Leesfragment: Wapenbroeders

04 maart 2013 , door A.L. Snijders

11 maart verschijnt Wapenbroeders, de zevende bundel met zeer korte verhalen van A.L. Snijders. Wij publiceren twee zeer korte verhalen voor - 'Berouw' en 'Bad' - en een illustratie van Roland Sips. 'In het Hilton nam ik een belangrijk besluit, ik zou een bad nemen, voor het eerst in zeventig jaar. Het duurde lang voordat er genoeg water in zat, maar wat me vooral trof was dat mijn hoofd droog bleef – dat vind ik een nadeel van het bad. Het hoofd heeft een douche nodig, het lichaam een bad.'

 Voordat A.L. Snijders zijn naam vestigde als de godfather van het door hemzelf in het leven geroepen subgenre van het ZKV – het Zeer Korte Verhaal – schreef hij columns voor Het Parool. Snijders werd als ‘meester in de beperking’ geëerd toen hem in 2010 de Constantijn Huygensprijs werd toegekend. Snijders weet als geen ander het alledaagse tot literatuur te transformeren, en andersom.

Snijders over illustrator Roland Sips (1954-2012): 'Twintig jaar geleden mocht de kunstschilder Roland Sips van het Kröller-Müller Museum geruime tijd in Zuid-Frankrijk wonen om het licht van Vincent v. G. te bestuderen. Hij woonde in Het Gele Huis, waar een ijskast stond die bij het uitschakelen Zarathustra zuchtte. Roland S. schrijft mij dat zijn vriendin Unverzagt dit verhaal zou kunnen bevestigen, als ik hem niet zou geloven. Maar ik geloof hem wel degelijk.'

We publiceerden eerder voor uit Vijf bijlen, en bespraken Een handige dromer.

 

31.01   Berouw

Een maand geleden heb ik de vrouw van de eerste secretaris aan de Japanse ambassade ontmoet. Het was bij een concert in het Nutshuis aan de Riviervismarkt in Den Haag. Het was een dubbele verrassing, ik wist niet dat er zo’n mooi woord als Riviervismarkt bestond, en ik had ook nooit kunnen denken dat ik nog eens zou praten met iemand van de Japanse ambassade. Het was trouwens een Nederlandse vrouw, en ze was geïnteresseerd in het korte verhaal, ze las nooit romans. Ze las een verhaal zoals een architect een huis bekijkt. Ze had het over zinnen die gestut werden, en over alinea’s die een fundament vormden. Maar wat ze voornamelijk zocht was de kernzin van een verhaal, de zin die alle aandacht naar zich toe trok. Ik vroeg haar om een voorbeeld. Ze wist hem niet uit haar hoofd, maar ze had net ‘De inbreker van Shady Hill’ gelezen en zou me de zin toesturen. Tot mijn verbazing deed ze het. Ik ken het bewuste verhaal van John Cheever, het gaat over een man die zijn baan verliest en aan de grond dreigt te raken. Niemand weet iets van zijn geldzorgen, ook zijn vrouw niet. ’s Nachts na drieën gaat hij uit stelen bij zijn buren. Hij heeft daarover veel berouw, het is een verhaal over het berouw.
De zin die de vrouw van de eerste secretaris me toestuurt, is inderdaad een prachtige zin. Ik ben het met haar eens, het is de kernzin. De berouwvolle huisvader, die nu tot het gilde van zakkenrollers en tasjesrovers behoort, heeft het woord.

Ik ging met mijn gewone trein naar huis en keek uit het raampje naar een vredig landschap en een lenteavond, en ik had het gevoel dat vissers en eenzame zwemmers en bewakers van spoorwegovergangen en mensen die op een zandland aan het ballen waren en geliefden die zich niet schaamden voor hun verdrijf en eigenaren van kleine zeilboten en oude mannen die bezique speelden in brandweerkazernes degenen waren die de grote gaten dichtnaaiden die er door mannen zoals ik in werden gemaakt.

Ik antwoordde de vrouw van de secretaris dat ik dezelfde keus had gemaakt, maar dat ik nog een stap verder wilde gaan: ik zou eigenaren van kleine zeilboten als de kern van de kernzin willen beschouwen.
Maar hier had ik de grens van onze eendracht overschreden, tussen deze vrouw en mij zou het nooit iets worden op het deftige terrein van de interpretatie. Ze vroeg op snibbige, zelfs geïrriteerde toon hoe ik eigenaren van kleine zeilboten in hemelsnaam als een kern kon beschouwen in een reeks van volstrekt gelijkwaardige constituenten. Op grond van persoonlijke, dus oncontroleerbare, esthetische opvattingen, schreef ik terug. Eigenaren van kleine zeilboten waren het meest weerloos in deze reeks, zij zouden het eerst vermorzeld worden in de grote botsing der tijden.
De vrouw van de secretaris zweeg gepikeerd na deze literaire misstap, ik hoorde niets meer van haar.

 

02.10   Bad

Zouden ze in Den Haag iets van paasvuren weten? Ik was uitgenodigd om iets voor te lezen in een villa op Scheveningen. Daaraan voorafgaand mocht ik eten en slapen in het Hilton hotel. Het eten was heerlijk, hoewel ik later van andere schrijvers hoorde dat het heel slecht was. Ze legden uit waarom, maar ik bleef met terugwerkende kracht tevreden. Confrontaties en misverstanden. Na het eten kwam de kamer. Ik logeer tegenwoordig wel eens vaker in een hotel, maar deze keer was de luxe opvallend, vooral de badkamer maakte me nederig, nooit heb ik voor een grotere spiegel gestaan. Ik douche me in het dagelijks leven elke ochtend, kort, twee à drie minuten, dat is genoeg, mijn kop wordt nat en de rest ook. Bovendien is het goed voor het milieu en mijn portemonnee. Voor elke diepliggende beslissing is een oppervlakkig excuus. In het Hilton nam ik een belangrijk besluit, ik zou een bad nemen, voor het eerst in zeventig jaar. Het duurde lang voordat er genoeg water in zat, maar wat me vooral trof was dat mijn hoofd droog bleef – dat vind ik een nadeel van het bad. Het hoofd heeft een douche nodig, het lichaam een bad.

In de villa op Scheveningen las ik een kort verhaal voor over een paasvuur.

Bij het paasvuur van Klein Dochteren, dat brandde als een middeleeuwse stad, rende een meisje rond van een jaar of acht. De andere kinderen bewogen zich in groepen, maar zij was alleen en watervlug. Toen het vuur zo heet was geworden dat je er in je angst een draak in zag, gooide zij nog takken in de hel. Ze hield het midden tussen een jongen en een meisje, maar ze heette Valérie. Plotseling ging ze op haar rug in het gras liggen, heel stil, alsof ze dood was. Er kwam een vrouw aanlopen die ik voor haar moeder hield. Ze ging op dezelfde wijze in het gras liggen. Ik hoorde haar tegen het kind zeggen: ‘Ik wil dezelfde dingen zien als jij.’

 

 

Door Roland Sips. Uit: A.L. Snijders, Wapenbroeders.
Illustratie: Roland Sips

AFDH Uitgevers

MINDBOOKSATH : athenaeum