Leesfragment: Tilt

27 november 2015 , door Michiel Stroink

15 mei verschijnt de tweede roman van Michiel Stroink: Tilt. Wij publiceren voor. 'Een tafel vol Chinezen is saaier dan een bejaardentehuis tijdens Lingo, maar hun aanwezigheid is handig als je de tafel wilt controleren. Ze brengen rust. Daar begint het spel eigenlijk al. Een goede pokerspeler bestudeert de tafels, kiest zijn veld en kiest zijn spelers. De enige variabele factor zijn de kaarten die hij krijgt, maar die doen er eigenlijk niet toe, dat weet zelfs de twaalfjarige internetspeler: poker speel je met mensen en niet met kaarten.'

Max, een dertigjarige pokerprofessional, leeft en werkt volgens een strak geordend schema. Met zijn ‘tien dagen op en tien dagen af-systeem’, waarin hij zich op de been houdt met veel drank en drugs, hoopt hij aan de pokertafel zo snel mogelijk miljonair te worden. Maar zijn plan wordt in de war geschopt als hij wordt geveld door acuut leverfalen.

Hij belandt in het ziekenhuis, waar al snel duidelijk wordt dat hij door zijn extreme levensstijl geen recht heeft op de noodzakelijke transplantatie. Max dreigt de controle over zijn leven te verliezen en probeert zichzelf te redden op de enige manier die hij kent: poker, maar dan met de mensen in zijn directe omgeving als speelkaarten…

 

1

De wc-vloer van het Gran Casino is niet de beste plek om bij te komen. Mannelijke gokkers plassen haastig en ongericht. Ze willen snel weer tussen de neonlampen, het rumoer en de andere zenuwachtig zwetende mensen staan. De laatste druppels urine raken dan ook altijd verdeeld tussen de bril, de vloer en hun oudemannenslips. Het maakt de vloer kleverig en ranzig, maar je bewustzijn verliezen gebeurt meestal niet op een plek die je zelf uitkiest.
Max heeft de toiletpot nodig om overeind te komen. Met moeite gaat hij op de bril zitten en wurmt zijn rechterhand in zijn broekzak om de sleutel van zijn appartement te pakken. Met de sleutel zoekt hij in een klein wit envelopje naar wat laatste restjes coke. Snuifgeluiden zijn niet uitzonderlijk op deze wc’s. Hij maakt de sleutel schoon in zijn mond en voelt de drug in zijn tandvlees branden. Bij de wasbak vindt hij zijn whisky-cola en daarmee slikt hij drie paracetamols door.Wat een onzin dit; even doorzetten nog.
‘Waar bleef je?’vraagt Sven als Max terugkeert bij de pokertafel. ‘Ze wilden je stoel bijna aan een spleetoog geven.’ Sven is geen vriend, maar eerder een collega. Net als Max hoort hij bij het meubilair van de vier vaste pokertafels van het Gran Casino. Dit is de beste plek in Europa. De hoge blinds trekken spelers aan die snel rijk willen worden, en juist die spelers zijn interessant voor de professionals.
‘Ik kwam een oude vriend tegen,’ zegt Max. ‘En hou maar op met je gefakete interesse. Heb ik veel gemist?’
‘Niks. Hetis een Chinees feestje hier.’
Sinds een paar jaar lijkt er een Chinese invasie plaats te vinden in de Europese casino’s. Mahjong is uit, poker is in. Ze spelen voorspelbaar en zonder risico. Een tafel vol Chinezen is saaier dan een bejaardentehuis tijdens Lingo, maar hun aanwezigheid is handig als je de tafel wilt controleren. Ze brengen rust. Daar begint het spel eigenlijk al. Een goede pokerspeler bestudeert de tafels, kiest zijn veld en kiest zijn spelers. De enige variabele factor zijn de kaarten die hij krijgt, maar die doen er eigenlijk niet toe, dat weet zelfs de twaalfjarige internetspeler: poker speel je met mensen en niet met kaarten.
Dat is ook precies de reden dat een pokerprofessional altijd alles en iedereen moet kunnen zien. Alleen amateurs en eikels gaan vrijwillig naast de dealer zitten. Stoel drie en stoel zes hebben het beste uitzicht. En vanaf die plek is het vervolgens een kwestie van wachten. De professional speelt alleen maar de beste combinaties van kaarten, en die krijgt hij statistisch gezien een op de vijf keer. Winnen is niet alleen maar weggelegd voor rekenwonders. Pokeraars met een paar jaar ervaring hebben elke mogelijke situatie wel eens voorbij zien komen. Het is geen spel en er zijn geen risico’s. De enige vaardigheid die de pokeraar moet bezitten, is discipline. Discipline betekent controle.

*

Achttien jaar eerder zat Max in de brugklas van het Titus Brandsma Lyceum, waar hij in het tweede trimester op woensdag maartot half drie les had. Hij fietste de drie kilometer tot zijn huis, op zijn nieuwe citybike, in minder dan tien minuten. Het was een warme lentedag en hij had zijn zomerjas om zijn middel gebonden. De truc was: naar huis fietsen zonder met je voeten de grond te raken. De garagedeur stond open en zonder bij te remmen draaide hij vanuit de flauwe bocht meteen zijn fiets naar binnen.
‘Mam, ik ben thuis!’
Zijn fiets liet hij tegen de ladder in de hoek vallen. In de bijkeuken schopte hij zijn schoenen uit; zijn veters waren nog gestrikt. Zijn blauwe Kipling-rugzak sleurde hij over de grond mee de keuken in. Hoe eerder de schooltas er vies en afgetrapt uitzag, hoe beter. Van de tweedejaars had hij gehoorddat ze hun tassen expres buiten lieten staan als het regende.
‘Mam!’
Hij liet zijn rugzak achterin de eetkamer, zette theewater op en liep via de woonkamer naar de gang.
‘Ik... ben... tuihuis!’
Die avond at Max gewoon brood met hagelslag en deed hij of er niets aan de hand was. Hij maakte zijn huiswerk, keek naar The A-team en ging op tijd naar bed, ook al waren zijn vader en moeder nergens te bekennen. Op donderdag deed hij hetzelfde. Het begon al een beetje naar zomervakantie te ruiken. Op de oprit stonden de auto’s van zijn ouders alsof er geen vuiltje aan de luchtwas. Nergens lag een briefje. Pas op vrijdag begon hij te huilen, en van het huilen raakte hij volledig in paniek. Hij belde zijn oma en zijn tante, en een uur later stonden er twee politieagenten voor de deur.
De politie kon geen aanwijzingen of sporen ontdekken. Het leek wel alsof zijn ouders van de aardbodem waren verdwenen. Er stond zelfs niets in de regionale krant. Geen ouders gekidnapt, of bloeddorstige massamoordenaar plundert gezin. En daarom wist Max het zeker: toen hij twaalf was, waren zijn ouders bij hém weggelopen.
Hij verhuisde naar de stad en ging bij zijn tante wonen, op de vierde verdieping van een groot flatgebouw. Op zijn nieuwe school bouwde hij zorgvuldig een vacuüm om zich heen. Zijn garderobe bestond uit acht verschillende capuchontruien; allemaal zwart. Hij luisterde naar snoeiharde punkrock op een discman die altijd aanstond, behalve ’s nachts, als de batterijen in de oplader lagen. Max deed geen moeite om de acne in zijn gezicht te bestrijden met Clearasil. In plaats daarvan krabde hij de pusblaasjes open tot het grote zwerende kraters in zijn gezicht werden.
Hij ging roken om het wachten in de pauzes te verdrijven. Roken kan een sociale bezigheid zijn, maar in het geval van Max was het juist antisociaal. Je hoeft niet te praten terwijl je afwezig aan een peuk hijst. En Max slaagde in zijn opzet: hij werd vooral met rust gelaten.
Op zijn zeventiende haalde Max zijn gymnasiumdiploma met het hoogste gemiddelde van zijn jaar. Hij ging econometrie studeren in Groningen. Een eiland ten opzichte van de rest van Nederland. Hij wilde zo ver mogelijk van zijn Brabantse verleden vandaan zijn, en in het Noorden voelde hij zich snel op zijn gemak. Hij was alleen en dus had hij volledige controle.
Stukje bij beetje verwijderde Max alle restjes onzekerheid uit zijn bestaan. Hij leefde en studeerde in een vaste cadans en verbleef in de constante geografische driehoek van de economiefaculteit, de universiteitsbibliotheek en zijn studentenkamer op de Kornoeljestraat. Econometrie is niet moeilijk als je bedenkt dat het vooral over getallen gaat, en getallen waren de enige constante in zijn leven. De ratio suste hem langzaam in slaap.
Tot dan uiteindelijk de lust opvlamde. Meisjes. Steeds vaker doken ze op. Overal waar hij keek verschenen meisjes. Donkere krullen, korte rokjes, smalle heupen, perfecte kontjes, ronde borsten, wespentailles, blonde lokken, blauwe ogen, parelwitte tanden, en het allerergste: oorverdovend flirtend gelach.
Voor Max was dit een logisch fenomeen. De wet van de natuur. En hij zag maar één rationele oplossing voor zijn concentratieprobleem: hij moest zo snel mogelijk ontmaagd worden. En de beste kans hierop had hij bij Sanne. Sanne en Max hadden op dezelfde middelbare school gezeten. Zij zat nu op de pabo, wilde ook zo ver mogelijk van haar geboorteplaats vandaan en kende hem niet goed genoeg om van zijn semi-autistische reputatie te kennen. Ze was geen absolute schoonheid, maar hij vond haar ook niet lelijk, dus spraken ze af in een cafeetje.
Max was te vroeg. Max was altijd te vroeg. Zij was te laat.
‘Kijk nou, een echte stamgast. Ben je al lang in je eentje?’ vroeg Sanne.
Hij verspilde een substantieel deel van zijn leven aan het wachten op anderen dankzij dit chronische kwaaltje. Hij zou met gemak kunnen uitrekenen hoe groot dit percentage was, maar voor de gelegenheid gokte hij maar wat.
‘Wist je dat ieder mens gemiddeld bijna twee jaar van zijn leven besteedt aanwachten?’
‘Wat? Zo lang?’ Sanne liet zich niet uit het veld slaan.
‘En dat is niet eens het ergste aan wachten. Het ergste is dat je tijdens het wachten nooit precies weet hoe lang het wachten nog duurt. Wachten zou minder erg zijn als je het zou kunnen plannen.’
‘Ja, dat zou ideaal zijn. Dan reserveer je als baby gewoon de eerste twee jaar van je leven voor al dat wachten en dan ben je er meteen vanaf! Mag ik een biertje? En hoe lang besteed je gemiddeld aan het aan- en uitdoen van sokken?’ Sanne zag er de humor wel van in. ‘Eh, drie maanden of zo?’
‘Kan er wel achteraan. Maar weet je wat dan echt een kutfase wordt in je leven? De maanden dat je fulltime bezig bent met het kettingslot van je fiets!’
Max kreeg het spelletje door: ‘Of bijna een jaar achter elkaar je neus snuiten.’
Sanne schoof dichterbij: ‘Of drie jaar achter elkaar tongen.’
Max kreeg het warm. ‘Of acht jaar alleen maar eten.’ ‘Wauw! Of minstens tien jaar alleen maar neuken!’

Ergens in de Esdoornlaan stond Sannes Ikea-twijfelaar. Het licht deed het niet. Op haar bed probeerden ze allebei zo snel mogelijk uit hun kleren te komen. Max stootte zijn elleboog en wist bijna zeker dat hij Sanne een knietje gaf. Het maakte niet uit, ze zoenden onafgebroken, en alleen zijn broek zat nog in de weg. Max was eraan gewend om de knoopjes van zijn spijkerbroek in één beweging los te trekken, maar nu hij Sanne knoopje voor knoopje voelde friemelen aan zijn gulp, kwam voor het eerst de totale opwinding. Dit had niets meer te maken met ratio, dit was lust. Klunzig wurmde hij zich tussen haar benen, hij was nog nooit zo stijf geweest, en toen kwam er toch paniek. Hij verwachtte eigenlijk dat het vanzelf zou gaan, maar hij wist niet wat hij moest doen tot hij haar hand voelde. Ze leidde hem naar binnen. Zij was de baas, hij mocht zich overgeven.
Haar mond hapte steeds gulziger naar de zijne. Haar nagels stonden in zijn rug en op zijn billen. Ze drukte haar borsten omhoog. Haar heupen namen het ritme over. Het ritme. Het klopte niet. Het geluid. Hij kende het niet. Het was overal en allemaal veel te veel. Hij kon zich onmogelijk concentreren, maar zij had niets door. Max draaide zich met moeite op zijn rug. Hij keek en hij wachtte tot Sanne zich tot haar hoogte punt reed. Een kleine bezwete rodeocowgirl. Uitgeput viel ze boven op hem in slaap.
Max wachtte een eeuwigheid voordat hij zijn arm onder het slapende hoofd van het meisje durfde weg te trekken. Hij zocht zijn kleren bij elkaar en trok ze pas buiten, op de gang van haar studentenhuis, aan.

*

‘Nu moet je godverdomme kappen, arschloch!’ Sven slaat zo hard met zijn vlakke hand op de tafel dat zijn toren van fiches omvalt. Hij valt alleen terug op scheldwoorden uit zijn moedertaal als hij emotioneel wordt.
‘Je vraagt er zelf om.’ Max kijkt weg terwijl de stapel fiches van het midden van de tafel zijn kant op wordt geschoven. Voor de tweede keer op rij frustreert hij het spel van de Duitser door hem continu te checkraisen. Achter Max staan twee Chinezen. De langste van de twee wrijft voorzichtig met zijn onderarm tegen Max’ haar. De eerste keer dat dit gebeurde, was Max geschokt opgestaan – het is een typisch Chinees gebruik om bij de andere gokkers ‘geluk te stelen’ door hun haar aan te raken – nu ziet hij het hooguit als een verknipt compliment. Het schijnt dat ze op de wc over hun fiches heenpissen. Ook dat brengt geluk. Het maakt de groezelige reputatie die ze toch al hebben op de casinovloer, er niet beter op.
It’s my lucky day,’ zegt hij met een knipoog naar Sven. Hij probeert de l uitte spreken als een r.
Checkraisen doe je om te spelen met het initiatief. Het is een simpele tactiek en iedere professional gebruikt die. Met zijn Nederlandse collega’s onder elkaar noemt Max het ‘eendenkooien’, omdat het systeem daarop lijkt.
De houder van een eendenkooi stelt de wilde eenden eerst gerust door ze geregeld te voederen. Hij laat ze ondertussen aan zijn kleine lokhondje wennen. Dat hondje vinden de eenden interessant, en terwijl de eenden zich steeds zelfverzekerder voelen, lokt het hondje ze een van de fuiken van de kooi in tot het te laat is en ze niet meer terug kunnen. Manipuleren voor beginners, en dat mag de Duitser best weten. Pas als je dit regelmatig drie keer achter elkaar bij dezelfde speler doet, wordt het gevoelig. Onder professionals wordt het gezien als de grootste belediging om elkaar zo extreem te tergen.
‘Je speelt als een amateur.’
‘Jij speelt alsof je hier na vanavond nooit meer terug wilt komen.’ Sven is kwaad. Hij pakt zijn fiches en verlaat de tafel met een smoes.
Whatever.’ Max haalt zijn schouders op, kijkt de tafelrond en schudt zijn hoofd.
‘Whisky-cola,’ roept hij naar de serveerster, en verveeld staart hij haar na.
Eigenlijk is het maar een smerige bende, dit casino. Gele muren die vast ooit wit waren met her en der posters van pokerlegendes. Stuk voor stuk karikaturen die er alles aan doen om op te vallen. Ze lijken te zeggen: ‘Fold nou maar gewoon, van mij kun je niet winnen.’ Chris ‘Jesus’ Ferguson met zijn perfecte baard en zijn cowboyhoed. Johnny Chan, winnaar van tien World Series armbanden, in zijn slonzige trainingspakje. Allemaal hebben ze hier ooit gezeten, aan deze tafels. Op deze viezige gele vloerbedekking, die stinkt naar rattengif en gemorst bier. Het leeuwendeel van de bezoekers is gedeeltelijk of helemaal werkeloos. Ze hopen op een laatste klapper waarbij ze teren op de succesverhalen die het casino ongetwijfeld zelf de wereld instuurt. Kleine, grauwe mensen, die een beetje kromlopen van de problemen die ze met zich meedragen. Pissebedden krioelen in paniek door elkaar zodra je de steen optilt waaronder ze zich verschuilen.
Tussen deze mensen is Max een opvallende verschijning. Hij loopt recht, dat in de eerste plaats, en op die manier lijkt hij bijna twee keer zolang als zijn omgeving. Hij beweegt rustig, bijna zuinig. Zijn helblauwe ogen staan altijd wijd open en vallen door het contrast met zijn zwarte krullenbos extra op. De acnelittekens in zijn gezicht zijn helemaal weggetrokken en hij is één brok zelfvertrouwen. De meisjes vande vloer kennen hem goed. In het begin cirkelden ze om hem heen, maar inmiddels weten ze beter: hij is hier, net als zij, alleen maar om te werken.
In de winter van 2011 stapte Max met dertigduizend euro uit de trein. Hij huurde een appartement in de buurt van het strand en was vastbesloten om van zijn stake in vijf jaar een miljoen te maken. Dat was zijn doel en het was haalbaar. Hij had een spartaans schema opgesteld. Hij speelde in sessies van honderd uur. Tien dagen onafgebroken en altijd tien uur perdag. Op die manier kon hij met mathematische zekerheid zeggen dat het niet kon mislukken. Iedere honderd-urensessie verdiende Max gemiddeld bijna negenduizend euro. Het schema klopte, dat was alles wat telde.
Na elke sessie had Max een herstelperiode nodig. Zijn lichaam en vooral zijn geest moesten ontwennen. Meestal had hij de eerste twee dagen koortsaanvallen, die hij te lijf ging met paracetamol. Slapen lukte pas de derde nacht. De nachten ervoor spookten alle spelpatronen en mogelijke kaartcombinaties nog door zijn ijlende hoofd. Op dag vier kwam de honger. Op de muur naast de bank in zijn appartement had hij een gigantische collage van foldertjes van fastfoodrestaurants gemaakt. Postmodernistische kunst, maar voor Max bittere noodzaak. Na een overdadig vreetfestijn was hij klaar: afgekickt en clean. De dag erna zou hij weer doorbrengen in het casino. Max woonde in een van de mooiste steden van Europa, maar hij sloeg er geen acht op. Hij woonde voor zichzelf vooral in een rekensom.

[...]

Uitgeverij Meulenhoff

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum