Leesfragment: Voor jou

27 november 2015 , door K. Schippers

30 augustus verschijnt Voor jou, de nieuwe verhalenbundel van schrijver, dichter, essayist en kunstcriticus K. Schippers. Wij publiceren voor:

'Twee vrienden van me zijn ziek, Henk en Gerard, het voelt of ik ze in Nederland heb achtergelaten. Ik wilde het eerst buiten deze verhalen houden, maar dat lukt me niet. Ach, het valt vast wel mee. Het kan ook niet anders, zo spreek ik mezelf moed in, moest wel weg, heb een contract voor gastlessen, workshops op de hogeschool.'

K. Schippers gaat naar Brussel voor workshops met filmstudenten en om er aan Voor jou te werken, zijn nieuwe verhalen over het kijken en het toeval. Bevlogen vertelt hij over het wonder van Barcelona en over zijn ontmoeting met de vrouw die op haar zestiende model stond voor de schilder Balthus. Maar dan wordt zijn verblijf in Brussel ruw onderbroken: kort na elkaar verdwijnen twee van zijn vrienden, de schrijvers en medeoprichters van Barbarber: Bernlef en G. Brands. Wanneer Schippers verder schrijft, komen er steeds meer herinneringen naar boven. De twee vrienden gaan op in de verhalen om er voorgoed te blijven. 

K. Schippers (Amsterdam, 1936) is schrijver, dichter, essayist en kunstcriticus. Hij heeft een omvangrijk oeuvre op zijn naam staan, dat bestaat uit romans, poëzie, essays, verhalen & beschouwingen, en een enkel kinderboek. Al vroeg werd hij bekend door het literaire tijdschrift Barbarber, dat hij in 1958 samen met J. Bernlef en G. Brands oprichtte. Hij introduceerde de readymade als poëzievorm. Van het cultureel tijdschrift Hollands Diep, dat van 1975 tot 1977 bestond, was hij een van de oprichters en eerste redacteuren. 

Zijn werk is veel gelauwerd. Voor zijn poëzie ontving hij in 1996 de P.C. Hooftprijs. Een jaar later kreeg hij de Pierre Bayle-Prijs voor zijn kunstkritieken. Zijn roman Poeder en wind [e-book] (1996) werd genomineerd voor de Generale Bank Literatuurprijs; de roman Waar was je nou [e-book] (2005) werd bekroond met de Libris Literatuur Prijs en groeide uit tot een bestseller. Zijn laatste titel, De bruid van Marcel Duchamp [e-book], werd lovend ontvangen. 

 

Decors

Ergens in de Onze-Lieve-Vrouwe-ter-Kapellekerk in Brussel moeten vijf stukjes van wat men het ware kruis noemt liggen. Ik kan ze niet vinden en heb geen zin ernaar te vragen. Veel berichten voor Polen op het prikbord. Ze vieren hier de mis, al jarenlang. Er is ook een monument voor Pieter Bruegel de Oude, dat vind ik meteen, de vierde nis rechts.
Je ziet De overhandiging van de sleutels aan Petrus, een kopie naar een werk van Rubens. M’n blik dwaalt naar de steen die de schilder Bruegel sinds 1569 bedekt. Z’n naam is zo goed als weggesleten. De vervaging hoort bij hem, zoals op De val van Icarus, dat ik gisteren voor het eerst zag. Het dorp aan de andere kant van de baai ligt er doezelig bij. Het doek hangt in het Paleis der Schone Kunsten en daar heeft de Engelse dichter W.H. Auden het ook bekeken.
Dit is het slot van z’n gedicht ‘Musée des Beaux-Arts’, vertaald door Henk Bernlef:

In Breughels Icarus, bijvoorbeeld: zoals alles zich
Op zijn dode gemak van het onheil afkeert; de man achter de ploeg
Zou de plons gehoord kunnen hebben, de verloren kreet,
Maar voor hem was het geen belangrijk verzuim; de zon scheen
Zoals het moest op de witte benen die verdwenen in het groene
Water, en het kostbare fragiele schip dat iets wonderlijks
Gezien moet hebben, een jongen die uit de lucht kwam vallen,
Moest ergens naartoe en zeilde rustig door.

Een schip, een huis of een schuurtje, bij Bruegel mag je ze overslaan. Je let er niet op en je hoeft er ook niet op te letten, zo gaat het in de ongeschilderde wereld ook. Hoogstens zeggen ze waar je bent.
In de Kapellekerk lees ik dat Bruegel bevriend was met Abraham Ortelius, de Vlaamse kaartenmaker. Hij heeft vast wel eens met hem gesproken over de symbooltjes voor de duinen, een bos of een paar heuvels. Het is haast net zo prettig om die op een kaart te zien als om er in het echt te lopen.
Dan kregen ze het ook over de delen van de kaart waar niets gebeurt, tussen twee steden of vlak onder een meer. Mij ontgaan de spreekwoorden die Bruegel, zegt men, zo overvloedig in z’n steden en landschappen heeft verbeeld.
Ik verlaat de kerk en het is net of ik over een onbekend gezegde heen stap. Betekenis die je niet opvalt is een vorm van vrijheid.
Boven een winkel in de Kapellestraat, recht tegenover de kerk, hangt zoveel dat je de naam van de zaak tussen al die voorwerpen niet kunt ontdekken. Een spreuk, die wel, 1200 m2 de décoration.
Er hangt een reddingsboei aan de gevel, naast wel twintig stoelen met de ranke poten tegen de spiegelruit en dan een stationsklok die nog loopt, alsof het hem niet kan schelen op welke plek hij de tijd aangeeft.
Tussen een 1000 CC-motor en radiatoren van een centrale verwarming loop ik naar binnen. Stoelen, tafels, spiegels en lampen, in tientallen vertrekken zijn ze achter elkaar opgesteld.
Aan de straatkant heeft de zaak de breedte van twee gewone etalageruiten. Binnen vergroot het zich naar zoveel kanten, volleybalnet, jukebox, tafeltennistafel. Het lijkt of een huizenblok is gevuld met alles wat naar beste kunnen ooit ergens dienst heeft gedaan. Vlaggen aan de muur, met etiketten beplakte koffers, kisten met sjabloonletters erop, schaduwen en weerspiegelingen, in allerlei formaten.
Uitgewerkt, dat zijn ze hier, autoband, horizon, motorvlet, alleen nog geschikt om in een verhaal of een film een gastrol te spelen. Je ziet het niet aan hun ouderdom, maar aan iets anders. De laatste rest van een beweging is uit hun bestaan gegleden, de moet waaraan je kunt zien dat er net nog iets mee is gedaan, die ontbreekt.
De verplaatste stoel, denk anders aan de scheef liggende krant of de slordige stand van medicijnen op een kastje. Er wordt mee geleefd, iets mee gedaan... de zichtbare echo van wat er net is voorgevallen, die klinkt hier niet meer mee.

Ik ben van plan de bus te nemen, door een buitenwijk met herenhuizen, op weg naar niets. Zo leerde ik gisteren het Wiertzmuseum kennen, een kolos met waanzinnig grote schilderijen als De verbaasde begraving en De jonge tooveresse.
In een hoek hing een geschilderde sleutel, je zou hem haast pakken. Niet nodig, op de muur stond de deur al open. Een vrouw keek door een brede kier de zaal in met zo’n blik van wie komt er nou weer aan?
Even later zat ik in het Europees parlement, vlak bij het museum van Wiertz. De vergaderzaal met bewegende politici in een grote filmcirkel om mij heen. We mochten zo stemmen, dit keer bewoog het trompe-l’oeil.
Nee, geen bus naar niets, je kunt net zo goed hier blijven. In een etalage hangt het portret van een vrouw met een vage plek op haar gezicht. Misschien heeft ze net bewogen uit protest tegen de houding die de schilder haar oplegt.
Ik ga een lange straat in, schuin tegenover de kerk. Waarom lopen hier vier Schotten, met stevige benen en een keurige rok, verderop nog drie. Ik houd er een staande. Er wordt gevoetbald tegen de Belgen, wel zesduizend Schotten zijn naar Brussel gekomen. Dat kan wat worden vanavond. Hé, Permeke, in de Bozart, affiche, daar moet ik van de week heen.
Deze stad is meestal licht in overtreding, dat maakt haar zo mooi, iets te veel make-up. Waar je ook loopt, het is net even anders dan je denkt. Misschien ben ik er dit keer wel extra gevoelig voor.
Twee vrienden van me zijn ziek, Henk en Gerard, het voelt of ik ze in Nederland heb achtergelaten. Ik wilde het eerst buiten deze verhalen houden, maar dat lukt me niet. Ach, het valt vast wel mee. Het kan ook niet anders, zo spreek ik mezelf moed in, moest wel weg, heb een contract voor gastlessen, workshops op de hogeschool.
De rommelmarkt op het Vossenplein, ik vind wat ik zoek, zonder te weten dat ik eropuit was. Een weitas met harmonicamappen en daarin zitten papieren lichaamsdelen, netjes langs de lijnen geknipt, het hart, de lever, de longen... voor een student uit 1910, 1915. Je weet niet dat het bestaat en toch is het er.
Even verder zit tussen twee ingelijste foto’s een kartonnen plaat, met illustraties. Ik draai hem naar mij toe en zie het begin van de taal.
Daar staat ‘sch’ en even verder ‘pl’, je kunt er een strip inschuiven met aanvullingen. Het verandert steeds, ‘schaar’ wordt ‘sch-aap’, van ‘pl-ak’ naar ‘pl-ek’, eerst ‘tr-aan’ dan ‘tr-oep’. Bewegende letters, ze willen steeds iets anders betekenen.
Ik koop niets, ’t gebeurt zo wel en dat doet het ook. Het misverstand is hier de norm. Aan het eind van de straat naar links en nu sta ik weer voor de 1200 m2 de décoration. Vanuit deze hoek zie ik hoe de zaak heet, Stefantiek, als een goochelaar vermengt de eigenaar z’n handel met z’n naam, je ziet de twee woorden in z’n mouw zitten.
Dat van die Schotten, daar kan ik Henk over opbellen, fremdkörper, daar houdt hij van. Het is net zoiets als de naam van de decorhandel, duidelijk te veel. Kan anders een weekend naar ze toe gaan, Eckstine voor Gerard en Pee Wee Russell voor Henk, zo kochten we platen bij Discotone van Hank van Leer, vinyl in de Lange Leidsedwarsstraat.
Henk heeft nog een grote foto uit die dagen. Chet Baker in het Concertgebouw, 1955, genomen door Ed van der Elsken, met Dick Twardzik aan de piano. Baker kijkt naar z’n trompet, op de achtergrond gebeurt iets anders.
Daar zitten we, tamelijk vaag, Gerard, Henk en ik met nog een paar vrienden. Als je ogen aan het donker zijn gewend, wordt alles scherper, we zijn het, geen twijfel mogelijk. Later kwam ook de cd uit met het concert en toen probeerde Henk erachter te komen wanneer de foto ongeveer is genomen, tussen welke twee nummers in.
Ik loop in de richting van m’n flat aan de Oude Graanmarkt en drink nog iets bij Le Cirio, aan het Beursplein, vlak naast The Collector, waar ik de vinylplaten heb gekocht.
Een vrouw krijgt een biertje, pakt haar fototoestel en fotografeert het. Ze neemt een slok en maakt weer een foto van haar nu leger geworden glas.
Dat herhaalt zich nog twee keer. Ze drinkt het laatste bier op en zet het menu voor haar op tafel. Dat fotografeert ze ook. De ober brengt nog een biertje. Ze legt het toestel neer en kijkt om zich heen. Ze fotografeert niet meer.

Ik steek de boulevard Anspach over, wijk uit voor een paar dansende Schotten en zie aan de overkant de Beursschouwburg. Wat is dat? Op de smalle rand van de luifel staat beurshowbrug, dan bourscaubirg. Steeds is de naam anders gespeld, wel zeven, acht keer. Wie heeft dat gedaan, eindelijk word je eens van de officiële spelling verlost.
Gisteren kocht ik een spotgoedkope jas, ik zocht ’m al jaren, zwart en lang, tot ver onder je knieën. Hier in Brussel vond ik hem zonder te zoeken, met zo’n hoge kraag. Was zo opgewonden dat ik helemaal vergat in de spiegel te kijken. Dat deed ik pas in de volgende winkel. Je koopt iets hier en je kijkt pas daar.
Thuis denk ik nog aan de showbrug, de caubirg, iets verkeerd begrijpen als norm. Het niet meer verbeteren, nieuwe mogelijkheden, fouten zo laten en onbegrip wordt deugd, ik lach.
Hoe zal ik verdergaan met m’n bundel? Nu naar het model van Balthus in de Morvan, of komt het dan net iets te vroeg tevoorschijn. Een fietstocht in de oorlog?

De zoevende banden, hier zitten ze nog om de wielen, niet van gummi, als in de stad. Zoef, zoef, daar kun je zo lekker op denken, misschien komen we wel nooit meer ergens aan, of anders blijven we hier voorgoed, m’n gedachten gaan alle kanten op.

Of eerst de jongen die begint te huilen en dan legt het meisje haar handen op z’n ogen?

 

Copyright © 2013 K. Schippers

Uitgeverij Querido

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum