Leesfragment: Tien december

27 november 2015 , door George Saunders

George Saunders' veelgeprezen verhalenbundel Tien december (Tenth of December, vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema) is zojuist verschenen. Wij publiceren voor. ‘Abnesti vroeg ons of we elkaar een soort cijfer konden geven, wat betreft leuk en wat betreft sexy. Het bleek dat we elkaar zo’n beetje gemiddeld vonden, dat wil zeggen niet vreselijk aantrekkelijk, maar ook niet afstotelijk. Abnesti zei: “Jeff, infuus aan?” “Akkoord,” zei ik. “Heather, infuus aan?” zei hij. “Akkoord,” zei Heather. Daarna keken we elkaar met zo'n blik van: en wat gebeurt er nu? Wel, wat er gebeurde was dat Heather er algauw superleuk uitzag.’

Saunders, op handen gedragen door zielsverwant David Foster Wallace (1962-2008), is de onbetwistbare nieuwe meester van het Amerikaanse korte verhaal. Hij werd al bewonderd door talloze beroemde collega-schrijvers, maar met Tien december (Tenth of December), is hij internationaal definitief doorgebroken. Het boek prijkt al maandenlang op Amerikaanse bestsellerlijsten, wat uitzonderlijk is voor een verhalenbundel. De  Nederlandse vertaling wordt verzorgd door het vindingrijke vertaalduo Harm Damsma en Niek Miedema.

Tien december telt tien verhalen, waarin Saunders verrassende gebeurtenissen rond goed bedoelende personages beschrijft. Zo stuurt afdelingshoofd Todd Birnie een memo naar zijn werknemers, die wel wat inspiratie kunnen gebruiken, verbergt de lokale middenstander Al Roosten zijn twijfels en jaloezie achter een brede glim lach en probeert een doodzieke man in alle rust een heuvel te beklimmen op een ijskoude decemberdag.

 

Ontsnapping uit de spinnenkop

I

‘Infuus aan?’ zei Abnesti via de intercom.
‘Wat zit er in?’ zei ik.
‘Lachen,’ zei hij.
‘Akkoord,’ zei ik.
Abnesti deed iets met zijn afstandsbediening. Mijn MobiPaktm begon te zoemen. Algauw zag de Binnentuin er prachtig uit. Alles leek superhelder.
Ik zei, zoals van me verwacht werd, hardop wat ik voelde.
‘Tuin prachtig,’ zei ik. ‘Superhelder.’
Abnesti zei: ‘Jeff, wat zou je ervan zeggen als we de taalcentra wat extra prikkelden?’
‘Prima,’ zei ik.
‘Infuus aan?’ zei hij.
‘Akkoord,’ zei ik.
Hij voegde wat Verbalucetm aan de infuusvloeistof toe en algauw voelde ik nog steeds hetzelfde maar kon ik het beter onder woorden brengen. De tuin zag er nog steeds schitterend uit. Alsof de struiken strak afgetekend waren en de zon alles extra scherp uitlichtte. Alsof er elk moment een stel Victorianen met een kopje thee in de hand konden komen aangeslenterd. Het was alsof de tuin op de een of andere manier de allemansdromen belichaamde die vanouds intrinsiek zijn aan het menselijk bewustzijn. Het was alsof ik opeens in dit eigentijdse vignet het eeuwenoude decor zag waarin Plato en sommige van zijn tijdgenoten hadden kunnen rondwandelen. Kortom, ik ervoer het eeuwige in het voorbijgaande.
Zo bleef ik, aangenaam in dit soort gedachten verzonken, zitten tot de werking van de Verbalucetm begon af te nemen. Waarna de tuin er alleen nog maar prachtig uitzag. Het had vermoedelijk iets met die struiken en zo te maken. Waardoor je daar alleen maar languit wilde gaan liggen, in die stralende zon, en vrolijke gedachten denken. Als je begrijpt wat ik bedoel.
Daarna raakte wat er verder nog in de infuusvloeistof zat ook uitgewerkt en liet de hele tuin me zo’n beetje onverschillig. Maar mijn mond was kurkdroog, en van binnen had ik het bekende post-Verbalucetm-gevoel.
‘Dit wordt vast een hele goeie, denk je niet?’ zei Abnesti. ‘Voor als laten we zeggen een vent een hele nacht een grens moet bewaken. Of als hij op het schoolplein op zijn kleine staat te wachten en zich verveelt. Dat er dan wat natuur in de buurt is of zo. Of laten we zeggen een boswachter die een dubbele dienst moet draaien.’
‘Dat wordt chill.’
‘Dat is ED763,’ zei hij. ‘We denken erover om het NatuGlide te noemen. Of anders ErthAdmire.’
‘Kunnen allebei goed,’ zei ik.
‘Bedankt voor de hulp, Jeff,’ zei hij.
Wat hij elke keer zei.
‘Over duizend jaar zijn we er,’ zei ik.
Wat ik elke keer zei.
Toen zei hij: ‘Tot zover de Binnentuin, Jeff, op naar Kleine Werkkamer 2.’

II

Ze stuurden een bleke, lange meid naar Kleine Werkkamer 2.
‘Wat vind je ervan?’ zei Abnesti via de intercom.
‘Ik?’ zei ik. ‘Of zij?’
‘Allebei,’ zei Abnesti.
‘Best wel aardig,’ zei ik.
‘O, goed hoor,’ zei zij. ‘Gewoon.’
Abnesti vroeg ons of we elkaar een soort cijfer konden geven, wat betreft leuk en wat betreft sexy.
Het bleek dat we elkaar zo’n beetje gemiddeld vonden, dat wil zeggen niet vreselijk aantrekkelijk, maar ook niet afstotelijk.
Abnesti zei: ‘Jeff, infuus aan?’
‘Akkoord,’ zei ik.
‘Heather, infuus aan?’ zei hij.
‘Akkoord,’ zei Heather.
Daarna keken we elkaar met zo’n blik van: en wat gebeurt er nu?
Wel, wat er gebeurde was dat Heather er algauw superleuk uitzag. En ik zag gelijk dat zij dat ook van mij vond. Het overrompelde ons eigenlijk, zodat we allebei begonnen te lachen. Hoe bestond het dat we dat niet eerder hadden gezien, dat de ander om op te vreten was? Gelukkig stond er een rustbank in de Werkkamer. Ik had het gevoel dat er, naast wat ze wilden testen, ook nog wat ED556 in onze infuusvloeistof zat. Dat onderdrukt je remmingen zowat helemaal. Want algauw trokken we daar op die bank lustig van leer. We waren echt allebei superheet. En niet alleen maar op een geile manier. Heet, zeker, maar ook helemaal goed. Alsof je je hele leven van een bepaald meisje had gedroomd, en daar was ze opeens, met jou in dezelfde Werkkamer.
‘Jeff,’ zei Abnesti, ‘ik zou graag jouw toestemming hebben om je taalcentra nog wat extra te prikkelen.’
‘Okido,’ zei ik, van onder haar.
‘Infuus aan?’ zei hij.
‘Akkoord,’ zei ik.
‘Ik ook?’ zei Heather.
‘Prima,’ zei Abnesti lachend. ‘Infuus aan?’
‘Akkoord,’ zei Heather, helemaal buiten adem.
Algauw lagen we, toen de weldadige werking van de Verbalucetm in de infuusvloeistof goed merkbaar werd, niet alleen geweldig te neuken, maar ook heel fijn te praten. Zo begonnen we, in plaats van de typische seksuitdrukkingen die we tot dan toe gebezigd hadden (zoals ‘Wow’ en ‘O god’ en ‘Ga door, ga door’ en zo) te freestylen over wat we voelden en dachten, in verheven taal, met zo’n tachtig provent meer vocabulaire dan gemiddeld, waarbij onze helder verwoorde gedachten voor latere analyse werden opgenomen.
Ik voor mij voelde me zo ongeveer als volgt: verbaasd over het dagende besef dat deze vrouw in real time gecreëerd werd, rechtstreeks vanuit mijn eigen geest, door toedoen van mijn diepste verlangens. Na al die jaren had ik eindelijk (zo meende ik) de ideale combinatie van lichaam, gezicht en geestelijke vermogens gevonden, de volledige verpersoonlijking van alles wat begeerlijk was. De smaak van haar mond, de aanblik van het blonde haar dat als een stralenkrans om haar engelachtige en toch ook ondeugend ogende gezicht uitgespreid lag (ze lag nu onder me, met haar benen in de lucht), ja zelfs (zonder dat ik de verheven gevoelens die ik ervoer wil afvallen of bezoedelen) de gewaarwordingen die haar vagina mijn stotende penis over de volle lengte bezorgde waren exact die waarnaar ik altijd had gesnakt, hoewel ik vóór dit moment nooit had beseft dat ik daar zo vurig naar snakte.
Dat wil zeggen: er diende zich een verlangen aan, waarbij zich gelijktijdig de bevrediging van dat verlangen aandiende. Het was alsof a) ik naar een zekere (tot dan toe nimmer gesmaakte) smaak verlangde totdat b) genoemd verlangen schier ondraaglijk werd, op welk moment c) ik iets eetbaars vond waarvan de smaak precies overeenkwam met de smaak die ik al in mijn mond had en die mijn verlangen volkomen bevredigde.
Elke kreet van genot, elk nieuw standje getuigde van hetzelfde: we kenden elkaar al een eeuwigheid, we waren zielsverwanten, we hadden elkaar in tal van eerdere levens ontmoet en bemind, en zouden elkaar in vele toekomstige levens ontmoeten en beminnen, en dat steeds met hetzelfde, alles overstijgende, verbijsterende gevolg.
Daarna dreven wij weg in een reeks opeenvolgende dromerijen die het best omschreven kunnen worden als een soort niet-narratieve mind-decors, d.w.z. een reeks vage mentale beelden van plaatsen waar ik nog nooit geweest was (een dicht met naaldbomen begroeid dal te midden van hoge, witte bergen, een chaletachtig huis in een doodlopende straat, waarvan de tuin vol stond met dikke, geknotte, hallucinante bomen) die stuk voor stuk een diep, sentimenteel verlangen losmaakten. Die verlangens versmolten en werden weldra teruggebracht tot één centraal verlangen, d.w.z. een intens verlangen naar Heather, naar Heather en niemand anders.
Het verschijnsel van de mind-decors was het sterkst tijdens de derde (sic!) ronde van ons liefdesspel (klaarblijkelijk had Abnesti ook nog wat Vivistiftm in mijn infuusvloeistof gedaan). Na afloop stroomden onze liefdesbetuigingen gelijktijdig uit onze monden, linguïstisch complex en rijk aan metaforen. Ik mag wel zeggen op dichterlijke wijze. We mochten daar nog bijna een uur met verstrengelde ledematen blijven liggen. In opperste gelukzaligheid. In opperste staat van volmaaktheid. In die onmogelijke staat van geluk die niet wegkwijnt en waarachter geen nieuwe jonge loten van verlangen opschieten.
We wiegden elkaar met dezelfde vurige vasthoudendheid waarmee we elkaar hadden geneukt. Het knuffelen deed in niets onder voor het neuken, bedoel ik maar. We rollebolden over elkaar heen op die supervriendschappelijke manier van jonge hondjes en omhelsden elkaar als echtelieden vlak nadat een van hen langs de afgrond van de dood is gescheerd. Alles leek vochtig, permeabel, zegbaar.
Daarna raakte er iets in de infuusvloeistof uitgewerkt. Ik denk dat Abnesti de Verbalucetm-toevoer had afgesloten. En mogelijk ook de remmingsverminderaar. In wezen werd alles minder. Opeens voelden we ons verlegen tegenover elkaar. Hoewel nog steeds liefdevol. We gingen het proces aan van proberen met elkaar te praten après-Verbalucetm, wat altijd ongemakkelijk is.
Toch kon ik aan haar ogen zien dat ze nog altijd liefde voor me voelde.
En ik voelde zeker nog liefde voor haar.
En waarom ook niet? We hadden net drie keer met elkaar geneukt!
Waarom noemen ze dat ‘de liefde bedrijven’, dacht je? Dát was wat we net gedaan hadden: de liefde bedrijven.
Toen zei Abnesti: ‘Infuus aan?’
We waren eigenlijk vergeten dat hij daar achter die doorkijkspiegel zat.
Ik zei: ‘Moet dat echt? We vinden dit eigenlijk best fijn zo.’
‘We gaan alleen maar proberen jullie weer bij het uitgangspunt terug te krijgen,’ zei hij. ‘We hebben nog meer te doen vandaag.’
‘Shit,’ zei ik.
‘Kut,’ zei zij.
‘Infuus aan?’
‘Akkoord,’ zeiden wij.
Algauw begon er iets te veranderen. Ik bedoel, ze was best in orde hoor. Een leuke meid met een bleke huid. Maar niks bijzonders. En ik zag dat zij mij ook niks bijzonders vond, m.a.w. waar hadden we ons daarnet zo druk om gemaakt?
Waarom hadden we onze kleren niet aan? We schoten snel onze spullen aan.
Tikkie beschamend.
Hield ik van haar? Hield zij van mij?
Het mocht wat.
Nee dus.
Toen moest zij er weer vandoor. We gaven elkaar een hand.
En daar ging ze.
De lunch werd gebracht. Op een dienblad. Spaghetti met stukjes kip.
Man, wat had ik een trek.
De hele lunchtijd zat ik te denken. Het was raar. Ik herinnerde me dat ik met Heather geneukt had, dat ik bepaalde gevoelens voor haar had gekoesterd, dat ik bepaalde dingen tegen haar gezegd had. Mijn keel was zo’n beetje schor van alles wat ik gezegd had en van het feit dat ik mij gedwongen had gevoeld het allemaal snel te zeggen. Maar qua gevoel? In wezen was daar niks van over.
Ik had alleen een warme kop en schaamde me lichtelijk omdat ik drie keer onder de ogen van Abnesti had liggen neuken.

III

Na de lunch kwam er een ander meisje.
Ook zo’n beetje mwah. Donker haar. Doorsnee bouw. Niks speciaals, net zoals Heather eerst niks bijzonders was geweest toen ze binnenkwam.
‘Dit is Rachel,’ zei Abnesti via de intercom. ‘En dit is Jeff.’
‘Hi Rachel,’ zei ik.
‘Hi Jeff,’ zei zij.
‘Infuus aan?’ zei Abnesti.
Wij gingen akkoord.
Het had iets heel vertrouwds, zoals ik me nu begon te voelen. Rachel zag er supergoed uit. Abnesti vroeg toestemming om onze taalcentra met behulp van Verbalucetm te prikkelen. Wij gingen akkoord. En algauw lagen ook wij als konijnen te neuken. En algauw lagen ook wij als welbespraakte adhd’ers over onze liefde te praten. Opnieuw dienden er zich zekere gevoelens aan die tegemoetkwamen aan het zich tegelijkertijd aandienende vertwijfelde verlangen naar juist die gevoelens. Algauw werd de herinnering aan de volmaakte smaak van Heathers mond verdrongen door de huidige smaak van Rachels mond, die nu zoveel meer de smaak was die ik begeerde. Ik ervoer ongekende gevoelens, ook al waren die ongekende gevoelens (zoals ik ergens in mijn bewustzijn bespeurde) precies dezélfde gevoelens die ik eerder had ervaren voor dat thans ogenschijnlijk onwaardige vat Heather. Rachel was, zal ik maar zeggen, tóp. Haar sierlijke leest, haar stem, haar begerige mond/handen/lendenen… ze waren allemaal tóp.
Man, wat hield ik veel van Rachel.
Daarna kwamen de opeenvolgende geografische dromerijen (zie boven): hetzelfde dicht met naaldbomen begroeide dal, hetzelfde chaletachtige huis, vergezeld van hetzelfde verlangen naar een plek dat overging in een verlangen naar (dit keer) Rachel. En terwijl wij bleven doorgaan op hetzelfde niveau van seksuele spanning dat iets in de borststreek teweegbracht wat ik zou willen omschrijven als een geleidelijk strakker wordende band van bekoorlijkheid, die ons zowel verbond als voortdreef, fluisterden wij koortsachtig (even trefzeker als dichterlijk) over ons gevoel dat wij elkaar al heel lang kenden, d.w.z een eeuwigheid.
Wederom bedroeg het aantal malen dat wij de liefde bedreven drie.
Daarna begon, net als daarvoor, het vuur te tanen. Wat wij zeiden werd minder briljant. Met minder woorden en in kortere zinnen. Toch hield ik nog altijd van haar. Van Rachel. Alles aan haar leek volmaakt: het moedervlekje op haar wang, haar zwarte haren, de manier waarop ze soms wat met haar kontje wiegelde, alsof ze wilde zeggen: mmm-mmm, was dát even lekker!
‘Infuus aan?’ zei Abnesti. ‘We gaan proberen jullie weer bij het uitgangspunt terug te krijgen.’
‘Akkoord,’ zei ze.
‘Eh, wacht even,’ zei ik.
‘Jeff,’ zei Abnesti geërgerd, alsof hij mij eraan wilde herinneren dat ik hier niet uit eigen vrije wil was, maar omdat ik een misdrijf had begaan en op deze manier mijn straftijd doorbracht.
‘Akkoord,’ zei ik. Waarna ik Rachel nog een laatste liefdevolle blik toewierp, in de wetenschap dat dit (wat zij nog niet wist) de laatste liefdevolle blik was die ik haar zou toewerpen.
Algauw was zij niet meer dan wel een aardige meid voor me, en ik niet meer dan wel een aardige gozer voor haar. Ze keek, net als Heather gedaan had, wat beteuterd, zo van: wat was dat nou allemaal daarnet? Waarom ben ik daarnet totaal uit mijn dak gegaan met Mister Modaal hier?
Hield ik van haar? Hield zij van mij?
Nee.
Toen het tijd voor haar was om te vertrekken gaven we elkaar een hand.
De plek waar mijn MobiPaktm operatief aan mijn onderrug was bevestigd, deed zeer vanwege alle verschillende standjes. Bovendien was ik bekaf. En daarbij voelde ik me best wel treurig. Hoezo treurig? Ik was toch een bikkel? Ik had toch daarnet op één en dezelfde dag twee verschillende meiden geneukt, zes keer in totaal?
En toch voelde ik me allertreurigst.
Ik denk dat ik treurig was omdat de liefde niet echt was. Of in elk geval niet écht echt. Ik denk dat ik treurig was omdat liefde zo’n geweldig gevoel kon zijn en even later weer helemaal weg, enkel en alleen omdat Abnesti ergens mee rommelde.

[...]

 

© George Saunders
© Nederlandse vertaling Harm Damsma / Niek Miedema / Uitgeverij Podium

Uitgeverij Podium

MINDBOOKSATH : athenaeum