Leesfragment: Onder vrienden

13 januari 2013 , door Amos Oz
|

15 januari verschijnt Onder vrienden, de nieuwe verhalenbundel van Israëls grootste schrijver Amos Oz. Hier leest u een voorpublicatie. 'Ariëlla vond een opgevouwen briefje [...]: "Boaz vergeet altijd zijn pillen tegen bloeddruk in te nemen. Hij moet ze ’s ochtends en ’s avonds voor het slapen innemen, en ’s ochtends ook een halve pil tegen cholesterol. Hij kan het beste sla eten zonder zwarte peper en bijna zonder zout en ook magere kaas en hij moet geen steak aanraken. Vis en kip mag hij wel, maar niet scherp gekruid. En laat hij niet te veel snoepen. Osnat. P.S. Hij moet minder zwarte koffie drinken."'

De in elkaar hakende verhalen in Onder vrienden spelen zich af in de fictieve kibboets Jikhat. Ze schetsen wonderbaarlijk subtiele portretten van een aantal inwoners van de kibboets, die intieme dromen hebben en persoonlijke pijn ervaren in de schaduw van een van de grootste collectieve dromen uit de geschiedenis van de twintigste eeuw. Een bejaarde vader wiens jonge dochter gaat samenwonen met een kibboetslid van zijn leeftijd; een vrouw die een aangrijpende brief schrijft aan de vrouw voor wie haar man haar verlaten heeft; een ‘buitenkind’ dat vertrekt om zijn vader te bezoeken in een ziekenhuis voor dementerenden; en een oudere tuinman die alle rampen van de wereld op zijn schouders torst. Tezamen vormen de verhalen in deze bundel een onvergetelijk portret van een idee en een tijdperk.

Amos Oz (Jeruzalem, 1939) wordt wereldwijd gezien als een van de grootste hedendaagse schrijvers en geldt als kandidaat voor de Nobelprijs. Zijn werk is in zevenendertig talen vertaald. Van zijn hand verschenen vele romans, waaronder Mijn MichaëlBlack BoxEen vrouw kennenDe derde toestandDezelfde zee en Plotseling diep in het woud. In 2002 verscheen zijn briljant geschreven autobiografische roman Een verhaal van liefde en duisternis, een wereldwijde bestseller waarvan alleen al in Nederland en Vlaanderen bijna 100.000 exemplaren werden verkocht. Zijn meest recente boek, Dorpsleven [voorpublicatie], werd door de New York Times verkozen tot een van de beste boeken van 2011.

 

Twee vrouwen

’s Ochtends vroeg, nog voor de zonsopgang, begint door het open raam het gekoer van de duiven tussen de struiken. De duiven maken een zacht, gelijkmatig, lang aanhoudend geluid waar ze kalm van wordt. Een zacht briesje waait door de toppen van de pijnbomen en onder aan de heuvel kraait een haan. Ver weg blaft een hond en een andere hond geeft hem antwoord. Die geluiden wekken Osnat uit haar slaap nog voordat de wekker gaat, en ze staat op, zet de wekker uit, wast zich en trekt haar werkkleren aan. Om halfzes vertrekt ze naar haar werk in de wasserij van de kibboets. Op weg daarheen komt ze langs de woning van Boaz en Ariëlla, die afgesloten en donker lijkt. Ze zegt bij zichzelf dat ze allebei nog slapen en die gedachte wekt geen jaloezie bij haar en ook geen pijn, maar een vage verbazing: alsof alles wat er gebeurd is, niet haar is overkomen maar vreemde mensen, en niet pas twee maanden maar jaren geleden. In de wasserij doet ze het elektrische licht aan, omdat het daglicht nog te bleek is. Dan buigt ze zich over de stapels die wachten om gewassen te worden en begint wit van gekleurd te scheiden en katoen van synthetisch. Er komen zure lichaamsgeuren van het vuile wasgoed, die zich vermengen met de geur van het waspoeder. Osnat werkt hier alleen, maar ze heeft een radiotoestel dat ze vanaf de ochtend heeft aanstaan om de eenzaamheid te verdrijven, ook al dempt het gezoem van de wasmachines zowel de woorden als de muziek. Ze is om halfacht klaar met de eerste ronde, haalt de machines leeg en laadt ze opnieuw, en gaat dan ontbijten in de eetzaal. Ze loopt altijd langzaam, alsof ze niet zeker weet waar ze heen wil of alsof het haar niet uitmaakt. Bij ons wordt Osnat als een heel rustig meisje beschouwd.
Aan het begin van de zomer vertelde Boaz Osnat dat hij en Ariëlla Barasj een relatie hadden die al acht maanden duurde en dat hij nu tot de conclusie was gekomen dat zij drieën niet langer in een leugen mochten leven. Daarom had hij besloten Osnat te verlaten en met zijn spullen te verhuizen naar de woning van Ariëlla. ‘Je bent geen klein kind meer’, zei hij. ‘Je weet, Osnat, dat zulke dingen elke dag gebeuren in de hele wereld, en ook bij ons in de kibboets. Gelukkig hebben we geen kinderen. We hadden het veel moeilijker kunnen hebben.’ Zijn fiets zou hij meenemen, maar de radio liet hij bij haar. Hij wilde graag dat de scheiding in goede harmonie zou verlopen, zoals ze al die jaren in goede harmonie hadden geleefd. Als ze boos op hem was, begreep hij dat heel goed. Al had ze in feite niets om boos over te zijn: ‘Uiteindelijk is de relatie met Ariëlla niet bedoeld om je te kwetsen. Zulke dingen gebeuren gewoon, punt.’ Hoe dan ook, hij vroeg haar om vergeving. Zijn spullen zou hij vandaag nog weghalen en verder zou hij niet alleen de radio voor haar achterlaten, maar alles, ook de albums, de geborduurde kussentjes en het koffieservies dat ze voor hun huwelijk hadden gekregen.
Osnat zei: ‘Ja. Dat is goed.’
‘Wat ja?’
‘Ga.’
En daarna zei ze: ‘Ga nou maar.’

Ariëlla was een gescheiden vrouw, ze was lang en slank en had een delicate hals, golvend haar en lachende ogen, waarvan er een een beetje loenste. Ze werkte in het kippenhok en was ook coördinator van de cultuurcommissie van de kibboets: feestdagen, ceremonies en bruiloften vielen onder haar verantwoordelijkheid, evenals het uitnodigen van de sprekers voor de vrijdagavonden en de films die op woensdagavond vertoond werden in de eetzaal. Ze had de kinderlijke gewoonte om de sj uit te spreken als een s. Ze had een oude kater en ook een jonge hond, bijna een puppy, die in vrede met elkaar leefden. De hond was een beetje bang voor de kater en maakte beleefd plaats voor hem. De oude kater negeerde de hond en liep hem voorbij alsof hij lucht was. Maar het grootste deel van de dag dommelden ze allebei in Ariëlla’s woning, de kater op de bank en de hond op het tapijt, onverschillig voor elkaar. Een jaar lang was Ariëlla getrouwd geweest met een beroepsofficier, Efraïm, die haar in de steek had gelaten voor een jonge soldate. De relatie tussen haar en Boaz was begonnen toen Boaz een keer haar kamer was binnengekomen in een bezweet werkhemd met machineolievlekken. Ze had hem gevraagd bij haar langs te komen om een lekkende kraan te repareren. Hij had een brede leren riem om met een grote metalen gesp. Terwijl hij over de kraan gebogen stond, had ze zijn gebruinde rug een paar keer zachtjes gestreeld, totdat hij zich naar haar had omgedraaid, zonder de schroevendraaier en de Engelse sleutel weg te leggen. Sindsdien glipte hij regelmatig voor een halfuurtje of een uurtje haar kamer binnen, maar iemand in kibboets Jikhat had die stiekeme bezoekjes opgemerkt en deze ontdekking niet voor anderen verborgen gehouden. Ze zeiden bij ons: een vreemd stel, hij is een slome, er komt nauwelijks een woord uit, terwijl zij nooit haar mond houdt. Ronni Sjindlin, de grappenmaker, zei: ‘De honing heeft de beer opgegeten.’ Niemand vertelde iets aan Osnat, maar haar vriendinnen omringden haar volop met sympathie en vonden manieren om haar te laten merken dat ze er niet alleen voor stond, en ze hoefde het maar te zeggen als ze iets nodig had, et cetera. Vervolgens laadde Boaz zijn kleren in de bak van zijn fiets en verhuisde naar Ariëlla’s woning. Hij kwam elke middag terug van zijn werk in de garage, trok zijn werkkleren uit en ging de douchecel binnen. Vanuit de deuropening vroeg hij haar dan: ‘En? Wat is er vandaag gebeurd?’ En dan antwoordde Ariëlla hem altijd verbaasd: ‘Wat zou er moeten gebeuren? Er is niets gebeurd. Ga onder de douche en dan drinken we koffie.’

Ariëlla vond een opgevouwen briefje in het ronde, kalme handschrift van Osnat in haar brievenbus, in de linker onderhoek van de brievenbussenkast naast de ingang van de eetzaal: ‘Boaz vergeet altijd zijn pillen tegen bloeddruk in te nemen. Hij moet ze ’s ochtends en ’s avonds voor het slapen innemen, en ’s ochtends ook een halve pil tegen cholesterol. Hij kan het beste sla eten zonder zwarte peper en bijna zonder zout en ook magere kaas en hij moet geen steak aanraken. Vis en kip mag hij wel, maar niet scherp gekruid. En laat hij niet te veel snoepen. Osnat. P.S. Hij moet minder zwarte koffie drinken.’
Ariëlla Barasj schreef een briefje terug aan Osnat, in een hoekig en nerveus handschrift, en stopte dat in haar brievenbus: ‘Dank je wel. Dat is fideel van je. Boaz heeft ook last van maagzuur, maar hij zegt dat het niks voorstelt. Ik zal proberen alles te doen wat je gevraagd hebt, dat is alleen niet zo eenvoudig, hij verwaarloost zijn gezondheid, verwaarloost allerlei dingen. Dat weet je. Ariëlla B.’
Osnat schreef: ‘Als je hem geen gebakken, zure en scherpe dingen geeft, krijgt hij geen maagzuur. Osnat.’
Ariëlla Barasj antwoordde haar een paar dagen later: ‘Vaak vraag ik me af wat we gedaan hebben. Hij onderdrukt zijn gevoelens en de mijne wisselen. Hij vindt mijn hond wel aardig, maar kan de kater niet uitstaan. Als hij ’s middags terugkomt van zijn werk in de garage, vraagt hij mij: en, wat is er vandaag gebeurd? En dan gaat hij onder de douche, drinkt zwarte koffie en zit in mijn leunstoel de krant te lezen. Ik heb geprobeerd hem thee te geven in plaats van koffie, maar hij werd boos en mopperde dat ik eens moest ophouden zijn moeder te zijn. Dan sukkelt hij in slaap in de stoel, de krant valt op de grond en hij wordt om zeven uur wakker om naar het nieuws op de radio te luisteren. Tijdens het nieuws aait hij de hond een beetje en zegt onduidelijke lieve woordjes tegen hem, maar als de kater op zijn schoot springt en om liefde vraagt, verjaagt hij hem met geweld en weerzin en dan krimp ik helemaal ineen. Toen ik hem vroeg een vastgelopen la te repareren, repareerde hij niet alleen de la, maar haalde hij ook de twee piepende deuren van de kast los en zette ze er opnieuw in, en vroeg lachend of hij ook de vloer of het dak moest repareren. Ik vraag me af wat het in hem was dat mij aantrok en soms nog steeds aantrekt, en ik heb er geen duidelijk antwoord op. Ook nadat hij gedoucht heeft, zijn zijn nagels nog steeds zwart van de machineolie en zijn handen zijn ruw en geschramd. Na het scheren heeft hij nog steeds stoppels. Misschien is het zijn permanente slaperigheid, want ook als hij wakker is, lijkt het alsof hij een beetje dommelt, wat mij prikkelt om te proberen hem wakker te maken. Maar hem wakker maken lukt me maar even, jij weet hoe, en ook dat niet altijd. Er is geen dag dat ik niet aan je denk, Osnat, en ik noem mezelf een gemene trut en vraag me af of er wel vergeving mogelijk is voor wat ik je heb aangedaan. En soms zeg ik tegen mezelf dat het Osnat misschien echt niet zoveel uitmaakt, misschien hield ze wel niet van hem. Daar kun je moeilijk achter komen. Alsof ik de keuze heb gehad om je dit wel of niet te willen aandoen. We hebben immers niet echt iets te kiezen. Die hele kwestie van aantrekking tussen man en vrouw komt me opeens vreemd en zelfs een beetje belachelijk voor. Jou misschien ook? Als jullie kinderen hadden gehad, hadden jij en ik veel meer geleden. En hij? Wat voelt hij eigenlijk? Hoe kun je dat weten? Jij weet zo goed wat hij wel en niet mag eten, maar weet je ook echt wat hij voelt? Of hij wel iets voelt? Ik heb hem zelfs een keer gevraagd of hij spijt had en hij bromde iets en zei daarna: je ziet toch zelf dat ik hier bij jou ben en niet bij haar. Je moet weten, Osnat, dat ik bijna elke nacht nadat hij in slaap is gevallen, wakker lig in bed terwijl ik in het donker naar het licht van de maan kijk dat door de spleet tussen de gordijnen valt, en mezelf afvraag hoe het zou zijn als ik jou was geweest.'

Copyright © 2012 Amos Oz
Copyright Nederlandse vertaling © 2013 Hilde Pach

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum