Leesfragment: Om adem te kunnen halen

27 november 2015 , door Christine Otten

17 januari verschijnt de nieuwe roman van Christine Otten, Om adem te kunnen halen. Wij publiceren een fragment voor. ‘“Twee keer. Maar het water was niet diep genoeg.” Ik schiet in de lach. Mijn vader kijkt me aan. Zeg nou wat. Maar de psychiater is me voor. “Kijk meneer Otten, u wordt ouder en langzamerhand zult u meer zorg nodig hebben. Het gaat de laatste tijd erg goed met u, geestelijk bedoel ik. We moeten misschien toch eens gaan denken aan een verzorgingstehuis...”’

Kort voor zijn tachtigste verjaardag bezoekt Christine Otten voor het eerst sinds jaren haar vader. Wat begint als een schuchtere verzoeningspoging zet een ontdekkingsreis in gang die haar terugvoert naar haar jeugd in Deventer en de geëngageerde arbeidersmilieus van haar ouders, die elkaar leerden kennen tijdens repetities voor een amateurvoorstelling van Tennessee Williams’ 17 januari verschijnt de nieuwe roman van Christine Otten, Om adem te kunnen halen. Wij publiceren een fragment voor. Ter plekke doet ze ontdekkingen over haar grootvader, die worstelaar, acrobaat en communist was, over haar grootmoeder die viool speelde, maar vooral over haar eigen drijfveren om Deventer op haar achttiende te ontvluchten.

In een wervelende en meeslepende stijl beschrijft Otten een tijd waarin de verheffing van de arbeidersklasse bereikt kon worden door onderwijs en cultuur en herovert ze een wereld die eens de hare was. Om adem te kunnen halen is een intieme roman over ouders en kinderen, dromen en werkelijkheid, afkomst en ambitie, noodlot en bevrijding. Tegelijkertijd is het een genadeloos zelfonderzoek van één van de interessantste schrijvers van deze generatie, die grenzen opzoekt en verlegt zonder zich iets aan te trekken van de conventies die genres met zich meebrengen.

We publiceerden eerder voor uit In wonderland.

 

Amsterdam, augustus 1989

Het was een bloedhete zomer. Op onze etage in Amsterdam in Oud-West koelde het zelfs ’s nachts niet meer af, ook al stonden alle ramen open en hielden we de gordijnen overdag dicht. Ik was zevenentwintig en zwanger van mijn eerste kind en mijn buik was heel dik.
Op een doordeweekse dag kwam mijn vader op bezoek. Hij zou met de trein komen en de tram en er rond een uur of één zijn. Sinds de scheiding woonde hij alleen in ons oude huis in Deventer. Hij had wel een vriendin, maar die was getrouwd.
Om kwart over één ging de bel. Van bovenaf opende ik de voordeur en mijn vader kwam naar binnen.
Ik droeg een felgroene korte zomerjurk. Mijn vader zei dat ik er goed uitzag. Hij keek naar mijn buik. ‘Het is me wat,’ zei hij. Hij overhandigde me een set champagneglazen en zei dat zijn vriendin die voor me had uitgekozen.
Ik ging koffie zetten in de keuken en bedacht dat mijn vader pas uit de psychiatrische inrichting was ontslagen toen mijn broer en ik de deur uit waren. Zou er een verband zijn tussen onze aanwezigheid en zijn ziekte?
Toen ik terugkwam in de woonkamer met een blad met koffie en koekjes, zei mijn vader weer dat ik er zo goed uitzag. ‘Jij ook,’ zei ik en ik aarzelde of ik misschien iets anders zou aantrekken, een minder blote jurk, die niet zo om mijn buik spande.
Terwijl we koffie dronken, keek hij weer naar mijn buik en zei: ‘Wie had dat kunnen denken toen je nog zo klein was.’
Als in een reflex legde ik mijn handen op mijn buik, voelde de baby bewegen, alsof hij naar me toe zwom. Ik had liever dat mijn vader wegging, maar ik vond het zielig omdat hij helemaal met de trein en de tram hiernaartoe was gekomen.
Ik pakte de champagneglazen uit. Het waren mooie glazen van dun glas. Ik zei dat ik ze mooi vond en dat we geen champagneglazen hadden omdat we nooit champagne dronken.
‘Echte champagne is duur,’ zei mijn vader.
‘Ik drink geen alcohol,’ zei ik. ‘Voor de baby.’
‘Juist ja,’ zei hij en keek alsof hij de baby opgerold zag liggen in mijn buik, dwars door de dunne stof van mijn jurk en mijn huid heen. Alsof ik naakt was, doorschijnend. Zijn blik brandde op mijn huid. Het was inmiddels bijna twee uur.
‘Ik wil dat je weggaat,’ zei ik.
‘Ik ben er net.’
‘Je moet toch gaan.’
‘Wat doe ik verkeerd?’
‘Niks. Ik wil alleen dat je gaat.’
Hij stond op. ‘Ik weet niet wat ik verkeerd doe.’
Ik gaf hem zijn zomerjasje en deed de deur voor hem open. ‘Ik ook niet,’ zei ik. ‘Ik bel wel weer.’

 

Deventer, 21 november 2011

‘Hoelang woon ik hier nou? Een jaar of zeven, acht?’ Mijn vader kijkt eerst zijn broer aan, dan mij. We zitten in de spreekkamer van zijn psychiater, dr. R.C. de Knijff, maar de arts heeft op het laatste moment afgezegd en dus praten we met een vervanger, een kalende man van middelbare leeftijd met een bonkig Twents accent. Hij heeft zich voorgesteld maar zijn naam ben ik alweer vergeten. Anita is er ook bij. Met het dikke dossier van mijn vader onder haar arm is ze vijf minuten eerder naar binnen gegaan. ‘Ik praat hem wel snel even bij.’
Maanden terug kregen Bep en ik een brief met een uitnodiging voor dit gesprek: ‘(...) in verband met uw broer, resp. vader, de heer B. Otten, geb. 20-10-1928, die bij ons op Tollerink verblijft en van wie ik de behandelend psychiater ben.’
‘Je woont hier toch al veel langer?’ zeg ik. ‘Minstens een jaar of tien, of vergis ik me?’
‘Zoiets.’ Bep plukt aan zijn baard. Slaat zijn ene been over het andere en staart naar het grijsblauwe tapijt.
‘Ik zie dit gesprek vooral als een kennismaking,’ zegt de vervangend psychiater, ons een voor een aankijkend. Het klinkt verontschuldigend. Zijn blik rust op mijn vader. ‘Ik heb begrepen dat uw dochter schrijft?’
‘En ze stuurt me boeken op. Echt geen eenvoudige boeken. Romans. Ik lees ze allemaal.’
‘Het gaat goed met u.’
‘Vorig jaar heb ik een nieuwe flatscreen-televisie voor hem gekocht,’ zegt Bep, ‘en meteen ook een abonnement voor hem genomen op Eredivisie Live.’
‘Mijn broer en ik houden allebei erg van voetbal,’ zegt mijn vader. ‘Daar praten we over.’
‘Zo langzamerhand zijn we wel ’s uitgepraat,’ lacht Bep.
Mijn vader hoort het niet. Stoïcijns kijkt hij naar de psychiater. ‘Ik zie tegenwoordig alle wedstrijden. En het journaal en Nieuwsuur. Ik ga pas slapen als Pauw & Witteman is geweest. Daar kijk ik ook graag naar.’
‘Daar heeft u blijkbaar ruimte voor in uw hoofd.’
Stilte.
Dit gesprek voelt als schermen. Ik weet dat mijn oom hetzelfde denkt als ik. Hadden ze verdomme niet even van tevoren kunnen bellen dat de psychiater er vandaag niet is, zodat we de afspraak hadden kunnen verzetten? Anita zit onzichtbaar tussen mijn vader en mij in. Ze heeft nog geen woord gezegd.
‘Gaat u mijn vader nu behandelen?’ vraag ik.
‘Dat is niet de bedoeling.’ Hij pakt het dossier erbij en bladert erin, leest een paar regels. ‘U woonde eerder zelfstandig in een aanleunwoning, lees ik hier.’
‘Ik was heel erg ziek,’ zegt mijn vader.
‘Maar de laatste tijd gaat het veel beter. Dat vindt de verpleging...’
‘... vijfentwintig jaar werkte ik als boekhouder op een tapijtfabriek. En al die vijfentwintig jaar heb ik me opgevreten. Op een dag ging het gewoon niet meer en ben ik thuisgebleven.’
‘En u woonde ook een poosje in Humanitas, staat hier.’
‘Daar liep hij de vijver in,’ zegt Bep.
‘De vijver,’ herhaalt de psychiater.
‘Twee keer. Maar het water was niet diep genoeg.’
Ik schiet in de lach. Mijn vader kijkt me aan. Zeg nou wat. Maar de psychiater is me voor. ‘Kijk meneer Otten, u wordt ouder en langzamerhand zult u meer zorg nodig hebben. Het gaat de laatste tijd erg goed met u, geestelijk bedoel ik. We moeten misschien toch eens gaan denken aan een verzorgingstehuis...’
Zeg nou wat.
Ik kan amper geloven dat ik hier zit, dat dit gesprek werkelijk plaatsvindt. Nog maar een paar jaar terug belde ik mijn vader niet eens op zijn verjaardag. ‘Ik ben blij dat het zo goed gaat met hem,’ zeg ik. ‘Het is in jaren niet zo goed gegaan. We bellen. En we praten over boeken.’
‘Zo horen we het graag,’ glundert de psychiater. Hij klapt het dossier dicht. ‘Meneer is dus niet eenzaam.’
Vanuit mijn ooghoeken kijk ik naar mijn vader, die als enige van ons op een hoge stoel zit zodat hij makkelijk kan opstaan. Hinderlaag, schiet het door mijn hoofd. Ik ga rechtop zitten, leg mijn handen op de stoelleuningen. De psychiater glimlacht uitnodigend. Toe maar. Mijn maag trekt zich samen. Het liefst zou ik die professionele glimlach van zijn blozende gezicht slaan.
‘Mijn vader is iemand op wie je je makkelijk verkijkt,’ zeg ik. ‘Juist doordat hij zo bij de tijd is en alles volgt.’
‘O?’ De psychiater buigt zich voorover, een dunne pluk haar valt over zijn voorhoofd. Alle blikken zijn nu op mij gericht. Mijn vader plukt schichtig aan zijn snor, tuit zijn lippen en kijkt quasi-afwezig naar de grond. Al zou ik hem twintig jaar niet zien, dan nog herken ik zijn lichaamstaal. In een fractie van een seconde ben ik terug in de tijd, ik kom uit school en hij zit bevroren in de hoek van de bank en meteen voel ik zijn onderdrukte ijskoude paniek. Zeg nou wat. Maar woede is beter dan angst. Hij hoeft me niets uit te leggen, niets te vertellen, ik ben nu zijn woordvoerder.
‘Mijn vader kan niet tegen verandering. Het gaat juist zo goed omdat hij zich thuis voelt op de afdeling, en zo vertrouwd is met de verpleging.’ Ik kijk naar Anita. ‘Er is eindelijk rust. Bij hem, en bij ons.’
‘Het is dat mijn schoonzoon bij de woningbouwvereniging werkte,’ zegt Bep. ‘Hij kon Bé’s huis destijds laten leegruimen en schoonmaken door de gemeente. Als u dát had gezien... Mijn broer is drieëntachtig.’
Anita steekt haar hand op, alsof ze toestemming vraagt iets te mogen zeggen. ‘Onze afdeling moet bedden inleveren vanwege bezuinigingen. We moeten naar alle patiënten kijken... En natuurlijk willen we Bé ook blijven stimuleren, zoals we dat ook deden in zijn contact met jou, Christine.’
‘Drieëntachtig.’ Bep schudt zijn hoofd.
Zeg nou wat.
‘Als u mijn vader dwingt te verhuizen, zal hij weer ziek worden. Niet dan, Bé? Of hij gaat dood.’
‘Drieëntachtig!’ Alsof Bep het zelf niet gelooft.
‘En ik kan met iedereen op de afdeling opschieten,’ sputtert mijn vader.
In mezelf gniffel ik om het vanzelfsprekende verbond tussen ons drieën. Alsof we het van tevoren zo hebben afgesproken.
‘En trouwens,’ zegt mijn vader, ‘ik vind dat dokter De Knijff best wat vaker op onze afdeling kan komen. Niet eens zozeer voor mezelf, maar voor de andere patiënten. Gewoon vragen hoe het met ze gaat. Belangstelling tonen. We zien hem nooit.’
Pats! Meneer is niet eenzaam.
De vervangend psychiater kijkt op zijn horloge. ‘Ik denk dat we dit gesprek langzaam kunnen afronden. Zijn er nog vragen?’
‘U moet mijn broer gewoon laten zitten waar hij zit,’ zegt Bep.
‘Ik hoor wat u zegt, meneer. Ik breng alleen maar advies uit.’
Zeg nou wat.
‘Maar ik begrijp dat uw advies zal zijn om hem op zijn afdeling te laten,’ zeg ik.
‘Voorlopig.’ De vervanger staat op.
Mijn vader zoekt mijn blik. Ik zie zijn opluchting, blijdschap bijna, waarschijnlijk nog het meest vanwege ons verbond. Anita grist het dossier van het bureau en klemt het als een baby tegen haar borst.
‘Het was fijn kennis te maken,’ zegt de psychiater.
‘Vond ik ook,’ zegt mijn vader en als enige van ons geeft hij de man een hand.

 

© 2013 Christine Otten
Auteursportret © Tessa Posthuma de Boer

Uitgeverij Atlas Contact

MINDBOOKSATH : athenaeum