Leesfragment: Verhalen

04 mei 2013 , door Isaak Babel
|

Dinsdag 7 mei praten Michel Krielaars (NRC Handelsblad), Babel-bewonderaar Tommy Wieringa en vertaalster Froukje Slofstra bij EYE over de nieuwe vertaling van Isaak Babels Verhalen. Wij publiceren het verhaal 'De geschiedenis van mijn duiventil' voor. 'Als kind wilde ik heel graag een duiventil hebben. Mijn leven lang heb ik geen vuriger verlangen gekend. Ik was negen toen mijn vader me het geld beloofde voor drie duivenpaartjes en planken. Het was 1904. Ik moest toelatingsexamen doen voor de voorbereidende klas van het Nikolajevski-gymnasium. Mijn familie woonde in de stad Nikolajev, in het gouvernement Cherson. Dat gouvernement bestaat niet meer, onze stad is opgenomen in het district Odessa.'

Isaak Emmanoeïlovitsj Babel (1894-1940) debuteerde in 1913 met zijn eerste verhalen. Wereldroem verwierf hij in 1926, toen de bundel De Rode ruiterij verscheen. Babel gold dan ook al snel als een waardig opvolger van Tsjechov. ‘De Russische literatuur is grijs als een sijsje, ze heeft een frambozenrode rijbroek nodig en hemelsblauwe leren laarzen,’ schreef de schrijver en historicus Viktor Sjklovski in 1924. Afkomstig uit Odessa, ‘uit de zonnige steppen, omspoeld door de zee’, bracht Babel de Russische literatuur iets nieuws, iets zonnigs en zuidelijks. Zijn verhalen zijn bont, grotesk en exuberant, ze lopen over van wilde energie, zinnelijkheid en ironie. Tegelijk schreef Babel met grote zelfbeheersing: zijn werk is bondig en precies, vrij van abstracties en vaagheid. Hij stond erom bekend zijn verhalen tientallen keren te herschrijven en ze tot het uiterste te polijsten. Bij al zijn warmbloedigheid slaat Babel een droge, laconieke toon aan, die zowel vanzelfsprekend als volkomen nieuw aandoet: ‘Er was eens een vrouw, Ksenia heette ze. Dikke boezem, ronde schouders, blauwe ogen. Zo’n vrouw was het. Hadden u en ik er maar zo één!’ 

In haar splinternieuwe vertaling behoudt Froukje Slofstra de intense beknoptheid die zo bij Babels werk hoort. Zij vertaalde recentelijk onder meer het alom bejubelde Leven en lot van Vasili Grossman, een vertaling waarvoor zij de Aleida Schotprijs ontving.

 

De geschiedenis van mijn duiventil

Voor M. Gorki

Als kind wilde ik heel graag een duiventil hebben. Mijn leven lang heb ik geen vuriger verlangen gekend. Ik was negen toen mijn vader me het geld beloofde voor drie duivenpaartjes en planken. Het was 1904. Ik moest toelatingsexamen doen voor de voorbereidende klas van het Nikolajevski-gymnasium. Mijn familie woonde in de stad Nikolajev, in het gouvernement Cherson. Dat gouvernement bestaat niet meer, onze stad is opgenomen in het district Odessa.
Ik was pas negen, en ik was bang voor de examens. Voor twee vakken – Russisch en rekenen – mocht ik niet minder dan een vijf halen. De numerus clausus was streng op ons gymnasium, slechts vijf procent. Op veertig jongens werden maar twee joodse jongens toegelaten tot de voorbereidende klas. De leraren ondervroegen die jongens listig; niemand kreeg zulke ingewikkelde vragen als wij. Daarom beloofde mijn vader de duiven te kopen op voorwaarde dat ik twee vijf plussen zou halen. Hij kwelde me uitentreuren, ik verviel in een eindeloze dagdroom, een lange, wanhopige kinderdroom, en al dromend ging ik naar het examen en ik bracht het er toch beter af dan de anderen.
Ik kon goed leren. Welke listen de leraren ook gebruikten, mijn verstand en mijn gretige geheugen konden ze me niet afnemen. Ik kon goed leren en kreeg twee vijven. Maar daarna veranderde alles. Chariton Efroessi, een graanhandelaar die tarwe exporteerde naar Marseille, betaalde vijfhonderd roebel smeergeld voor zijn zoon, van mijn vijf werd een vijf min gemaakt, en in mijn plaats werd de kleine Efroessi toegelaten tot het gymnasium. Het was een zware klap voor mijn vader. Vanaf mijn zesde had hij me in alle mogelijke vakken onderwezen. Het voorval met die min dreef hem tot wanhoop. Hij wilde Efroessi in elkaar slaan, of twee sjouwers omkopen om Efroessi in elkaar te slaan, maar mijn moeder bracht hem daarvan af, en ik begon me voor te bereiden op een ander toelatingsexamen, dat van volgend jaar voor de eerste klas. Achter mijn rug haalden mijn familieleden een leraar over om in één jaar de stof van zowel de voorbereidende als de eerste klas met mij door te nemen, en aangezien we ten einde raad waren, leerde ik drie boeken vanbuiten: de grammatica van Smirnovski, het rekenboek van Jevtoesjevski en de inleiding tot de Russische geschiedenis van Poetsykovitsj. Nu gebruiken kinderen die boeken niet meer, maar ik heb ze vanbuiten geleerd, regel voor regel, en het jaar daarna kreeg ik voor het examen Russisch van de leraar Karavajev de onbereikbare vijf plus.

Die Karavajev was een blozende, verbolgen man, die in Moskou had gestudeerd. Hij was amper dertig. Zijn mannelijke wangen hadden een blos als die van boerenkinderen, op zijn ene wang zat een wrat waaruit een plukje asgrauw kattenhaar groeide. Behalve Karavajev was ook de conrector Pjatnitski, die op het gymnasium en in het hele gouvernement gold als een belangrijk man, aanwezig bij het examen. De conrector ondervroeg me over Peter de Grote, waarbij ik een gevoel van wezenloosheid kreeg, van de nabijheid van het einde en de afgrond, een dorre afgrond, bekleed met wanhoop en vervoering.
Over Peter de Grote kende ik de passages uit Poetsykovitsj en de gedichten van Poesjkin vanbuiten. Ik zei die gedichten met snikkende uithalen op, plotseling trokken er menselijke gezichten voor mijn ogen langs en raakten daar vermengd als kaarten uit een nieuw spel. Ze werden op de bodem van mijn ogen geschud, en ondertussen richtte ik me op en schreeuwde bevend, gejaagd, uit volle borst Poesjkins strofen uit. Ik stond lang te schreeuwen, niemand onderbrak mijn krankzinnige gestamel. Door mijn vuurrode verblinding, door mijn roes van vrijheid, zag ik alleen het oude, voorovergebogen gezicht van Pjatnitski met zijn zilverkleurige baard. Hij onderbrak me niet, maar richtte zich tot Karavajev, die ingenomen was met mij en met Poesjkin: ‘Wat een volk,’ fluisterde de oude man, ‘in die joden van jullie huist de duivel.’
En toen ik zweeg, zei hij: ‘Goed, mijn jongen, je kunt gaan...’
Ik liep de klas uit en de gang op, en daar, leunend tegen de ongewitte muur, kwam ik bij uit de stuiptrekkingen van mijn droom. Om me heen speelden Russische jongens; vlakbij, in het institutioneel ogende trappenhuis, hing de schoolbel, een toezichthouder zat te soezen op een doorgezakte stoel. Ik keek naar hem en kwam weer bij zinnen. Van alle kanten slopen er kinderen op me af. Ze wilden me een tik geven of gewoon spelen, maar opeens verscheen Pjatnitski in de gang. Toen hij langs me liep, bleef hij even staan, zijn geklede jas golfde traag en zwaar over zijn rug. Ik zag de verwarring in die brede, vlezige herenrug, en schoof in de richting van de oude man.
‘Kinderen,’ zei hij tegen de leerlingen, ‘laat deze jongen met rust’, en hij legde een vette, weke hand op mijn schouder. ‘Mijn jongen,’ wendde Pjatnitski zich toen tot mij, ‘zeg tegen je vader dat je bent toegelaten tot de eerste klas.’
Op zijn borst blonk een prachtige ster, aan zijn revers rinkelden medailles, zijn grote zwarte geüniformeerde lichaam liep op stramme benen weg. Ingeklemd tussen de sombere muren bewoog het zich als een binnenschip door een diep kanaal en verdween door de deuren van de directeurskamer. Een kleine bediende bracht hem met veel ceremonieel zijn thee, en ik rende naar huis, naar de winkel.
In onze winkel zat een klant, een boer, zich besluiteloos het hoofd te krabben. Toen hij mij zag, liet mijn vader de boer achter en hij hoorde gretig, zonder enige scepsis, mijn verhaal aan. Hij riep de bediende om de winkel te sluiten en snelde naar de Sobornaja-straat om een pet met het schoolembleem voor mij te kopen. Mijn arme moeder kon me nauwelijks van die uitzinnige man wegrukken. Mijn moeder zag bleek op dat moment en peilde het lot. Ze aaide over mijn hoofd en duwde me dan weer vol weerzin weg. Ze zei dat de krant de namen publiceerde van de jongens die waren toegelaten tot het gymnasium en dat God ons zou straffen en de mensen ons zouden uitlachen als we voortijdig een schooluniform kochten. Mijn moeder zag bleek, ze peilde het lot in mijn ogen en keek naar me met bitter medelijden, als naar een kreupele, omdat alleen zij wist hoe ongelukkig onze familie was.

Alle mannen van ons geslacht waren te goed van vertrouwen en geneigd tot ondoordachte daden, we hadden nergens geluk in gehad. Mijn grootvader was ooit rabbijn geweest in Belaja Tserkov, hij was wegens godslastering verjaagd en had nog veertig jaar tumultueus en armoedig verder geleefd, vreemde talen gestudeerd, en vanaf zijn tachtigste zijn verstand verloren. Mijn oom Lev, de broer van mijn vader, had aan de jesjiva in Volozjin gestudeerd, was in 1892 weggelopen uit de militaire dienst en had de dochter ontvoerd van een intendant die in het militaire district Kiev diende. Oom Lev had die vrouw meegenomen naar Californië, naar Los Angeles, had haar daar in de steek gelaten en was gestorven in een dubieus huis, tussen negers en Maleiers. Na zijn dood stuurde de Amerikaanse politie ons zijn erfenis uit Los Angeles: een grote hutkoffer, beslagen met bruine ijzeren banden. In die koffer zaten halters, lokken vrouwenhaar, mijn grootvaders talliet, zweepjes met vergulde handgrepen en bloementhee in met goedkope parels versierde kistjes. Van de hele familie waren alleen mijn krankzinnige oom Simon, die in Odessa woonde, mijn vader en ik over. Maar mijn vader was te goed van vertrouwen, hij beledigde de mensen met zijn uitgelaten, idolate onthaal, dat vergaven ze hem niet en ze bedrogen hem. Mijn vader geloofde derhalve dat zijn leven werd geregeerd door een kwade genius, een ondoorgrondelijk wezen dat hem achtervolgde en in niets op hem leek. En dus was ik voor mijn moeder de enige die overbleef van onze hele familie. Zoals alle joden was ik klein van stuk en zwak en leed ik aan hoofdpijnen door het studeren. Dat alles zag mijn moeder, die nooit verblind was geweest door de bedelaarstrots van haar man en zijn onbegrijpelijke geloof dat onze familie ooit machtiger en rijker zou worden dan de andere mensen op aarde. Ze verwachtte geen succes, ze was bang voortijdig een schooloverhemd te kopen en stond alleen toe dat ik een grote portretfoto liet maken.
Op 20 september 1905 werd in het gymnasium de lijst opgehangen van de leerlingen die waren toegelaten tot de eerste klas. Op die lijst stond ook mijn naam. Onze hele familie ging naar dat papier kijken, en zelfs Sjoil, mijn oudoom, kwam naar het gymnasium. Ik hield van die snoeverige oude man omdat hij vis verkocht op de markt. Zijn dikke handen waren vochtig, bedekt met visschubben en roken naar koude, schitterende werelden. Sjoil onderscheidde zich verder van gewone mensen door de leugenachtige verhalen die hij vertelde over de Poolse opstand van 1861. In lang vervlogen tijden was Sjoil herbergier geweest in Skvira; hij had gezien hoe graaf Godlewski en andere Poolse opstandelingen werden geëxecuteerd door de soldaten van Nikolaas de Eerste. Misschien had hij het ook niet gezien. Nu weet ik dat Sjoil niet meer dan een oude idioot en een naïeve leugenaar was, maar zijn gefabuleerde verhalen ben ik niet vergeten, die waren steengoed. En zelfs de dwaze Sjoil kwam dus naar het gymnasium om de lijst met mijn naam erop te bestuderen, en ’s avonds danste en hoste hij op ons armoedig bal.

Mijn vader organiseerde een vreugdefeest en nodigde zijn maten uit: graanhandelaren, makelaars in onroerend goed en handelsreizigers die landbouwmachines verkochten in onze streek. Die handelsreizigers verkochten hun machines aan iedereen. Ze waren gevreesd bij de boeren en de landheren, je kwam niet van ze af zonder iets gekocht te hebben. Van alle joden zijn handelsreizigers het vrolijkste, meest wereldwijze gezelschap. Op ons feest zongen ze chassidische liederen, bestaande uit niet meer dan drie woorden, maar lang aangehouden, met allerlei komische intonaties. Alleen wie weleens Pesach bij de chassidim heeft gevierd of hun rumoerige synagogen in Wolynië heeft bezocht, kan de bekoring van die intonaties kennen. Behalve de handelsreizigers was ook de oude Lieberman er, die mij in de Tora en het Hebreeuws had onderwezen. Hij werd bij ons monsieur Lieberman genoemd. Hij dronk meer Bessarabische wijn dan hij zou moeten, de traditionele zijden koordjes kropen onder zijn rode vest uit en hij bracht een toost op mij uit in het Hebreeuws. In die toost feliciteerde de oude man mijn ouders en zei dat ik op het examen al mijn vijanden had verslagen, de Russische jongens met hun dikke wangen en de zonen van onze onbehouwen rijkaards. Zo had in de Oudheid David, koning der joden, Goliat verslagen, en zoals ik had gezegevierd over Goliat, zo zou ons volk door zijn geestkracht zegevieren over de vijanden die ons omringden en dorstten naar ons bloed. Bij die woorden begon monsieur Lieberman te huilen, huilend dronk hij nog meer wijn en riep: ‘Vivat!’ De gasten trokken hem in de kring en begonnen een ouderwetse quadrille met hem te dansen, als op een bruiloft in een sjtetl. Iedereen was opgetogen op ons bal, zelfs mijn moeder nipte aan haar glas, al hield ze niet van wodka en begreep ze niet hoe mensen ervan konden houden; vandaar dat ze alle Russen als idioten beschouwde en niet begreep hoe vrouwen het uithielden met Russische mannen.
Maar onze dagen van geluk braken later aan. Voor mijn moeder braken ze aan toen ze ’s ochtends, voordat ik naar school ging, mijn boterhammen begon klaar te maken, toen we langs de winkels gingen om mijn feestelijke uitrusting te kopen: een pennendoos, een spaarpot, een rugtas, nieuwe boeken in kartonnen banden en schriften met glanzende kaften. Niemand ter wereld reageert zo sterk op nieuwe spullen als kinderen. Kinderen beven bij de geur ervan, zoals een hond bij een hazenspoor, en voelen een uitzinnigheid die we later, volwassen geworden, inspiratie noemen. En dat zuivere, kinderlijke gevoel van nieuw bezit werkte aanstekelijk op mijn moeder. We moesten een maand lang wennen aan de nieuwe pennendoos en aan de ochtendschemering, wanneer ik theedronk aan de rand van de grote, verlichte tafel en mijn boeken in de rugtas stopte; we moesten een maand lang wennen aan ons gelukkige leven, en pas na het eerste trimester herinnerde ik me de duiven.
Ik had alles voor ze gereed: anderhalve roebel en een duiventil, gemaakt door opa Sjoil uit een kist. De duiventil was bruin geverfd. Er was nestgelegenheid voor twaalf koppels duiven, op het dak zaten verschillende richels en een speciaal rooster, dat ik had uitgevonden om vreemde duiven te lokken. Alles was klaar. Op zondag 20 oktober wilde ik naar de Ochotnitskaja-vogelmarkt gaan, maar er verschenen onverwachte hindernissen op mijn weg.

De geschiedenis die ik hier vertel, die van mijn toetreding tot de eerste klas van het gymnasium, vond plaats in de herfst van 1905. Tsaar Nikolaas was doende het Russische volk een grondwet te geven, redenaars in versleten jassen klauterden op paaltjes bij het gebouw van het stadsbestuur en hielden toespraken tot het volk. ’s Nachts werden er schoten gelost op straat, en mijn moeder wilde me niet naar de vogelmarkt laten gaan. Op de ochtend van 20 oktober lieten de buurjongens een vlieger op pal tegenover het politiebureau, en onze waterdrager had het werk neergelegd en liep gepommadeerd en met een rood gezicht over straat. Daarna zagen we hoe de zonen van de bakker Kalistov een leren bok naar buiten sleepten en gymnastiekoefeningen begonnen te doen midden op straat. Niemand hield ze tegen, de agent Semernikov spoorde ze zelfs aan hoger te springen. Semernikov droeg een handgeweven zijden sjerp, en zijn laarzen waren die dag gepoetst tot ze glommen als nooit tevoren. De agent in burger joeg mijn moeder het meest schrik aan, vanwege hem liet ze me niet gaan. Maar via de achtererven wist ik toch de straat te bereiken en ik rende naar de vogelmarkt, die achter het station lag.
Ivan Nikodimytsj, de duivenhandelaar, zat op zijn vaste plaats op de markt. Behalve duiven verkocht hij ook konijnen en een pauw. De pauw zat met opgezette staart op een stok en draaide zijn onverstoorbare hoofdje naar links en naar rechts. Om zijn poot was een gedraaid touw gebonden, het andere eind van het touw zat vastgeklemd onder Ivan Nikodimytsj’ rieten stoel. Zodra ik bij de oude man kwam, kocht ik een koppel kersrode duiven met prachtige vlokkige staarten en een koppel tuimelaars van hem, en ik borg ze weg in een zak op mijn borst. Na die koop had ik veertig kopeke over, maar voor die prijs wilde de oude man me geen paartje van het krjoekovtype geven. Wat me beviel aan de krjoekovduiven waren hun korte, ruwe, vriendelijke snavels. Veertig kopeke was de juiste prijs voor ze, maar de oude man overvroeg en wendde zijn gele gezicht, verteerd door de eenzelvige hartstochten van de vogelaar, van me af. Toen de markt bijna opbrak en hij zag dat er geen andere kopers waren, riep Ivan Nikodimytsj me bij zich. Alles ging zoals ik wilde, en alles ging verkeerd.
Om twaalf uur of iets later stak een man op viltlaarzen het plein over. Hij liep licht van tred op zijn opgezwollen voeten, in zijn verweerde gezicht gloeiden levendige ogen.
‘Ivan Nikodimytsj,’ zei hij, terwijl hij langs de vogelvanger liep, ‘pak je spullen, in de stad krijgen de edelen van Jeruzalem de grondwet opgelegd. In de Rybnaja-straat hebben ze opa Babel aan zijn eind geholpen.’
Dat zei hij, en hij liep licht van tred tussen de kooien door, als een ongeschoeide ploeger langs de akker.
‘Foute boel,’ mompelde Ivan Nikodimytsj achter zijn rug, ‘foute boel,’ riep hij krachtiger, en hij begon de konijnen en de pauw bijeen te pakken en stopte mij de krjoekovduiven toe voor veertig kopeke.
Ik borg ze weg op mijn borst en keek toe hoe de bezoekers van de vogelmarkt uiteenstoven. De pauw op de schouder van Ivan Nikodimytsj verdween als laatste. Hij zat daar als de zon aan een vochtige herfsthemel, als juli op een roze rivieroever, een verzengende julimaand in het hoge, koele gras. Er was niemand meer op de markt, en vlakbij knalden schoten. Toen rende ik naar het station, stak het plantsoen over dat plotseling kantelde voor mijn ogen en vloog een verlaten steeg met aangestampte gele aarde in. Aan het eind van de steeg zat Makarenko in zijn rolstoel, een man zonder benen die de stad door reed en sigaretten verkocht van een dienblad. De jongens uit onze straat kochten sigaretten bij hem, de kinderen hielden van hem, ik snelde naar hem toe in de steeg.
‘Makarenko,’ zei ik, buiten adem van het rennen, en ik raakte de schouder van de invalide aan, ‘heb je Sjoil ergens gezien?’
De invalide antwoordde niet, zijn grove gezicht, bestaande uit rood vet, uit vuisten en uit ijzer, straalde. Opgewonden schoof hij heen en weer in zijn stoel; zijn vrouw Katjoesja stond met haar watten achterwerk naar ons toe de rondslingerende spullen uit te zoeken.

‘Hoeveel zijn het er?’ vroeg de invalide, en hij boog met zijn hele romp weg van de vrouw, alsof haar antwoord bij voorbaat onverdraaglijk voor hem was.
‘Veertien stuks slobkousen,’ zei Katjoesja zonder overeind te komen, ‘zes overtrekken, de mutsjes ben ik nu aan het tellen...’
‘Mutsjes!’ schreeuwde Makarenko met verstikte stem, en hij maakte een geluid alsof hij snikte. ‘Kennelijk heeft God het op mij voorzien, Katerina, moet ik boeten voor iedereen... Mensen gaan er met hele rollen linnen vandoor, allemaal hebben ze mazzel, en wij krijgen mutsjes...’
En inderdaad rende er een vrouw met een mooi, verhit gezicht voorbij door de steeg. Onder haar ene arm had ze een stapel fezzen, onder de andere een rol laken. Met uitgelaten, radeloze stem riep ze haar zoekgeraakte kinderen; haar zijden jurk en haar blauwe vest slierden achter haar voortsnellende lichaam aan en ze luisterde niet naar Makarenko, die haar in zijn rolstoel achternareed. De invalide kon haar niet bijhouden, zijn wielen rammelden, hij rukte uit alle macht aan de hendels.
‘Madammetje,’ schreeuwde hij daverend, ‘madammetje, waar hebt u die fijne katoen vandaan?’
Maar de vrouw met de wapperende jurk was al verdwenen. Een gammele kar scheurde in tegenovergestelde richting de hoek om. Rechtop in de kar stond een jonge boerenkerel.
‘Waar is iedereen heen gerend?’ vroeg de jongeman, en hij tilde de rode teugels boven zijn knollen uit, die aan het gareel rukten.
‘Iedereen is naar het Sobornaja-plein,’ zei Makarenko op smekende toon, ‘daar zijn ze allemaal, beste man; breng mij maar wat je kunt grijpen, ik koop alles...’
De jongeman boog zich over de voorkant van de wagen en geselde de bonte knollen. De paarden gooiden als kalveren hun vuile achtergestel omhoog en galoppeerden weg. De gele steeg bleef weer geel en verlaten achter; toen richtte de invalide zijn uitgebluste ogen op mij.
‘God heeft het kennelijk op mij gemunt,’ zei hij futloos, ‘ben ik soms geen mensenkind...?’
En Makarenko strekte zijn hand vol melaatse vlekken naar me uit.
‘Wat heb je in die zak?’ vroeg hij, en hij pakte de baal die mijn hart verwarmde.
De dikke hand van de invalide woelde door de tuimelaars en haalde een kersrode vrouwtjesduif tevoorschijn. Met haar pootjes omhoog lag de vogel op zijn handpalm.
‘Duiven,’ zei Makarenko, en hij reed met knarsende wielen op me af. ‘Duiven,’ herhaalde hij en hij sloeg me in mijn gezicht.
Hij sloeg me keihard met de hand die de vogel omklemde. Katjoesja’s watten achterwerk kapseisde voor mijn ogen en ik viel op de grond in mijn nieuwe overjas.
‘Hun zaad moet vernietigd,’ zei Katjoesja toen, zich oprichtend van de mutsen, ‘ik kan hun zaad niet verdragen, en hun stinkende mannen...’

Ze zei nog iets over ons zaad, maar ik hoorde niets meer. Ik lag op de grond, en de ingewanden van de geplette vogel dropen van mijn slaap. In kronkelige straaltjes dropen ze spetterend van mijn wangen en verblindden me. Een tere duivendarm kroop over mijn voorhoofd, en ik sloot mijn nog niet volgelopen oog om de wereld die zich voor me ontvouwde niet te zien. Die wereld was benauwd en verschrikkelijk. Voor mijn ogen lag een steentje, een steentje vol krassen, als het gezicht van een oude vrouw met een grote kaak, vlakbij lagen een stukje touw en een plukje veren dat nog ademde. Mijn wereld was benauwd en verschrikkelijk. Ik sloot mijn ogen om haar niet te zien en drukte me tegen de aarde, die in geruststellende stomheid onder me lag. Die aangestampte aarde leek in niets op ons leven en op de examens die ons daarin te wachten stonden. Ergens ver weg reed het onheil over de aarde op een groot paard, maar het geluid van de hoeven zwakte af, stierf weg en de stilte, de bittere stilte die kinderen soms overrompelt in hun ongeluk, loste plotseling de grens op tussen mijn lichaam en de aarde die nergens heen bewoog. De aarde rook naar vochtige diepten, naar het graf, naar bloemen. Ik snoof haar geur op en begon zonder enige angst te huilen. Ik liep door een onbekende straat bezaaid met witte dozen, ik liep in een bloederige verentooi, alleen over het midden van de stoepen die waren schoongeveegd als op een zondag, en ik huilde zo bitter, vol overgave en gelukkig als ik in mijn hele leven niet meer heb gehuild. Wit verkleurde telegraafdraden zoemden boven mijn hoofd, een straathond rende voor me uit, in een zijstraatje was een jonge boer in vest bezig een raamkozijn in het huis van Chariton Efroessi stuk te slaan. Hij sloeg het stuk met een houten hamer, hij haalde uit met zijn hele lijf en zond hijgend een goedige glimlach van beneveling, zweet en geestkracht om zich heen. De hele straat was gevuld met het krakende, knappende, zingende geluid van versplinterend hout. De boer wilde alleen maar zijn rug buigen, zweten en vreemde woorden schreeuwen in een onbekende, niet-Russische taal. Hij schreeuwde en zong en sperde zijn blauwe ogen open, tot er een processie verscheen op straat, die uit de richting van het stadhuis kwam. Oude mannen met geverfde baarden droegen een portret van de tsaar met zijn gladgekamde haren, banieren met doodse heiligen wuifden boven de processie, geëxalteerde oude vrouwen snelden vooruit. Toen de boer in zijn vest de stoet zag, drukte hij de hamer tegen zijn borst en holde achter de banieren aan, terwijl ik de processie liet voorbijtrekken en terugsloop naar ons huis. Het was leeg. De witte deuren stonden open, het gras bij de duiventil was vertrapt. Alleen Koezma was op de binnenplaats achtergebleven. Koezma, de conciërge, zat in de schuur en legde de dode Sjoil af.
‘De wind voert je aan als een gemene spaander,’ zei de oude man toen hij me zag, ‘je bent een eeuw weg geweest... Kijk dan hoe het volk onze opa om zeep gebracht heeft...’
Koezma snoof, wendde zich af en begon een snoekbaars uit opa Sjoils gulp te halen. Er waren twee snoekbaarzen in hem gestoken: een in zijn gulp en een in zijn mond, en opa Sjoil was wel dood, maar een van de snoekbaarzen leefde en spartelde nog.
‘Onze opa hebben ze om zeep gebracht, verder niemand,’ zei Koezma, terwijl hij de snoekbaarzen naar de poes gooide. ‘Hij heeft het volk verrot gescholden, vervloekt heeft hij ze, het was een beste kerel... Je zou twee vijfkopekestukken op zijn ogen moeten leggen...’
Maar toen, op tienjarige leeftijd, wist ik niet waar dode mensen vijfkopekestukken voor nodig hadden.
‘Koezma,’ fluisterde ik, ‘red ons...’
En ik liep naar de conciërge toe, sloeg mijn armen om zijn oude, kromme rug met de ene opgetrokken schouder en van achter die rug zag ik opa Sjoil.

Sjoil lag met ingeslagen borst en omhooggeklapte baard in het zaagsel, hij had grove schoenen aan zijn blote voeten. Zijn gespreide benen waren vuil, paars en dood. Koezma scharrelde eromheen, hij bond de kaak vast en keek steeds of hij nog iets met de overledene kon doen. Hij was druk in de weer, alsof hij een nieuwe aanwinst in huis had, en pas toen hij de baard van de dode had uitgekamd, kalmeerde hij.
‘Hij heeft ze allemaal verrot gescholden,’ zei hij glimlachend, en hij liet een liefdevolle blik over het lijk gaan, ‘als het Tataren waren geweest, had hij ze afgeslagen, maar dit waren Russen, Groot-Russen, met vrouwen erbij; en Russen vergeven niet zomaar, leer mij de Russen kennen...’
De conciërge strooide nog wat zaagsel rond de overledene, wierp zijn timmermansvoorschoot af en nam me bij de hand.
‘Kom, we gaan naar je vader,’ mompelde hij, terwijl hij steeds steviger in mijn hand kneep, ‘je vader zoekt je al sinds vanochtend, hij was bang dat je dood was...’
En samen met Koezma liep ik naar het huis van de belastinginspecteur, waar mijn ouders zich schuilhielden voor de pogrom.

1925

MINDBOOKSATH : athenaeum