Leesfragment: Op reis met Hillary Clinton

27 november 2015 , door Kim Ghattas

Op 11 juni verschijnt Op reis met Hillary Clinton. Van Beiroet naar het centrum van de Amerikaanse macht van Kim Ghattas, vertaald door Ernst de Boer en Ankie Klootwijk. Diezelfde dag organiseert The John Adams Institute een gesprek tussen de auteur en Max Westerman in de Aula van de Universiteit van Amsterdam. Wij publiceren voor: 'Met elke verheven zin rezen de verwachtingen hoger en hoger, in de gangen van de Amerikaanse University of Caïro en in het hele land. Van hier was er maar één weg: naar beneden.'

BBC-correspondent Kim Ghattas volgde gedurende vier jaar Hillary Clinton. Op basis van vele gesprekken met haar en met tal van politici en regeringsvertegenwoordigers schreef Ghattas het eerste verhaal van binnenuit over Hillary Clinton, tot voor kort minister van Buitenlandse Zaken. Het resultaat is een intiem portret van een van de machtigste politici ter wereld. Ghattas volgt haar vanaf haar eerste moment als minister in de regering-Obama tot en met het uitbreken van de Arabische lente, de problemenin Syrië en de laatste ontwikkelingen in de Palestijnse kwestie. Dit boek biedt een bijzondere kijk op het werk en het dagelijks leven van Hillary Clinton en op de wereld van de diplomatie op het hoogste niveau. Uiteraard komt daarbij de vraag aan de orde welke rol Amerika in de wereld (nog) speelt.

Geen natuurlijke groei

Een paar weken voor de reis naar Beiroet had Clinton voor een drukke, chaotische zaal vol vijandige Arabische journalisten en een handvol sceptische Amerikaanse en Europese verslaggevers gestaan. Ze had net 300 miljoen dollar aan hulp voor de Palestijnen toegezegd op een internationale conferentie in de Egyptische badplaats Sharm-el-Sheikh. De operatie Gegoten lood, de Israëlische invasie in de Gazastrook, net achter de rug op het moment van Obama’s beëdiging, had 1400 Palestijnse slachtoffers gemaakt, onder wie 300 kinderen. Hij had een toch al wankele economie in puin gelegd. Het Israëlische leger had het gebied zwaar gebombardeerd om de raketaanvallen op Israël een halt toe te roepen en had een blokkade voor het gebied ingesteld. De Arabische journalisten gaven niet veel om die hulp: Amerika had al eerder vele beloft en gedaan, maar het leven als Palestijn onder Israëlische bezetting was en bleef ellendig. Het geld was een doekje voor het bloeden.
De journalisten hadden een heel eenvoudige vraag voor Clinton: zou er binnen één jaar een onafhankelijke Palestijnse staat worden verwezenlijkt? Dit was Hillary’s eerste kennismaking met het decennialang slepende conflict in haar functie als minister van Buitenlandse Zaken. Maar ze had al een lange geschiedenis met het gebied, net als haar man, die tot en met de laatste minuut van zijn ambtstermijn had geprobeerd de Palestijnen en Israëli’s tot vrede te bewegen. Over het algemeen vertrouwden de Arabieren Amerika niet als het om het oplossen van conflicten ging. Ze beschuldigden de VS ervan altijd en onvoorwaardelijk de kant van Israël te kiezen. Daar hadden ze geen ongelijk in, maar ze hadden ook niet helemaal gelijk. Dit conflict ging over veel meer dan land en lokte bij alle partijen heftige emoties, onrealistische verwachtingen en woede-uitbarstingen uit. Ondanks het feit dat de Amerikanen vaker met Israël meeleefden en de Palestijnen als tweederangsburgers onder de vernederende omstandigheden van de bezetting lieten leven, klopten de Arabische landen toch aan bij de Verenigde Staten. Ze wilden dat ze zouden bemiddelen in het vredesproces, misschien omdat ze wisten dat niemand anders Israël aan de onderhandelingstafel zou weten te krijgen. De regio koesterde nog steeds dierbare herinneringen aan Bill Clinton, zijn uitzonderlijke empathie voor de Palestijnse zaak en zijn wanhopige pogingen om een vrede tot stand te brengen. Tijdens haar besprekingen met de Arabische leiders, onder wie de Egyptische president Hosni Moebarak, memoreerde Hillary de lange dagen en nachten waarin haar man zich voor de vrede had ingespannen. Vervolgens reikte ze haar sceptische toehoorders de hand. Er moest naar een levensvatbare Palestijnse staat worden gestreefd.
‘U weet allemaal dat dit een bijzonder ingewikkeld samenstel van vraagstukken is. U weet ook dat ik hier persoonlijk erg bij betrokken ben. En ik weet dat het mogelijk is. Dit is iets wat ik in mijn hart draag, niet alleen in mijn portefeuille,’ zei de minister.
In 1998 had Hillary als first lady een gesprek gehad met een groep jonge Palestijnen, Israëli’s, Jordaniërs, Egyptenaren en Amerikanen die in Zwitserland bijeen waren voor een unieke jongerenconferentie. Ze legde toen heel precies uit hoe het resultaat van vredesbesprekingen eruit zou moeten zien: de Palestijnen moesten hun eigen staat krijgen. Ze liep toen voor de muziek van het Witte Huis uit. Tot op dat moment had niet één Amerikaanse functionaris de woorden ‘Palestijnse staat’ in de mond genomen, hoewel sommigen dat wel dachten en de Palestijnen het eisten. Sinds de stichting van de staat Israël in 1948 woonden de Palestijnen als vluchtelingen in buurlanden of in bezet gebied in twee afzonderlijke gebiedsdelen: de Gazastrook langs de Middellandse Zee en de Westoever in het binnenland, aan de grens met Jordanië, met inbegrip van Oost-Jeruzalem. In 1948 waren de twee gebieden aanvankelijk door Egypte en Jordanië geannexeerd, maar in de zesdaagse oorlog van 1967 door Israël heroverd. Tienduizenden Palestijnen waren Israëlische staatsburgers geworden en maken nu 20 procent van de bevolking uit. De Amerikaanse presidenten die zich hadden ingezet voor de vrede tussen Israël en de Palestijnen hadden tot nu toe nooit nauwkeurig omschreven hoe die oplossing eruit moest zien. Maar Hillary had het hardop gezegd, ze vond dat het voor de hand lag.
De Israëlische premier kreeg een rolberoerte. De leiders van het land waren fel gekant tegen het idee van een Palestijnse staat en konden zich niet voorstellen dat ze de Palestijnen meer zouden geven dan een vormeloos staatje van kantons die nauwelijks of niet geografisch met elkaar verbonden waren. Het Witte Huis nam snel afstand van haar uitspraak met de mededeling dat Hillary’s verklaring geen deel uitmaakte van het officiële Amerikaanse beleid. Toen Hillary nog senator voor de staat New York was, was ze wat minder scheutig geweest met publiekelijke uitspraken over de Palestijnse zaak en hield ze rekening met de vele Joodse kiezers in haar district. En nu, in haar functie als minister van Buitenlandse Zaken, zei ze tegen de Arabische journalisten dat Palestijnse kinderen een betere toekomst verdienden en dat Palestijnse ouders het recht hadden een dergelijke toekomst voor hun kinderen te eisen. Ze beloofde dat de regering-Obama hard zou werken aan de vrede en aan een Palestijnse staat.
‘U zult zien hoeveel energie de VS aan dit vraagstuk zullen besteden. Ik zou willen dat het morgen al zover was. Ik zou willen dat het aan het eind van dit jaar al zover was. Maar ik geef niet op. We zullen vooruitgang boeken.’
De Arabische journalisten, overwegend Egyptenaren, werden overdonderd door Clintons blijk van emotie. De regering-Bush had in al die acht jaar weinig of geen empathie getoond. Blijk geven van emotie was niet het sterkste punt geweest van Condoleezza Rice: ze had nooit over een Palestijnse staat gesproken. Plotseling barstte de zaal uit in applaus. Amerikaanse functionarissen die langs de muur stonden te luisteren wisten niet hoe ze het hadden, vooral degenen die doorkneed waren in de Midden-Oostenproblematiek en zich met een dikke laag cynisme tegen de grillen van de strijdende partijen beschermden. Journalisten applaudisseerden nooit aan het eind van een persconferentie en in de Arabische wereld werd een Amerikaanse hoogwaardigheidsbekleder nooit toegejuicht. Het applaus was niet alleen te danken aan Hillary’s charme wanneer ze zo recht uit het hart sprak. Het gaf ook aan hoe vurig de mensen in de zaal en daarbuiten in de regio hoopten op een oplossing van een hardnekkig conflict. Het zei iets over de niet te verklaren, aanhoudende wens van de Arabische wereld dat Amerika hun kant zou kiezen, en het liefst onvoorwaardelijk. Ondanks hun achterdocht jegens de Verenigde Staten hadden de Arabieren in de regio Obama’s verkiezing met enthousiasme ontvangen. Wat ze tot nu toe hadden gehoord, viel bij hen in goede aarde.

Op de tweede dag na zijn aantreden had Obama verklaard dat een oplossing van het zestig jaar oude conflict tussen Arabieren en Israëli’s in het belang was van Amerika’s nationale veiligheid. Van Washington tot Ramallah spitsten zich de oren. Amerikaanse presidenten waagden zich aan het begin van hun ambtstermijn zelden aan de Midden-Oostenkwestie. Nog opvallender was de nieuwe formulering. De afgelopen veertig jaar had iedere Amerikaanse president geprobeerd vrede tot stand te brengen: vrede was goed voor de mensen in de regio en als het zou lukken, zou dat ieders verdienste zijn. Slechts twee presidenten waren erin geslaagd Arabische en Israëlische leiders op het gazon van het Witte Huis samen te brengen om elkaar de hand te schudden: Jimmy Carter en Bill Clinton. De anderen hadden hun best gedaan om hetzelfde fotomoment te bereiken. Maar door de vrede in het Midden-Oosten een kwestie van nationale veiligheid voor de Verenigde Staten te noemen, zoals Obama had gedaan, werd die verheven tot een essentieel, urgent doel.
Het eerste telefoontje dat Obama op die 21e januari met een buitenlandse leider voerde, was met Mahmoud Abbas, de Palestijnse president – een ongekend symbolisch en veelzeggend gebaar. Omdat 78 procent van de Amerikaanse Joden voor Obama had gestemd voelde hij zich gesterkt en was hij ervan overtuigd dat zijn persoon alleen al een doorbraak kon betekenen. Hij zag elementen in de regio waarop hij kon voortbouwen.
Vlak voor Obama tot president was verkozen, had de Israëlische militaire aanval op Gaza de politieke tweespalt tussen de Palestijnen vergroot en de positie van Abbas verder verzwakt. Sinds 2007 had Abbas slechts over een deel van de Palestijnse gebieden geregeerd: de Westoever. Hamas, de soennitische politieke partij en gewapende militante groepering die bij de Verenigde Staten als terreurgroep te boek stond, regeerde over Gaza. Oorlogen creëren vaak snelle diplomatieke stappen: ze doordringen iedereen van de noodzaak een oplossing te vinden. Obama zag kansen. Er waren ook tekenen dat een overeenkomst binnen bereik lag. De Israëlische premier Ehud Olmert van de centrumpartij Kadima had twee jaar lang met tussenpozen met Abbas onderhandeld, zowel met hulp van de Verenigde Staten als zelfstandig. Ze hadden een reële vooruitgang geboekt in alle kwesties, variërend van de grenzen van een toekomstige Palestijnse staat tot de status van Jeruzalem, dat zowel door de Israëli’s als door de Palestijnen als hoofdstad werd opgeëist. Olmert beweerde dat ze ‘dicht bij een overeenkomst’ waren. Maar de vooruitgang stagneerde toen de Israëlische leider wegens corruptie werd aangeklaagd. Hij moest het veld ruimen en zijn partijgenote en minister van Buitenlandse Zaken Tzipi Livni deed nu in zijn plaats mee aan de verkiezingen. Ze vocht een nek-aan-nekrace uit met de leider van de rechtse Likoedpartij. Veel hoge ambtenaren op het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken steunden in het geheim de Kadimapartij. Op 10 februari wonnen Livni en haar partij de meeste zetels, maar ze had zo’n kleine meerderheid dat ze moeite had een coalitie te formeren. Haar tegenstrever, de leider van Likoed, had meer succes bij het over de streep trekken van kleine partijen en eind maart werd hij premier. Benjamin Netanyahu was terug op het politieke toneel. Dat was niemands bedoeling geweest.
Netanyahu, ook wel Bibi genoemd, was de Israëlische premier die in 1998 zo woedend had gereageerd op Hillary’s uitspraak over een Palestijnse staat. Hij had ook Bill de gordijnen in gejaagd. Na een lezing van Netanyahu over het Arabisch-Israëlische conflict tijdens een van hun eerste ontmoetingen in 1996 was president Clinton ontploft . ‘Wie denkt hij wel dat hij is? Wie is hier verdomme de supermacht?’
De toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright had Netanyahu omschreven als ‘strijdlustig, bevooroordeeld en bijzonder glad’. Een man die zowel ‘ontwapenend als enigszins oneerlijk’ kon zijn en die bij onderhandelingen voortdurend een spelletje speelde. Hij had jaren in de Verenigde Staten gewoond, had aan het Massachusetts Institute of Technology gestudeerd en gebruikte zijn kennis van Amerika zowel om vrienden te maken als om het systeem lam te leggen door het Congres tegen de president op te zetten.
Het contrast met zijn voorganger Yitzak Rabin had niet groter kunnen zijn. Rabin was in 1995 door een rechtse Israëli vermoord omdat hij omwille van de vrede concessies had gedaan. President Clinton en Rabin waren goede vrienden geweest. De Israëlische staatsman had de toenmalige Palestijnse leider Yasser Arafat de hand geschud op het gazon van het Witte Huis en een vredesverdrag met Jordanië getekend. Maar in de eerste plaats was hij een man die woord hield, terwijl Netanyahu telkens op zijn beloft en terugkwam. Rahm Emanuel, indertijd adviseur van president Clinton, zei in het openbaar weinig, maar had ontzet toegekeken hoe Netanyahu Clintons pogingen dwarsboomde om een duurzame overeenkomst van de grond te krijgen. Nu was Emanuel opnieuw in beeld, dit keer als Obama’s chef-staf.
Netanyahu koesterde waarschijnlijk geen bijzonder goede herinneringen aan de regering-Clinton. Toen zijn regeringscoalitie eind 1998 uit elkaar viel werden er vervroegde verkiezingen uitgeschreven. In Washington hoopten hooggeplaatste regeringsfunctionarissen dat Netanyahu’s tegenstander Ehud Barak zou winnen. In de Israëlische pers werd gesuggereerd dat Clinton actief probeerde Netanyahu een nederlaag te bezorgen, een verhaal dat gevoed werd door de aanwezigheid in Israël van een handvol Democratische politieke strategen uit de naaste omgeving van Clinton, die Barak op weg naar de overwinning hielpen.
Twee jaar na Hillary’s spontane opmerking in 1998 riep Bill Clinton zelf op tot de stichting van een Palestijnse staat en werd dat het officiële Amerikaanse beleid. Maar de details, zo hield Washington vol, moesten door de Israëli’s en de Palestijnen worden ingevuld: de grenzen van de staat, de status van de Palestijnse vluchtelingen, de veiligheidsafspraken. Eens te meer traineerde Netanyahu de zaak. Hij kon de woorden ‘Palestijnse staat’ niet eens over zijn lippen krijgen. Hijzelf en veel van zijn voorgangers hadden keer op keer geprobeerd de grenzen van de bezette gebieden in Israëls voordeel op te rekken. Ze bouwden steeds meer Israëlische nederzettingen op land dat bij de toekomstige Palestijnse staat hoorde en richtten een afscheidingsmuur op tussen Israël en de Westoever. Voorstanders van die afscheidingsmuur betoogden dat die van wezenlijk belang was om de Israëli’s tegen aanvallen van Palestijnse radicale strijders te beschermen. Maar toen al grensden de Palestijnse gebieden niet aan elkaar: tussen de Gazastrook en de Westoever lag een stuk Israël, een gebied waar Palestijnen zonder Israëlische toestemming niet mochten komen. Palestijnen klaagden dat ze onderhandelden over de verdeling van de pizza terwijl de Israëli’s al lang bezig waren die op te eten.
De rechtse, maximalistische visie van Netanyahu dreigde Obama’s hoop op vrede in het Midden-Oosten de bodem in te slaan. Emanuel adviseerde Obama om Netanyahu stevig aan te pakken en hem meteen duidelijk te maken wie de supermogendheid was. Senator George Mitchell, Obama’s nieuwe afgezant voor het Midden-Oosten, had al eerder met dit bijltje gehakt. Aan het eind van de regering-Clinton, toen de vredesonderhandelingen waren mislukt en het geweld weer oplaaide, had hij opdracht gekregen de beide partijen weer met elkaar te laten praten. Een van de aanbevelingen die hij daarbij had gedaan, was een verbod op het bouwen van nieuwe nederzettingen. Obama had Mitchell benoemd op voorspraak van Hillary, die hoewel ze hartstochtelijk over een Palestijnse staat kon spreken, ook huiverig was om zich al te snel te vereenzelvigen met de ondankbare taak vrede in het Midden-Oosten te stichten. Mitchell, een rustige man van 76 jaar, had de vrede in Noord-Ierland tot stand helpen brengen en geloofde in details en kleine stapjes. Hij zette de nederzettingenkwestie weer op de agenda. Hoewel hij formeel niet verantwoordelijk was voor de Midden-Oostenportefeuille, was Emanuel erop gebrand Netanyahu te laten zien wie hier de baas was en hij zette zich actief in om de bouwstop boven aan de agenda te krijgen. Toen Netanyahu op 18 mei voor zijn eerste bezoek op het Witte Huis kwam, zette president Obama zijn standpunt uiteen.
‘Uitbreiding van de nederzettingen moet ophouden, willen we vooruitgang boeken,’ zei Obama. ‘Dat is een heikele kwestie. Dat begrijp ik. Maar wel een belangrijke en die moet worden aangepakt.’
In het openbaar zei Netanyahu dat hij bereid was af te zien van verdere bouwplannen, maar als er een nieuw schoolplein nodig was, als een huis nog in aanbouw was, als een gezin een uitbouw aan hun huis nodig had, dan moest die bouw kunnen doorgaan. De normale bebouwing moest kunnen uitbreiden, hield hij staande, dat was immers een natuurlijke groei. Er woonden meer dan 300.000 kolonisten in het door Israël bezette gebied op de Westoever tussen Palestijnse dorpen en hoewel de nederzettingen volgens het internationale recht illegaal waren, bleven ze groeien. Als in een touwtrekwedstrijd hadden de Palestijnen en Arabieren gevoeld dat Amerika naar hen overhelde. Israël begon nu hard aan de andere kant te trekken en de spanningen liepen steeds verder op.
Op 27 mei had Clinton een gesprek met de Egyptische minister van Buitenlandse Zaken Ahmed Aboul Gheit op het ministerie. Op de afsluitende persconferentie kreeg ze de vraag voorgelegd wat ze vond van Netanyahu’s aanbod om alleen bestaande projecten af te bouwen en geen nieuwe bouw toe te staan.
‘De president is heel duidelijk geweest toen premier Netanyahu hier was. Hij wil geen uitbreiding van nederzettingen,’ zei Clinton. Vervolgens zette ze, nadrukkelijk gebarend en met een licht verontwaardigde glimlach, tot in detail uiteen wat Obama volgens haar had bedoeld en onderstreepte elk punt met een armgebaar.
‘Niet slechts enkele nederzettingen, geen voorposten, geen uitzonderingen voor “natuurlijke groei”. Wij denken dat een stop op de uitbreiding van nederzettingen in het belang is van de inspanningen die wij ons getroosten. Dat is ons standpunt.’
Naast haar stond Aboul Gheit met één hand in zijn zak en een zelfi ngenomen glimlachje op zijn gezicht. Hij wist dat de regering-Obama aanstuurde op een verbod op uitbreiding van nederzettingen en hij was het daar niet noodzakelijkerwijs mee eens. In zijn ogen was het een kortetermijntactiek, terwijl er een langetermijnstrategie nodig was – ideaal gezien zou Amerika een gedetailleerd plan op tafel moeten leggen en dat snel moeten doordrukken. Maar hij was gecharmeerd van Clintons ferme taal. Dit was een krachtdadige, publiekelijke uitspraak met een hoge nieuwswaarde die veel goeds beloofde voor de lastige onderhandelingen met de Israëli’s.
Eindelijk, dachten de Palestijnen. Eindelijk zien de Verenigde Staten het licht en laten ze Israël zien wie de baas is. Clintons vastberadenheid ging verder dan alleen een algemene oproep tot een bouwstop in de nederzettingen. Geen natuurlijke groei betekende: laat je B2-blokken maar staan, zet je hijskranen stil en parkeer je vrachtwagens. De Palestijnse president en zijn adviseurs kozen het als hun nieuwe mantra. Ze konden in elk geval niet minder vragen dan wat Washington als voorwaarde had gesteld. Amerika had gesproken, het was de wil van de Amerikaanse president en nu hoefden ze alleen maar te wachten tot de Israëli’s zich daarbij neerlegden. Zij zouden in eigen huis orde op zaken stellen, de economie op gang brengen en Amerika zou ervoor zorgen dat er vredesbesprekingen kwamen. De radicale Hamas was cynischer. Woorden, het zijn alleen maar woorden, zeiden ze. Er zal niets veranderen.
In Washington kwamen analisten en activisten met suggesties om Netanyahu te straff en als hij de bouw in de nederzettingen geen halt zou toeroepen: koppel onderdelen van steun aan een bouwstop, kondig een herziening aan van de strategische relatie tussen de twee landen, of kondig zelfs een boycot van producten uit de nederzettingen aan. De verklaringen van Obama en Clinton werden gezien als teken dat de regering klaar was om de strijd met Netanyahu aan te binden. Vorige presidenten als Richard Nixon, Gerald Ford en George H.W. Bush hadden die weg al eens bewandeld met Israëlische leiders – als Amerika op zijn strepen ging staan, kon dat vrucht afwerpen.
De Israëli’s waren ziedend. Netanyahu hield er niet van dat hem werd verteld wat hij moest doen en zeker niet in het openbaar. Hij was niet van plan zich nog eens de wet door de Amerikanen te laten voorschrijven. Hij was ervan overtuigd dat Clinton en Emanuel hem de schuld in de schoenen wilden schuiven en Obama tegen hem hadden opgezet. En een paar dagen later riep Obama op tot een bouwstop. Dit keer bezigde hij de meer uitgebreide formulering van Clinton.
‘Ik heb de Israëli’s zowel privé als in het openbaar heel duidelijk gezegd dat een bouwstop in de nederzettingen, met inbegrip van natuurlijke groei, deel uitmaakt van de verplichtingen [die Israël moet nakomen],’ zei hij voor de National Public Radio in Washington.
Maar net als in 1998 liep Hillary niet helemaal in de pas met het Witte Huis, maar dit keer liep ze ook zichzelf voorbij. Ze had zich sterker uitgedrukt dan de president en het Witte Huis was erdoor overvallen. Een nog niet uitgekristalliseerd beleid over de nederzettingen had plotseling vaste vorm gekregen met de uitspraak: ‘Geen natuurlijke groei.’
Een paar dagen na zijn interview met NPR vloog Obama naar Riyad en daarna door naar Caïro, waar hij de menigten met zijn toespraak in vervoering bracht. Hij beloofde opnieuw zich tot het uiterste in te spannen voor de vrede en zei: ‘Wij dragen allemaal verantwoordelijkheid om te werken aan de dag dat de moeders van Israëli’s en Palestijnen hun kinderen zonder angst kunnen zien opgroeien.’ En hij beloofde een nieuw begin aan de moslimwereld, die het moe was op één hoop te worden gegooid met Osama bin Laden. Met elke verheven zin rezen de verwachtingen hoger en hoger, in de gangen van de Amerikaanse University of Caïro en in het hele land. Van hier was er maar één weg: naar beneden. Maar de vraag was hoe snel en hoe hard het zou gaan en hoe schadelijk de val voor de Amerikaanse belangen zou zijn.

© 2013 Kim Ghattas
Oorspronkelijke titel The Secretary: A Journey with Hillary Clinton from Beiroet to the Heart of American Power
© 2013 Nederlandse vertaling Ernst de Boer en Ankie Klootwijk / Nieuw Amsterdam Uitgevers

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum