Leesfragment: Zes maanden in de Siberische wouden

27 november 2015 , door Sylvain Tesson

Zes maanden in de Siberische wouden van Sylvain Tesson is één van onze zomerboeken. Wij publiceren een fragment: 'De blokhut, koninkrijk van de vereenvoudiging. Onder de naaldbomen beperkt het leven zich tot hoofdzaken. De tijd die aan de dagelijkse karweitjes wordt ontfutseld, wordt besteed aan uitrusten, nadenken en kleine geneugten. Het scala van dingen die moeten is beperkt. Lezen, water halen, houthakken, schrijven en thee schenken worden rituelen. In de stad gaat elke handeling ten koste van talloze andere. Het bos bundelt wat de stad versnippert.'

Sylvain Tesson had een belangrijk doel in zijn leven: nog voor zijn veertigste wilde hij ervaren hoe het is om als kluizenaar te leven, diep in het bos. Het is een man die houdt van extremen en dus besluit om zes maanden in een hut te gaan wonen, gelegen aan het Baïkalmeer in Siberië. Het dichtstbijzijnde dorp is 150 kilometer verderop, ‘s winters vriest het er tot -30°C en ’s zomers lopen er beren rond. En toch is het leven er prachtig. Zes maanden in de Siberische wouden is zijn relaas van een periode zonder alle stress van ons drukke en moderne bestaan.

15 februari

Mijn eerste avond alleen. Eerst durf ik me nauwelijks te verroeren. Ik ben verdoofd door het vooruitzicht van de dagen die voor mij liggen. Om tien uur ’s avonds wordt de stilte door hevige knallen verbroken. Het is warmer geworden, er hangt sneeuw in de lucht, het is nog maar -12°C. Als de Russische artillerie het meer zou platbombarderen, zou de blokhut niet erger staan te trillen dan nu. Ik ga in de avondluwte naar buiten om te luisteren naar de mokerslagen. Het zijn de stromingen die het ijsveld in beweging brengen.
Het opgesloten water worstelt om bevrijd te worden. Alles wat daar leeft (vissen, bloemen en algen, zeezoogdieren, geleedpotigen en microben) wordt door het ijs van de hemel gescheiden. Het vormt een scherm tussen het leven en de sterren.
De blokhut is drie bij drie meter. De verwarming bestaat uit een gietijzeren houtkachel. Die zal mijn vriend worden, mijn metgezel wiens geronk ik voor lief neem. De kachel is de spil van de wereld. Daaromheen wordt alles georganiseerd. Het is een kleine god die zijn eigen leven leidt. Als ik hem een offergave van houtblokken schenk, breng ik een eerbetoon aan de Homo erectus, die het vuur meester werd. In zijn Psychanalyse du feu bedenkt Bachelard dat het idee om twee stokjes tegen elkaar aan te strijken en zo een hoopje gras aan te steken was afgeleid van de bewegingen van de lichamelijke liefde. Door te neuken zou de mens op het idee zijn gekomen hoe hij vuur moest maken. Goed om te weten. Dus als ik het niet meer hou, moet ik naar de gloeiende kooltjes kijken.

Ik heb twee ramen. Het ene kijkt uit op het zuiden, het andere op het oosten. Vanuit het tweede raam zijn de besneeuwde kammen van Boerjatië te zien, op honderd kilometer afstand. Door het eerste kan ik achter de takken van een omgevallen spar de kromming van de baai volgen, die een bocht naar het zuiden maakt.
Mijn tafel staat pal voor het raam op het oosten en neemt, op zijn Russisch, de volle breedte ervan in beslag. De Slaven kunnen uren blijven kijken naar de druppels op hun ramen. Soms staan ze op om een land binnen te vallen of een revolutie te maken, en daarna gaan ze weer zitten mijmeren voor hun vensters, in snikhete kamers. ’s Winters drinken ze eindeloos thee en hebben ze weinig aanvechting om naar buiten te gaan.

16 februari

Twaalf uur, buiten.
De hemel heeft de taiga bepoederd. Het bronsgroen van de ceders krijgt door de poedersneeuw een fluwelen glans. Winterwoud: een zilveren bontjas om de schouders van het reliëf. De golvende vegetatie bedekt de hellingen. Bomen hebben de drang om alles te overwoekeren. Het bos, een trage deining. In elke plooi van het reliëf wordt het schuimige wit op de boomkruinen door zwarte strepen onderbroken. Waarom houdt de mens meer van abstracte drogbeelden dan van de schoonheid van een sneeuwkristal?

17 februari

Vanmorgen verscheen de zon om 8.17 uur boven de kammen van Boerjatië. Een straal die door het raam naar binnen viel, bescheen de ruwe balken van de hut. Ik lag in mijn slaapzak. Het leek of het hout bloedde.
De kachel gaat ’s nachts om een uur of vier uur uit. Bij het aanbreken van de dag vriest het in de kamer. Dan is het zaak om op te staan en het vuur aan te maken – twee handelingen die de overgang van de mensachtige naar de mens markeren. Ik begin mijn dag met het aanwakkeren van de kooltjes. Daarna kruip ik weer in bed totdat de hut een warm eitje is.
Vanmorgen vet ik het wapen in dat Sergej heeft achtergelaten. Het is een lichtkogelpistool, zo’n ding dat zeelieden in nood gebruiken. De verblindende hoeveelheid fosfor die uit de loop komt, schrikt beren en indringers af.
Ik heb geen jachtgeweer en ben ook niet van plan om te gaan jagen. Ten eerste is dat in het natuurreservaat verboden. En bovendien zou ik het ongelooflijk onbeschoft vinden omde levende wezens in de bossen waar ik te gast ben overhoop te schieten. Wie vindt het nou leuk om door een vreemdeling te worden aangevallen? Ik heb er geen last van dat wezens die beter gemaakt, nobeler en anders gebouwd zijn dan ik, vrij tussen de hoge stammen rondstruinen.
Het is hier geen koninklijk jachtdomein. Wanneer stropers jachtopzieners tegen het lijf lopen, staan ze meteen met hun blaffer klaar. Sergej gaat nooit zonder zijn geweer op stap. Her en der langs het meer liggen graven waarop de namen van opzichters prijken. Simpele grafstenen van cement, met plastic bloemen en soms nog de foto van de overledene in een metalen medaillon. Stropers krijgen geen graf.
Ik denk aan het lot van de nertsen. In het bos geboren worden, de winters overleven en dan belanden in een valstrik om als bontjas te eindigen op de rug van een ouwe taart die in het bos niet langer dan drie minuten zou kunnen overleven… Als de in bont gehulde vrouwen tenminste nog de sierlijkheid zouden hebben van de marters die voor hen worden gevild… Vijf dagen geleden vertelde Sergej me een verhaal. De gouverneur van Irkoetsk deed niets liever dan in de bergen rond het Bajkalmeer vanuit zijn helikopter op beren jagen. Toen zijn Mi-8 door een rukwind kapseisde, sloeg het toestel te pletter. Resultaat: acht doden. Sergej: ‘De beren hebben waarschijnlijk de polka rond de vuurzee gedanst.’
Mijn andere wapen is een dolk die in Tsjetsjenië is gemaakt, een mooi mes met een houten heft. Ik heb hem de hele dag op zak. ’s Avonds plant ik hem in het hout boven mijn bed. Diep genoeg omte voorkomen dat hij midden in een mooie droom naar beneden valt en mijn buik doorboort.

18 februari

Ik wilde een oude strijd met de tijd beslechten. In het wandelen had ik een manier gevonden om hem te vertragen. Door de alchemie van het reizen dijden de seconden uit. Onderweg gingen ze minder snel voorbij. Ik werd door reiskoorts bevangen, moest steeds nieuwe horizonten zien. Ik raakte verzot op vliegvelden, waar alles is gericht op weggaan en vertrekken. Ik hoopte dat ik in een terminal zou sterven. Mijn reizen begonnen als een vlucht en eindigden als een race tegen de klok.
Twee jaar geleden kreeg ik bij toeval de kans om drie dagen door te brengen in een blokhut aan de oever van het Bajkalmeer. Ik mocht logeren bij Anton, een jachtopziener, in de piepkleine isba waarin hij op de oostelijke oever van het meer woonde. Hij was verziend en zijn brillenglazen maakten zijn ogen groter, waardoor hij iets van een vrolijke kikvors had. ’s Avonds schaakten we, overdag hielp ik hem met het ophalen van de netten. We praatten nauwelijks, lazen veel – ik Huysmans, hij Hemingway, wat hij uitsprak als ‘Rheemingvaj’. Hij dronk liters thee, ik ging wandelen in het bos. De zon stroomde in het hutje naar binnen, ganzen vluchtten weg voor de herfst. Ik dacht aan mijn familie en mijn vrienden. We luisterden naar de radio: de nieuwslezeres kondigde de temperaturen in Sotsji aan. ‘Het zal daar wel prettig zijn, aan de Zwarte Zee,’ zei Anton. Zo nu en dan wierp hij een blok hout in de kachel en als de dag erop zat, haalde hij het schaakbord tevoorschijn. We dronken glaasjes wodka uit Krasnojarsk en verschoven onze stukken. Ik speelde altijd met wit, ik verloor vaak. Die eindeloze dagen gingen snel voorbij. Toen ik afscheid nam van mijn vriend dacht ik: dit is het leven dat ik nodig heb. Als ik maar bleef waar ik was, zou ik krijgen wat het reizen me niet meer bracht: rust.

Toen nam ik mezelf plechtig voor dat ik in mijn eentje een paar maanden in een blokhut zou gaan zitten. Kou, stilte en eenzaamheid zullen in de toekomst meer waard zijn dan goud. Op een overbevolkte, oververhitte, lawaaiige aarde is een boshut een paradijs. Vijftienhonderd kilometer verder naar het zuiden gonst China. Anderhalf miljard mensen die weldra een tekort zullen hebben aan water, bos en ruimte. Leven tussen de hoge bomen aan de oever van de grootste zoetwatervoorraad ter wereld is een luxe. Op een dag zal dit doordringen tot de Saoedische oliesjeiks, de Indiase nieuwe rijken en de Russische zakenlieden, die zich in de marmeren lobby’s van hun luxehotels zitten te vervelen. Dan wordt het tijd om het een paar breedtegraden hogerop te zoeken en naar de toendra te gaan. Dan ligt het geluk boven de 60 graden noorderbreedte.
Je kan beter genieten van het leven in een ongerept bos dan verkommeren in een stad. In het zesde deel van zijn geografische encyclopedie L’Homme et la Terre wordt door Élisée Reclus – een groot anarchist en een ouderwets stilist – een briljant idee geopperd. De toekomst van de mensheid zou liggen in de ‘volledige vereniging van het beschaafde en het primitieve’. We hoeven niet te kiezen tussen onze honger naar technische vooruitgang en onze dorst naar ongerepte gebieden. Het leven in het bos is het ideale terrein voor deze verzoening tussen het archaïsche en het futuristische. Onder de hoge bomen, vlak bij de vochtige bosgrond, gaat het leven onverstoorbaar door. Je hervindt er de essentie van de maneschijn, je geeft je over aan de leefregel van het woud zonder af te zien van de weldaden van de moderne tijd. Mijn blokhut is het toneel van de bruiloft tussen vooruitgang en vroeger. Vóór mijn vertrek heb ik in het warenhuis van de beschaving een paar spullen ingeslagen die onontbeerlijk zijn voor geluk: boeken, sigaren en wodka. Ik zal er in de ruige bossen van genieten. Ik heb de gedachte van Reclus zelfs zo omarmd dat ik mijn blokhut heb voorzien van zonnepanelen. Die leveren stroom voor een kleine computer. Het silicium van mijn elektronische chips wordt opgeladen met fotonen. Kijkend naar de sneeuw luister ik naar Schubert, na het houthakken lees ik Marcus Aurelius, de visvangst voor het avondeten vier ik met een havanna. Élisée zou tevreden zijn.
In What am I doing here? haalt Bruce Chatwin Jünger aan, die weer Stendhal citeert: ‘De kunst van de beschaving bestaat uit het combineren van de verfijndste genoegens met de voortdurende aanwezigheid van gevaar.’ Daarin klinkt de oproep van Reclus door. Je moet in het leven laveren – daar gaat het om. De scheidslijn tussen tegenovergestelde werelden overschrijden. Balanceren tussen plezier en gevaar, de kou van de Russische winter en de warmte van de houtkachel. Niet vastroesten, maar steeds heen enweer bewegen tussen de twee uitersten van het hele scala van gewaarwordingen.

Door te leven in de bossen kan je je schuld vereffenen. We halen adem, eten fruit, plukken bloemen, zwemmen in de rivier en op een dag gaan we dood zonder de rekening aan de planeet te voldoen. Het leven is weglopen zonder te betalen. Idealiter zouden we ons leven moeten leiden als Scandinavische trollen die over de heide struinen zonder de struiken te vertrappen. Baden-Powells advies moeten we tot leefregel verheffen: ‘Als je ergens gekampeerd hebt, moet je twee dingen achterlaten. Ten eerste: niets. Ten tweede: je dankbaarheid.’ Het gaat erom dat we het aardoppervlak niet te veel belasten. De kluizenaar in zijn houten hutje bevuilt de aarde niet. Op de drempel van zijn isba kijkt hij hoe de seizoenen de rondedans van de eeuwige cyclus uitvoeren. Doordat hij geen machines heeft, houdt hij zijn lichaam sterk. Doordat hij van elke communicatie verstoken is, ontcijfert hij de taal van de bomen. Doordat hij niet door de televisie wordt afgeleid, ontdekt hij dat een raammeer laat zien dan een scherm. Zijn hut fleurt de oever op en biedt comfort. Op een gegeven moment zijn we het beu om alsmaar te praten over ‘krimp’ en liefde voor de natuur. We willen onze ideeën in daden omzetten. Dan is het tijd om de stad te verlaten, de discussies te laten voor wat ze zijn, en het gordijn van het bos achter ons dicht te trekken.
De blokhut, koninkrijk van de vereenvoudiging. Onder de naaldbomen beperkt het leven zich tot hoofdzaken. De tijd die aan de dagelijkse karweitjes wordt ontfutseld, wordt besteed aan uitrusten, nadenken en kleine geneugten. Het scala van dingen die moeten is beperkt. Lezen, water halen, houthakken, schrijven en thee schenken worden rituelen. In de stad gaat elke handeling ten koste van talloze andere. Het bos bundelt wat de stad versnippert.

19 februari

Het is negen uur ’s avonds, ik zit voor het raam. Een schuchtere maan zoekt een verwante ziel, maar de hemel is leeg. Ik, die elke seconde op de nek zou springen om die het mes op de keel te zetten en alles eruit te halen, ik krijg een les in bezinning. De beste manier om je te bekeren tot kloosterlijke rust is je in een situatie bevinden waarin je niet anders kan. Gaan zitten voor het raammet een pot thee bij de hand, de uren laten trekken, het landschap de kans geven om al zijn schakeringen te tonen, nergens meer aan denken en plotseling een idee dat voorbijkomt vastpakken en haastig in je notitieboekje opschrijven. Nut van het raam: de schoonheid binnennoden en de inspiratie de vrije loop laten.
Ik breng twee uur door in de positie van dokter Gachet, zoals Van Gogh hem heeft geschilderd: met een wang steunend op een hand, de blik op oneindig.
Plotseling klinkt er een toenemend gebrom in de stilte en smalle lichtbundels doorboren de duisternis. Grote auto’s rijden in noordelijke richting over het ijs. Met de verrekijker zie ik er een stuk of tien. Ze komen mijn kant op. Twintig minuten later staan er acht met reclameborden opgetuigde jeeps naast elkaar op het strand. Het zijn notabelen uit Irkoetsk, leden van Poetins partij Jedinaja Rossija, die in acht dagen het meer rondrijden. Ze gaan hier in tenten de nacht doorbrengen. Een paar maanden later hoor ik dat er een lid van de fsb, een paar naaste medewerkers van de gouverneur en de directeur van een natuurreservaat bij waren. Hun banden hebben de sneeuwhelling naar het strand omgeploegd. Die kerels lijken volstrekt geen oog voor de poedersneeuw te hebben. Wie op de sneeuw loopt kan de maagdelijkheid van de wereld niet verdragen. Het begint met het omploegen van witte hellingen, daarna worden de Polen afgeslacht.
De motoren ronken. Transistors braken Nadja uit, een op de universeel geworden smaak van beginnende pubers afgestemde lolita, waar de Russische boerenkinkels verzot op zijn. Ik ben verbijsterd.
Ik sluit me op in de hut en probeer mijn zenuwen met 250 ml Kedrovaja-wodka tot bedaren te brengen. Ik hoor de kinkels brallen op het ijs. Ze hebben een gat geboord en in het schijnsel van een cameralamp springen ze om beurten brullend in het ijskoude water. Slap aftreksel van een rekrutenontgroening in een Tsjetsjeense kazerne.
Wat ik hier juist probeer te ontvluchten is op mijn eilandje neergestreken: het lawaai, de lelijkheid, het door testosteron opgezweepte kuddegedrag. Daar zit ik dan, arme ziel, met mijn verhalen over zelfverkozen isolement en mijn exemplaar van de Rêveries van Jean-Jacques Rousseau op tafel! Ik moet denken aan die benedictijner kluizenaars die toeristische rondleidingen moeten geven – die monniken die zich met hun geloof in kloosters hebben teruggetrokken en opeens de regel van de heilige Benedictus aan onverschillige drommen moeten uitleggen.
In de vierde eeuw werden de woestijnvaders gek van eenzaamheid: ze konden niemand meer om zich heen verdragen. Ze trokken zich zo ver mogelijk terug in verlaten gebieden, waar ze zich in grotten verstopten. Hun opgespaarde liefde wijdden ze aan een wereld zonder medemensen. In de voorsteden gebeurt het soms dat iemand opeens een kogelregen op een groep jongeren bij een flatgebouw afvuurt. Die eindigt als kort bericht in Le Parisien en verdwijnt dan achter de tralies.

Om af te koelen ga ik naar buiten en loop het meer op, terwijl de Russen zich vermaken met skijöring en zich door auto’s laten voorttrekken. Ik loop twee kilometer in de richting van Boerjatië en ga languit op het ijs liggen. Ik lig op een vloeibaar fossiel van vijfentwintig miljoen jaar oud. Sommige sterren in de lucht gaan nog honderd keer zo ver terug in de tijd. Ik ben maar zevenendertig en ik ga weer naar binnen, want het is -34°C.

 

Copyright © 2011 Sylvian Tesson/Éditions Gallimard
Copyright Nederlandse vertaling © 2012 Eef Gratama/ bv Uitgeverij De Arbeiderspers, Utrecht
Oorspronkelijke titel: Dans les forêts de Sibérie

MINDBOOKSATH : athenaeum