Leesfragment: Welkom thuis

27 november 2015 , door Edwin Winkels

21 mei verschijnt Welkom thuis, de debuutroman van journalist Edwin Winkels, bij Nijgh & Van Ditmar. Wij publiceren een fragment voor: 'De Antillianen hadden hem op een parkeerplaats op de snelweg uit hun busje gedropt, dit was het dichtste bij dat ze konden komen, zeiden ze. Hij kon er een ingang naar Nesselande vinden. De oude A-12 was door de kruiende massa van een nieuwe ijstijd getroffen, schotsen asfalt staken de lucht in, wrakken van auto’s stonden tegen de vangrails gedrukt.'

Twaalf jaar na zijn laatste bezoek moet emigrant Harmen Turksma dringend naar Nederland om zijn stervende vader bij te staan, maar het land heeft zich hermetisch van de buitenwereld afgesloten. Als hij er vanuit België in slaagt Zeeland in te komen is zijn einddoel Friesland nog ver weg: reizen binnen Nederland zelf blijkt ook nagenoeg onmogelijk...

Wat volgt is een surrealistische tocht door een verscheurd land, langs talloze bekende plaatsen die doorgaans onherkenbaar veranderd zijn. Turksma treft een geïsoleerde en ontwortelde samenleving aan waar hij niet alleen zoekt naar zijn ‘roots’, maar ook naar de verloren waardigheid en tolerantie. Een beklemmende odyssee van absurd geweld, ontluikende liefde, wassend water en behulpzame mensen. Een énkele reis, waarschuwt iedereen hem: Turksma is Nederland dan wel íngekomen, hij zal er nooit meer uít kunnen.

 

Báng! Gegil in de coupé. Enkele heftige knallen. Turksma keek opzij, zag stenen op de trein af komen. Mannen hingen in de hekken, volwassen kerels, maar ook jongens, met stevige klinkers in de handen. Sommigen klauterden een stukje met de trein mee, en langzaam werd het drukker langs het spoor, menselijke gestalten tekenden zich af tegen het wolkendek, sommigen met lange stokken die ze tussen de spijlen van het hekwerk staken. Alsof ze daarmee een trein konden doen stoppen. Het veroorzaakte een voortdurend geratel, dat samen met de impact van de stenen steeds luidruchtiger werd. Het leken mensen van hier, maar het zouden net zo goed Polen of Roemenen kunnen zijn. Ze waren in ieder geval blank. Het ging te snel om ze goed te zien. Ze hadden gescheurde spijkerbroeken en truien aan, of slechts enkele lappen stof om de magere lichamen.
‘Geen paniek!’ Een van de bewakers rende door de coupé. ‘Blijf bij de ramen weg.’
De woede die Turksma in de gezichten zag, was verontrustend. Alsof de menigte de wil en de kracht had alles op weg naar het doel te vernietigen. En dat doel was hij. En waren de mensen om hem heen. Sommige passagiers keken niet op, waren bang, of leken het gewend. Reizigers van alle leeftijden, tieners en bejaarden, mannen en vrouwen. Een trein als waarin hij al zo vaak had gezeten, vroeger. Hij keek naar de huizen achter de furie en dacht dat het Gouda moest zijn.
Bij het station hadden ze hem er al voor gewaarschuwd. De kooi was in principe veilig over het hele traject, maar ze probeerden het altijd weer. Al was het alleen maar om je aan het schrikken te maken. Het moest een van de zwaarste banen zijn, het spoor bewaken. De Molukkers hadden zich het werk toegeëigend, niemand anders wilde het doen, en als beloning mochten ze in de witte wijken wonen, had de reiziger tegenover hem verteld, een man van middelbare leeftijd die nu in zijn beeldscherm was verdiept en nauwelijks aandacht besteedde aan de hysterie. Om de kilometer hadden de Molukkers iemand staan, zwaar bewapend in een hok om te kunnen schuilen voor de regen en de agressie van buiten. Liep de poging tot sabotage ergens uit de hand, dan werd er om versterking gevraagd. In het begin hadden ze op iedereen geschoten die op de kooi klauterde, nu beseften ze dat het meer een spelletje was, het tijdverdrijf voor het uitschot. Zoveel treinen kwamen er op een dag niet voorbij.
Aan het loket in Nieuwerkerk had Turksma een enkeltje Leidsche Rijn gekocht. Het was het eerstvolgende station, hij moest rekening houden met anderhalf uur reistijd, echt snel kon de trein niet, met een soort sneeuwschuiver voorop om de geworpen stenen van het spoor te verwijderen. Veel stations waren er niet, zag hij op de trajectkaart. Prinsenbeek-Haagse Beemden in Breda, Leidschenveen-Ypenburg bij Den Haag, de Grote Wielen in Den Bosch, Hilversum-West… Enkele andere namen waarvan hij nooit had gehoord. Naar Amsterdam-IJburg liep een stippellijn, in aanbouw, of nooit afgemaakt. De trein, een dubbeldekker met te smalle middenpaden en trapjes en onhandige deuren bij de ingang van de coupés, was een oud model van begin deze eeuw. Bij zijn laatste bezoeken aan Nederland was Turksma al steeds minder met de trein gegaan, te vaak had hij de smeulende agressie voelen broeien, nooit meer keek hij iemand aan die in het gangpad voorbijkwam.
De Antillianen hadden hem op een parkeerplaats op de snelweg uit hun busje gedropt, dit was het dichtste bij dat ze konden komen, zeiden ze. Hij kon er een ingang naar Nesselande vinden. De oude A-12 was door de kruiende massa van een nieuwe ijstijd getroffen, schotsen asfalt staken de lucht in, wrakken van auto’s stonden tegen de vangrails gedrukt. Bijna een uur deden ze zigzaggend over het stukje tussen Schiebroek en het verwoeste Shellstation. Harmen had er afscheid genomen van Juan, die was meegekomen; zag hij eens iets anders dan de Lijnbaan en Crooswijk. Juan had hem een oude telefoon gegeven, er zat wat saldo op de kaart. En zijn nummer, natuurlijk, je wist het nooit. Binnen Nederland bellen ging wel, of binnen delen van Nederland.
‘Weet je het zeker?’ had Juan gevraagd. De Spanjaard was niet de eerste die het vroeg.
‘Ja, ik weet het zeker.’
‘Alleen maar om die erfenis?’
‘Ja Juan, om het geld, de bezittingen, zo zijn we toch? Moet ik dat aan de buren in Anjum en Morra laten? Of de kerk? Het is het land van de Turksma’s, al eeuwenlang.’
Ze hadden elkaar lang omhelsd. ‘Weet je nog, Juan, dat die mannen in de haven in het begin dachten dat we homo’s waren, dat je altijd zo veel aan mij zat, dat fysieke contact. Niet normaal, altijd maar aanraken. Mijn beppe had mijn dochters jaren niet gezien, weet je hoe ze hen begroette? Met een uitgestoken hand. De meiden waren verbijsterd, waren hun Argentijnse abu gewend, altijd knuffelen, elke dag weer. Is dat familie, papa, vroegen ze me.’
De zwaarbewaakte toegang tot Nesselande lag boven op een met hekken gekroonde geluidswal achter het pompstation, een dijk hoger en steiler dan die aan de kust. Nederland had zich altijd met dijken, wallen en muren beschermd, tegen water, lawaai en andere vijanden. Turksma was blank, dus mocht hij zonder problemen de Vinex-wijk in. Ze hadden niet gezien dat hij uit een busje met Antillianen was gestapt. Hij had wel zijn papieren moeten tonen en vermelden wat hij ging doen. Naar het station, had hij gezegd. Voor hem ontvouwde zich een reuzenwijk van misschien net tien jaar oud, rijtjeswoningen van de eenentwintigste eeuw. Kinderen speelden met rubberen laarsjes aan in de motregen op straat, vanachter de ramen lachten bewoners hem toe, om de straat kwam hij een politieagent of andere buurtwachter tegen, van iedereen mocht hij doorlopen. Af en toe vroeg hij de weg naar het station.
Báng! Opnieuw. De geblokkeerde wielen gierden nu over de rails, het geluid sneed door het gehoor als de kreet van een vrouw in nood. Tien seconden duurde het, niet meer, toen stond de trein stil. Turksma was over de man tegenover hem gevallen. Hij stond op, net als de mensen om hem heen, sommigen met een bebloed gezicht, anderen tastten naar hun buik of knie. Buiten was er geschreeuw, er klonken knallen, schoten. De coupédeur vloog weer open. Een langharige en bebaarde man, zwartgeblakerd alsof hij zojuist uit het vagevuur was gesprongen, stampte met een kapmes door het gangpad. Een grijzende passagier keek op. De punt van het zwaaiende mes raakte haar in de hals. Ze viel tegen het raam terwijl een fontein van bloed het plafond bespoot. De moordenaar was alweer een paar stappen verder, keek achterom en zag twee Molukkers de wagon binnenstormen. Turksma verschool zich snel op zijn knieën tegen de stoel van zijn medepassagier, beiden uit het zicht van de wilde. Hij haalde het pistool onder zijn broekriem vandaan. Het enorme lemmet verscheen eerder dan de woeste blik van de man zelf, uit een verre, onbekende wereld keek hij even op hen neer. Toen klonk er een schot, en nog een. Daarna het snelle geratel van een automatisch wapen. De dreigende ogen zagen niets meer, het mes gleed uit de handen van de man terwijl zijn lichaam tegen de volgende rij stoelen in elkaar zeeg.
‘Alles goed, heren?’ Een van de Molukkers sprak hen aan met een brede lach, versterkt door een knipoog.
‘Daar zat een mevrouw,’ wees Turksma naar de voorste stoelen. Ja, die hadden ze gezien. Ze bleef er liggen, tot het eerstvolgende station. Ze konden niks meer voor haar doen. De bewakers pakten de indringer elk bij een voet en sleepten hem terug in de richting vanwaar hij levend vandaan was gekomen.
Buiten zag Turksma mannen langs het spoor rennen. Langzaam nam de frequentie van de schoten af, tot het stil werd rond de trein. Passagiers kwamen omhoog en keken elkaar aan. Buiten, rechts, stonden rode runderen grazen. Veel ruimte hadden ze niet, het land was daar een lappendeken, gescheiden door ontelbare slootjes die kaarsrechte lijnen naar de horizon trokken. Aan de andere kant van een sloot stonden twee oerlelijke honden te blaffen, vals ontblootten ze hun tanden. Een conducteur verscheen in de coupé, hij keek heel even naar de stroom bloed die voor zijn glanzende zwarte schoenen het gangpad overstak. Ze waren net Papekop voorbij, zei hij, en vanaf een viaduct was een enorm rotsblok op het spoor gegooid; de kooi was er niet tegen bestand geweest, de outlaws waren naar binnen geglipt, maar inmiddels door de bewakers uitgeschakeld. Er zou nu met de grote schuiver op de locomotief geprobeerd worden het rotsblok te splijten, of iedereen zich dus goed wilde vasthouden. En hij stapte over de bloedplas heen en toog naar de volgende wagon. Krakend reed de trein even later naar achteren. Turksma zag drie, vier dode mannen voorover langs het spoor liggen, een gapende wond in de nek. Na een tijdje stopte de trein en ging hij weer vooruit. Gespannen wachtte iedereen op de botsing, die verrassend onverwacht kwam. Báng! Weer rolden mensen over stoelen. Opnieuw kwam de trein tot stilstand en reed hij achteruit. En zo drie keer. Bij de vierde poging lukte het. Toen de trein langzaam verder kon, zag Turksma aan beide kanten van de trein grote delen van het rotsblok.
‘Zo erg had ik het nog niet meegemaakt.’ De man tegenover hem tilde zijn voeten op, onder hen liepen fijne straaltjes bloed. De reiziger leek met zijn brilletje, boek, aktetas en middellang haar op een universiteitsdocent, eentje die in de explosie van geweld niet in paniek was geraakt, zich slechts stil had gehouden. Hij deed niet verontwaardigd over de doden, de vrouw die in een flits van een seconde van de wereld was gevaagd. Turksma had niet de moed haar van dichtbij te bekijken. Niemand deed dat.
‘Maar u lijkt er nou niet echt van ondersteboven,’ antwoordde hij.
‘U wel?’
‘Ja… Tuurlijk. Dat bloed. De vermoorde onschuld.’
‘Onschuld? Die zijn we met z’n allen allang verloren. Niemand is onschuldig meer. Ooit waren we vrij, we hebben het zelf verknald. Jezus, alsof u in een andere wereld leeft.'

[...]

 

Copyright © Edwin Winkels 2013
Copyright auteursportret © Rob Becker

Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum