichzelf dan aan ons. Als Steve niet meer werkt, moeten we uit de cottage vertrekken. Elizabeth zou in zijn plaats kunnen werken, ik zie haar daartoe in staat, al zijn ze hier niet vlot met vrouwen aan het werk helpen. De gamekeeper en zeker de Estate manager zullen dat niet zien zitten. Ze kan proberen Steve op te sporen en hem te overreden om terug te komen. Hij gaat vast en zeker naar zijn moeder, denkt Elizabeth. Zeggen dat Steve ziek is en aanbieden in zijn plaats te gaan, kan een voorlopige oplossing zijn, dan kunnen ze altijd nee zeggen en ons tijd geven tot hij beter is. Dan zullen ze ons niet al te snel uitzetten. Al kan het goed dat iemand hem heeft zien vertrekken, bijvoorbeeld bij The Old School of Mrs. McPherson aan de weg. Alles valt op in een gehucht als dit, niets blijft verborgen. En jullie, roept Elizabeth terwijl ze ons aankijkt, wat doen jullie eraan?

Copyright © 2013 Erik Lindner
Copyright auteursportret © Gezett.de

Uitgeverij De Bezige Bij

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum