Leesfragment: Sofia draagt altijd zwart

27 november 2015 , door Paolo Cognetti

30 juli verschijnt Sofia draagt altijd zwart, de derde roman van Paolo Cognetti. Wij publiceren voor: 'Stomme koe, denkt ze. Stomme papzak. Je kijkt niet verder dan je neus lang is. Wat ben je nou voor een vrouw? Het is de techniek die Caterina gebruikt als ze een taart laat aanbranden of een glas breekt: nadat ze zichzelf flink heeft uitgescholden voelt ze zich als herboren, alsof ze stevig op een boksbal heeft gebeukt. Ze legt de telefoon waar die hoort en wekt vervolgens Irene om samen met haar de hulpoperatie in gang te zetten.'

'De beste roman van 2012,' oordeelden maar liefst vijf Italiaanse kranten over Sofia draagt altijd zwart. Trefzeker en invoelend beschrijft Paolo Cognetti de moeizame coming of age van de onweerstaanbare Sofia. Ze is onaangepast, breekbaar, stoer, tegendraads, bang, brutaal, verlegen een personage om verliefd op te worden. Sofia kruipt onder je huid en laat je niet meer los.

Op haar tiende droomt Sofia ervan het liefje van een piraat te zijn, op haar zestiende neemt ze een overdosis pillen en wordt ze opgenomen in een kliniek, en op haar achttiende volgt ze een prestigieuze theateropleiding in Rome, om vervolgens in New York te belanden als een van de vele jonge actrices die hopen ontdekt te worden. Dat is het verhaal van Sofia, die altijd zwart draagt.

De actrices

Als dit huis een toneel was, zouden we wanneer het doek opging een oktobermorgen zien, de stralende herfst in Rome die door de ramen naar binnen dringt, de wanordelijke keuken van een studentenhuis. Caterina, de verstandige, opgewekte actrice, dekt zingend de ontbijttafel: ze zet melk, boter, jam, jus d’orange, vruchtenmuesli en drie verschillende soorten crackers op tafel. Er staat een overdaad aan suiker voor de neus van Sofia, de actrice met het slechte karakter die als ze net wakker is een hekel heeft aan eten, aan de geur van voedsel, aan converseren en aan bekeken worden, en die pas na een stevige dosis tabak en zwarte koffie met haar verblijf op de wereld in het reine komt. Caterina’s plaats aan tafel is het dichtst bij het fornuis. Sofia is in T-shirt en onderbroek; ze zit met haar rug naar de muur en met haar voeten op de rand van haar stoelzitting, haar knieën tegen haar borst gedrukt als uiterste vorm van zelfbescherming. Als enig kind uit een bourgeois gezin uit Lombardije luistert ze met verbijstering naar verhalen vol tantes, zusters, neven en nichten, allemaal opeengepakt in dezelfde wijk van Napels.
‘In onze familie zijn we net bijen,’ zegt Caterina, die voordat ze zich op de film stortte natuurwetenschappen heeft gestudeerd. ‘Of liever, net schapen, of vrouwtjesolifanten. De vrouwtjes van zoogdieren leven in kuddes, ze beschermen elkaar. Heb ik je ooit verteld over die keer dat mijn tante Fiorella bij haar man wegliep en bij ons haar toevlucht zocht? En dat die man van haar toen witheet bij ons kwam aanzetten en dreigde de deur in te trappen? Ik kan je niet zeggen hoe eng dat was, Soof. En hoe we hebben gelachen. Ik kan me niet voorstellen hoe het is om in een huis zonder vrouwen te wonen, volgens mij zou ik doodgaan van ellende.’
Sofia, wier ideale huis een interstellaire ruimte is waar zelfs het kleinste brokje asteroide niet met haar in botsing kan komen, neemt nota van deze zoveelste tante, steekt nog een sigaret op en zwijgt. Wanneer ze de gave van het woord weer terug heeft, zegt ze: ‘Ik heb maar één tante, en dat is meer dan genoeg.’ Of: ‘Hoe laat is het? Roep jij de koningin van Bollywood?’
Vlak voordat ze de deur uit gaan moet Irene gewekt worden, de mooie, luie actrice: ze zal voortdurend stukjes van hun vriendschap verspelen vanwege haar behoefte om tot het laatste moment in bed te blijven liggen. Ze loopt door de keuken – een warrige kluwen haar boven een gebloemde kamerjas –, sluit zich op in de badkamer, blijft daar totdat Caterina op de deur klopt en voor de zoveelste keer zegt dat het nu echt tijd is om te gaan. Dan verschijnt er uit diezelfde deur een jonge vrouw die een en al koperkleurige krullen en door kajal omlijnde groene ogen is, een vrouw van een wilde, zigeunerachtige schoonheid.
‘Eet wat,’ zegt Caterina. ‘Anders heb je straks honger.’
‘Dóé je het ook met de spiegel?’ vraagt Sofia. ‘Of geeft je hem alleen tongzoenen?’
Irene steekt haar middelvinger op en pakt in het voorbijgaan een cracker, waarbij ze een half glas vruchtensap omgooit.
‘Je sjaal,’ zegt Caterina. ‘Je busabonnement. Hebben jullie allemaal je sleutels?’
Met achterlating van in borstels verstrikt geraakte haren, kopjes in de gootsteen, op de vloer van de badkamer gegooid wasgoed en in de asbak uitgedrukte peuken, niet langer de meisjes maar sporen van meisjes, vertrekken ze naar school.

Met hun pruiken nog op en hun kostuums nog aan vallen ze ’s avonds ruziënd, ruisend en giechelend het huis weer binnen. Ze praten als Italo-Amerikaanse maffiosi, of met een Franse keel-r. Een van de drie zwaait de deur open en stort dodelijk getroffen ter aarde, de andere twee doen in hun vertwijfeling niet onder voor stomme filmacteurs. Ze lachen voortdurend zwaar overtrokken en houden hun buik vast. Ze slepen zich naar de keuken en doen of ze dronken zijn, of stoned, of overspannen, of dat ze hallucineren of bewusteloos zijn. En ze doen wie het overtuigendst een orgasme kan faken.
Op een dag nemen ze een student die in het laatste jaar van de regieopleiding zit mee naar huis, beladen met tassen en op school geleerde begrippen. Hij plaatst een oude analoge videocamera op een statief en zet een kruk voor de muur. Dan zegt hij: ‘Nou, wie begint er?’
Hij doet de televisie aan, die hij met de videocamera heeft verbonden, en als Irene op de kruk gaat zitten verschijnt haar gezicht op het scherm. Alleen het stuk tussen haar kin en haar voorhoofd is te zien: een door de telelens grofkorrelig, vergroot duplicaat dat Irene aandachtig bestudeert, waarbij ze haar hoofd naar rechts en naar links draait, gefascineerd door die nieuwe weerspiegeling van zichzelf.
De regisseur zegt: ‘Oefeningen in micromimiek. Irene.’
‘Wat moet ik doen?’
‘Begin maar met glimlachen.’
‘Naar wie?’
‘Doe eerst maar een neutrale glimlach. Alsof je in een fotocabine zit. Weet je hoe het werkt? Gewoon wachten op de flits.’
‘Klik,’ zegt Caterina vanaf de bank.
‘Goed,’ zegt de regisseur. ‘Nu glimlach je naar een kind van twee.’
‘Wat lief,’ is Sofia’s commentaar. ‘Er is een toekomst voor je weggelegd als babysitter.’
‘Nu wat katachtiger: laat zien hoe je glimlacht naar een man die je wilt verleiden.’
‘Als ik hem wil verleiden, glimlach ik niet,’ protesteert Irene.
‘Aha,’ zegt hij en krabt aan zijn nek.
Even later is het Sofia’s beurt. Ze laat zich bidden en smeken voordat ze meedoet. Ze zucht, staat op van de bank. Als ze voor de lens gaat zitten lijkt het televisiescherm plots op te lichten.
‘Tsss...’ zegt de regisseur.
‘Wat is er?’
‘Je hebt iets. Je bent erg fotogeniek.’
‘Ja ja. Zal wel.’
‘Nee, echt. Je kunt pas iets over een actrice zeggen als je haar door de lens bekijkt. Laat eens zien hoe je huilt.’
‘Waarom huil ik?’
‘Doet er niet toe. Huil maar gewoon.’
‘Ik kan niet maar gewoon huilen. Wie ben ik? Wat is me overkomen? Ik moet mijn geschiedenis kennen.’
De regisseur pauzeert even en spreekt hen alle drie ernstig toe. We zijn hier niet langer in het theater, zegt hij op nadrukkelijk minachtende toon. Hier is vereenzelviging iets anders. Iets wat je moet kunnen zijn ten overstaan van een crew van technici, met lampen die je verblinden en een microfoon boven je hoofd, misschien wel twintig keer achter elkaar; en je moet in staat zijn het over te doen zodra je het woord actie hoort.
‘Het kan me niet schelen waar je jouw huilen vandaan haalt,’ besluit hij. ‘Dat is jouw zaak. Maar je moet het in een laatje hebben liggen en het elke keer dat je het nodig hebt weten te vinden. Snap je?’
‘Min of meer,’ antwoordt Sofia.
‘Laten we het proberen,’ zegt de regisseur. ‘Oké?’
‘Mij best.’
‘Actie.’
Op het scherm sluit Sofia haar ogen. Ze knijpt ze stevig dicht en houdt haar adem in. Dan snuift ze en doet ze weer open; ze zijn droger dan daarvoor. Ze springt van de kruk en zegt: ‘Het lukt me niet. Jezus hé, ik ben geen kraan of zo. Zoek maar iemand anders die op commando huilt.’
Ze loopt de keuken door en verdwijnt in haar kamer.
‘Wat heeft die nou?’ vraagt de regisseur, die het zich aantrekt.
‘Niks,’ zegt Caterina en wuift zijn ongerustheid weg. ‘Het ligt niet aan jou. Zo doet ze altijd, gaat wel weer over.’
‘Maar ze is tenminste wel fotogeniek,’ voegt Irene er aan toe in een vlaag van jaloezie.

Vrijdag is in dit huis de dag waarop hun wegen zich scheiden. Na het avondeten trekt Sofia een wollen trui aan, gooit een tandenborstel en een boek in haar tas en gaat naar het station om de laatste trein naar Milaan te nemen. Als ze haar vragen waarom ze zich elke week de moeite en de kosten van die reis getroost, zegt ze: ‘Ik mis de stad’, alsof Rome het platteland is. Irene vermoedt dat er een verloofde in het spel is, daar in het noorden. Zijzelf heeft er een in Palermo, alhoewel ze die zo langzamerhand zonder enig schuldgevoel bedriegt. In het weekend verlaat ze de kamer die ze deelt met Caterina en eigent zich die van Sofia toe, ze verschoont de lakens, steekt wierookkegeltjes aan, en dan belt ze een van haar minnaars en nodigt hem uit om langs te komen.
Caterina voelt zich niet alleen buitengesloten, maar ook beroofd van de rol die ze zich met veel geduld heeft toegeëigend. In dit huis is zij de spil van de weegschaal, degene die de gewichten van Irene en Sofia in balans houdt, maar nu is ze gereduceerd tot de dikke vriendin van het mooie meisje. ’s Zondags ontbijt ze in haar eentje. Ze smeert jam op haar cracker en denk aan haar Soof. Ze probeert te raden wat die zou zeggen als ze Irenes aanminnige gelach of haar ochtendlijke gekreun hoorde: een van sarcasme druipende opmerking om zich te wapenen tegen de desolaatheid van de scène. Later zal Caterina ook nog koffie voor de gast zetten en beleefd blijven, en terwijl ze hem eigenlijk haat – vanwege de wc-bril die omhoog staat, de gelige druppels die hij ongetwijfeld op de rand van de pot heeft achtergelaten, zijn postcoïtale zelfgenoegzaamheid en de vanzelfsprekendheid waarmee hij aan tafel gaat zitten en zich laat bedienen. Caterina vergelijkt het vrouwelijke karakter van hun huis altijd met water uit een bron: ze voelt zich de bewaakster van de zuiverheid, de beschermster van de breekbaarheid ervan.
Ze is verzonken in haar fantasieën als de telefoon gaat. Ze kijkt op het lage tafeltje, maar zoals altijd ligt hij niet op de plek waar hij zou moeten liggen. Ze vindt hem tussen de kussens van de bank, duwt ze opzij, gaat zitten en neemt op.
‘Cat,’ zegt de stem van Sofia, ‘met mij.’
‘Soof,’ zegt Caterina, ‘ik dacht net aan je.’
Ze wil er nog iets over telepathie aan toevoegen, maar Sofia is niet in de stemming voor prietpraat. Ze vertelt Caterina op zakelijke, ongeduldige toon dat ze vanavond niet thuiskomt en dat ze misschien wel de hele week in Milaan moet blijven.
‘Hoezo?’
‘Mijn vader is opgenomen in het ziekenhuis.’
‘O. Niets ernstigs, hoop ik.’
Aan de andere kant aarzelt Sofia. Ze haalt haar neus op, want ze is verkouden. Dan besluit ze haar in vertrouwen te nemen, of wellicht zichzelf van een last te bevrijden, en zegt in één adem: ‘Cat, mijn vader heeft al heel lang een tumor. Vannacht is hij buiten bewustzijn geraakt, ik weet niet hoelang hij nog heeft.’
‘Wat?’ vraagt Caterina. Maar het is een klankloos woord, er zit geen lucht in haar longen. Ze hervindt een dun stemmetje en zegt: ‘Hè?’
‘Ik heb nu geen tijd om het je allemaal te vertellen. Sorry. Later hebben we het er nog wel over, als je wilt. Wil je het alsjeblieft doorgeven op school?’
‘Natuurlijk,’ zegt Caterina, als een robot.
‘Ik bel je een dezer dagen, oké?’
‘Oké. Nee, wacht.’
‘Ik moet nu gaan, doei.’
‘Sofia,’ zegt Caterina, maar Sofia heeft al opgehangen.
Het heeft bij elkaar minder dan een minuut geduurd. Een onbetekenende pauze in het bioritme van het huis: de ijskast is niet opgehouden met zoemen, de waterdruppel hangt nog steeds aan de kraan. Met de telefoon in haar hand kijkt Caterina naar de muur, met op haar lippen de vraag: waar ben je? En ook: waar kan ik je bellen? En daarna, als haar hersens hun werk hervatten: heb je iets nodig? Is er iemand bij je? Wil je dat ik daarheen kom? En nog later, nadat ze het bandje van het gesprek heeft teruggespoeld: heel lang... Hoe lang? Jaren? Al heel lang een tumor? Hoe kan het dat we al vier maanden in hetzelfde huis wonen, we zelfs elkaars onderbroeken dragen en dat je daar nooit iets over hebt verteld?
En ten slotte valt de druppel in de gootsteen, stopt de ijskast met een schok en komt Caterina tot een pijnlijke slotsom. Waarom heb ik het zelf niet bedacht?
Stomme koe, denkt ze. Stomme papzak. Je kijkt niet verder dan je neus lang is. Wat ben je nou voor een vrouw? Het is de techniek die Caterina gebruikt als ze een taart laat aanbranden of een glas breekt: nadat ze zichzelf flink heeft uitgescholden voelt ze zich als herboren, alsof ze stevig op een boksbal heeft gebeukt. Ze legt de telefoon waar die hoort en wekt vervolgens Irene om samen met haar de hulpoperatie in gang te zetten.

Sofia komt de zaterdag erop terug, twee dagen na haar vaders begrafenis. Ze wordt verwelkomd door de geur van bolognesesaus die de hele middag al op het vuur staat. Ze doet de deur open en blijft op de drempel staan: haar haar hangt los, ze draagt dezelfde trui als waarin ze vertrokken is. Ze stinkt naar natte wol, naar zweet, naar rookcoupé. Ze bekijkt het huis alsof ze niet een week maar zeven jaar is weggeweest; Irene en Caterina aarzelen of ze haar daar in de deuropening zullen omhelzen of zullen wachten tot ze binnen is.
‘Mag ik alsjeblieft in bad?’ zegt ze en laat haar tas op de grond ploffen. Daarna zwicht ze voor de verleiding om vijf minuten te gaan liggen, in afwachting van het moment dat het bad is volgelopen, en valt in een diepe slaap; ze laten haar slapen tot de volgende ochtend.
En zo verandert het karakter van het huis. Nu is het een huis van rouw, waardoor de muren dikker zijn dan gewone bakstenen muren. Om Sofia tegen het verdriet te beschermen gedragen Irene en Caterina zich als de ouders van drukke kinderen, die de hoeken van de meubels afplakken met schuimrubber. Caterina’s schuimrubber is haar aandacht, haar tiramisù met amaretto, haar zachte, uitnodigende lichaam. Irenes schuimrubber bestaat uit dikke lagen luchtigheid: volgens haar filosofie is stilte de fysieke staat van wanhoop en kun je niet totaal down zijn zolang je nog iets hebt om over te kletsen.
Ze brengen veel meer tijd thuis door dan eerst. Als ze Sofia voorstellen om uit te gaan, antwoordt ze dat ze moe is, of dat ze het koud heeft, of dat ze geen zin heeft in andere mensen. Ze heeft genoeg aan hen. Ze begint zelfs weer eetlust te krijgen. ‘Ik eet alleen dingen die Caterina klaarmaakt,’ zegt ze, zonder zich te realiseren hoe blij ze haar daarmee maakt. Ze vertelt dingen over zichzelf, bijvoorbeeld dat ze altijd een moeilijke relatie met eten heeft gehad omdat dat het strijdpunt was tussen haar en haar moeder. Maar nu ervaart ze de smaken waar ze eerst misselijk van werd als anders en onbekend en krijgt ze zin om overal van te proeven.
Een even intens genot zal Caterina later ervaren, als ze alle drie naar de bank verkassen en Sofia haar hoofd op Caterina’s bovenbenen laat rusten, haar ogen sluit en zich laat liefkozen. Irene zorgt voor de verstrooiing. Ze vertelt over de man met wie ze uitgaat, een scriptschrijver die ze heeft leren kennen bij een screentest, en ze beklaagt zich over haar Siciliaanse verloofde: hij heeft twee tickets naar India gekocht zonder eerst met haar te overleggen, en in plaats van een gat in de lucht te springen voelde ze zich voor het blok gezet en heeft een scène geschopt.
‘Sorry, maar waarom maak je het niet uit?’ vraagt Sofia.
‘Omdat we al zo lang bij elkaar zijn,’ zegt Irene en zuigt een mondvol rook naar binnen door een stenen pijpje. ‘Ik zou het gevoel hebben dat ik mijn broer dumpte of zo. Kun je je broer dumpen?’
‘Trut,’ is Sofia’s commentaar.
‘Sorry hoor, en wat ben jij dan wel niet? Mijn geestelijk leider?’
‘Oké, oké, je hebt gelijk. Dump je broer dan maar niet, trouw maar lekker met ’m en maak een stel kinderen. Mag ik ook een hijs? Niet om het een of ander, maar die wiet is wel van mij.’
‘Van mij, van mij, van mij,’ zegt Irene. Ze neemt nog snel een trekje en geeft het pijpje dan door. ‘Hier spreekt de ware anarchist.’
Caterina lacht, ze vindt hun geruzie vermakelijk; net het gebekvecht van twee oude tantes. Ze masseert Sofia’s slapen en probeert de zware gedachten waardoor haar vriendin gekweld wordt te verlichten.
‘Heerlijk!’ zegt die, genietend van het gevoel dat Caterina’s vingers, de marihuana en de anti-stress druppels die ze neemt teweegbrengen. ‘Daar zou je je beroep van moeten maken, niks acteren. In jouw handen voel ik me net taartdeeg. Heerlijk!’
Ze blijft zo liggen tot ze onder zeil gaat. Ze valt stil halverwege een betoog, de sigaret glijdt uit haar vingers. Irene en Caterina kijken elkaar aan en glimlachen. Beter zo, denken ze, want er zijn periodes in het leven dat luciditeit nergens goed voor is. Terwijl Irene haar tanden gaat poetsen brengt Caterina Sofia naar haar kamer, kleedt haar uit, legt haar in bed. Ze gaat naast haar zitten en streelt haar tot ze in slaap valt. Dit huis is beboterd en met meel bestoven; het is gecapitonneerd, gewatteerd, doorgestikt, het is een nest gemaakt van stro en veren; het is een hermetisch afgesloten huis, gepantserd met lood en verzegeld met siliconenkit: niets van het goede dat het bevat kan verloren gaan, niets van het kwaad dat er buiten is kan er binnendringen.

[...]

Oorspronkelijke titel Sofia si veste sempre di nero
Copyright © 2012 Minimum Fax / Paolo Cognetti
Copyright vertaling © 2013 Yond Boeke en Patty Krone/Athenaeum—Polak & Van Gennep

Athenaeum - Polak & Van Gennep

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum