Leesfragment: Alles wat solide was

27 november 2015 , door Antonio Muñoz Molina
| |

Op 10 april verschijnt Antonio Muñoz Molina's Alles wat solide was, een essay waarin hij onder andere over zijn tijd als Writer in Residence in Amsterdam schrijft. Wij publiceren voor. 'Vanaf het plein stijgen de stadsgeluiden omhoog: de vibratie en het geklingel van de tram, fietsbellen, af en toe optredens van straatmuzikanten, het voortdurende geroezemoes van mensen in de cafés met de straatdeuren wagenwijd open, dat in de weekenden 's avonds aanzwelt tot een hels kabaal, vooral op vrijdag. Maar omdat er geen versterkers zijn wordt de herrie niet onverdraaglijk.'

In dit gepassioneerde essay doet Molina concrete voorstellen om uit de huidige economische crisis te komen, waardoor je direct je handen uit de mouwen zou willen steken. Deze vertelling in de loepzuivere stijl van George Orwell en Virginia Wolf is een lucide analyse en een warm pleidooi voor kennis, de enige weg die naar ware verandering kan leiden. Molina analyseert de achterliggende oorzaken van de economische neergang en pleit voor redelijkheid en respect, zonder de bittere waarheid te verhullen.

98

Tenzij je een cynicus bent of een gewetenloze schurk, geneest het hebben van kinderen je van apocalyptische verleidingen, van die obligate woede waarmee sommige ouderen verbitterd door de gebreken van hun leeftijd en het naderen van de dood zouden willen dat de wereld hen niet overleeft. Wat je graag wil is dat de veranderingen die wellicht komen niet catastrofaal zijn en dat je kinderen een behoorlijk leven hebben, zoals de meeste mensen zich voorstellen en wensen, met uitzondering van psychopaten en visionairs.

Camus zegt dat het geruststellende weten dat de volmaakte septembermiddagen zullen blijven bestaan als wij er niet meer zijn je verzoent met de dood. Ik zou willen dat mijn kinderen en de mensen van wie ze houden geen slechter leven hebben dan dat wat ik heb gehad, dat ze niet minder kansen krijgen, geen giftiger lucht hoeven in te ademen, niet hoeven te werken als slaven of meedogenloos moeten wedijveren of zich verdedigen achter geblindeerde deuren en hoge cementen muren, noch dat ze geplaagd worden door angst voor een ongeneeslijke ziekte of medische behandelingen die ze niet kunnen betalen.

Wat zou het fijn zijn als ze door Europa konden blijven reizen zonder bij de grens te worden aangehouden, of bang te hoeven zijn dat ze hun paspoort of visum moeten laten zien; als ze nooit trouw hoeven te zweren aan een dictator of in een menigte een demagoog hoeven toe te juichen, als ze hun gedachten niet hoeven te verbergen of moeten zeggen wat ze niet denken.

99

In de Amerikaanse kranten stond dat Spanje, op de rand van het bankroet, door de crisis een somber land was geworden. Er werden foto's gepubliceerd van spookachtige nieuwbouwwijken waar niemand woonde, of waar een handjevol bewoners zich 's nachts opsloten uit angst voor plunderaars die het voorzien hadden op het koper van de elektrische leidingen in de lege huizen. Op een foto in de New York Times zag je in een leeg restaurant het peinzende gezicht van een oude ober die niemand had om te bedienen.

Ik was bang om weer naar Spanje te gaan. In het vliegtuig terug wilde ik, toen het moment van de landing naderde, mijn gevoelens bij aankomst in mijn geheugen vastleggen, de doffe kleuren van het landschap. Te lang was ik opgegaan in mijn fantasiewereld, ikzelf was net zo goed medeplichtig aan de lange Spaanse onwerkelijkheid. In Madrid verbaasde het me dat niemand veranderd leek en dat stelde me weer een beetje gerust. De terrassen zaten vol op die eerste hete zomeravonden. Het was waar dat er bij mij in de buurt een paar winkels gesloten waren en dat er in sommige panden waar vastgoedbedrijven in gevestigd waren nu fruithandels zaten, bijna allemaal gerund door Chinezen. Overal hingen aanplakbiljetten en reclamestickers van bedrijfjes die adverteerden met de inkoop van goud. In de calle Montera en op de Puerta del Sol deelden migrantenjongeren in reflecterende jasjes strooibiljetten uit waarop de beste inkoopprijzen van goud werden geboden.

100

Ik ben nu iets meer dan twee weken in Amsterdam. Ik heb nog bijna een hele maand voor me. Een semi-overheidsstichting die buitenlandse schrijvers naar Nederland haalt heeft me een mooi appartement in het centrum van de stad ter beschikking gesteld in ruil voor maar heel weinig verplichtingen. Het was een opluchting in het milde Nederlandse klimaat te komen na een augustusmaand vol branden en extreme hitte in Spanje. Bijna vanaf de eerste dag zat ik in een prettige routine. 's Morgens lange verkenningstochten door de stad, lopend of met de fiets. 's Middags, tot laat in de avond, werk ik. Na vele jaren waarin we hetzelfde beroep uitoefenen kunnen mijn vrouw en ik ons elk op ons eigen werk concentreren, apart maar wel in dezelfde ruimte, in dit geval een ruime, lichte kamer die een keuken en een werkkamer omvat. Met haar rug naar me toe, in de werkkamer, schrijft zij. Ik heb mijn laptop op de keukentafel gezet en schrijf voor een raam met uitzicht op de gevels en daken van de huizen aan de overkant, met verderop de westelijke hemel. Vanaf het plein stijgen de stadsgeluiden omhoog: de vibratie en het geklingel van de tram, fietsbellen, af en toe optredens van straatmuzikanten, het voortdurende geroezemoes van mensen in de cafés met de straatdeuren wagenwijd open, dat in de weekenden 's avonds aanzwelt tot een hels kabaal, vooral op vrijdag. Maar omdat er geen versterkers zijn wordt de herrie niet onverdraaglijk.

Terwijl je schrijft, verdiept in je werk, is het alsof je op de achtergrond de zee hoort. Omdat de ramen in Amsterdam groot zijn en er geen gordijnen voor hangen kan ik als ik schrijf fragmenten van levens in de huizen aan de overkant zien: een kamer die er comfortabel uitziet met een wand vol boeken; een lege woonkamer met kale muren waar overdag metselaars en schilders bezig zijn. Soms loop ik naar het raam en kijk een tijdje naar de straat. Het is een eindeloos bewegend schouwspel: voetgangers, fietsers, cafébezoekers, vuilnisophalers, verdwaalde toeristen die op een kaart kijken. Een van de eerste dagen ontdekte ik tijdens een wandeling bij toeval het beeld van Baruch Spinoza, in de Joodse buurt waar eeuwenlang zo veel afstammelingen van de uit Spanje verdreven Joden woonden.

De stad is tegelijkertijd rustig en druk. Onvermijdelijk vergelijk ik haar met mijn twee steden, met New York en Madrid. Het voortdurende komen en gaan versterkt de gewoonte om te vergelijken. Amsterdam is een heel actieve hoofdstad en Nederland een van de rijkste en meest concurrerende landen van de wereld, maar het werk lijkt hier niet zo zenuwslopend te zijn als in New York. En ook is er niets dat aan het Amerikaanse puritanisme doet denken: de mensen drinken en roken zonder enige gêne op straat; halverwege de middag zitten er op de stoeptreetjes voor het huis mensen die naar buiten zijn gekomen om te kletsen en een glaasje wijn te drinken, en soms zetten ze een fles in een ijsemmertje op de treden. Je ziet geen extreme armoede, zoals in New York. Je ziet geen mensen die lichamelijk of geestelijk aan lager wal zijn geraakt, aan hun lot zijn overgelaten, schipbreukelingen die reddeloos gestrand zijn niet op een ver eiland maar op een bank in een stadspark of op een stoel in de metro, zo stinkend dat er een lege kring om hem heen ontstaat. Je ziet geen door artritis of misvorming kromgebogen oudjes, noch dikke monsters, bedolven onder een laag vet, reuzenbekers mierzoete frisdrank slurpend en kauwend op junkfood. Het algemeen welzijn is net zo zichtbaar als de werklust. Fietsen is een efficiënte en verantwoorde manier van bewegen, die hoort bij het dagelijkse leven, zonder de tegenzin in gedisciplineerde lichaamsbeweging zoals in de Verenigde Staten. Een aantrekkelijke vrouw met geverfde lippen en hoge hakken fietst met een sigaret in haar hand zonder het stuur vast te houden. In de cafés en restaurants spreken de obers uitstekend Engels, ze zijn niet onderdanig maar doen ook niet overdreven vriendelijk.

Anders dan in New York zijn plezier en werk geen rigoureus gescheiden werelden. Anders dan in Spanje heeft het heden zijn entree gemaakt zonder dat het beste van het verleden eronder te lijden heeft gehad. Bijna in elke straat is de zichtbare opeenvolging te zien van verschillende eeuwen. Dingen die zijn gemaakt om de tand des tijds te doorstaan zijn met de jaren mooier geworden. De meest recente zijn opgenomen in het weefsel van de stad zonder historismen of mimetismen. Een huis uit de zeventiende eeuw heeft op de begane grond een licht, onder architectuur gebouwd appartement. Op de rails, die misschien meer dan een eeuw geleden op het plaveisel of de klinkerbestrating zijn gelegd, rijden trams van een futuristische schoonheid. Bouwwerken van vier of vijf eeuwen oud wisselen elkaar af langs een gracht die nog steeds net zo'n efficiënt transportmiddel is als toen hij vierhonderd jaar geleden werd ontworpen. Smalle, scheefstaande huizen van calvinistische kooplieden, neoklassieke paleizen, pakhuizen van industriële architectuur uit de negentiende eeuw, expressionistische gebouwen uit de jaren twintig, prisma's van glas en staal zo recent dat ze nog de glans van het nieuwe hebben.

Op de fiets kan ik tot buiten het centrum komen en hier en daar zien hoe de stad probleemloos uitloopt in het open veld, of in winkelcentra en kantorenparken, in wijken met sociale woningbouw. Steden, zelfs die waar het beter begint, die nog een levendige en goed onderhouden historische kern hebben, lopen veelal over in lelijke, of heel lelijke desolate vlaktes met rotondes en winkelcentra, in buitenwijken die getto's van armoede en verval zijn.

In de buitenwijken van Amsterdam zie je het resultaat van een zorgvuldig onderhouden traditie van goede sociale woningbouw. De aarde zal nooit een paradijs worden, maar het leven van mensen kan aanzienlijk verbeterd worden als de plaatsen waar ze wonen schoon zijn en goed opgezet, met groengebieden, parken, scholen; als er goede voor iedereen toegankelijke openbare diensten zijn. De stad is geen toeristisch themapark of een museum dat stilstaat in de tijd, en daarom onpraktisch en erg onhandig voor het echte leven. Er hangt de onvermijdelijke sfeer van zorgeloosheid die inherent is aan veel drukte en levendigheid: ook de natuurlijke harmonie van wat standhoudt en vernieuwd wordt op grond van een stilzwijgende afspraak tussen heel verschillende mensen. Het is een voorbeeld van burgerlijke eendracht dat werkt. Je ziet hier niet de hinderlijke, ongeïnteresseerde hand die in onzinnige regeltjes het schilderwerk tot in detail heeft vastgelegd voor gevels of negentiende-eeuwse voluten van straatlantaarns om een zogenaamde authenticiteit af te dwingen. Elk element voldoet aan een specifiek beeld dat zich min of meer soepel met de belangrijkste motieven in het landschap verbindt. Niets is monotoon en niets knarst of piept. Wat vertrouwd en verrassend is versterkt elkaar.

Omdat er veel kruispunten en weinig stoplichten zijn, en omdat er zo veel vervoermiddelen en zo veel mensen tegelijkertijd op straat zijn, is er nauwelijks een beweging die niet om een subtiele onderhandeling vraagt, een volhouden of toegeven waarover in tienden van seconden wordt beslist en waar de vreemdeling, gewend aan steden met een meer starre discipline, zich over verbaast. Het geheim is de verkeersstromen te reguleren zonder dat die helemaal onderbroken worden; de fiets net genoeg af te remmen om de ander voorrang te geven en niet te hoeven stoppen; tegelijkertijd te letten op de tram die eraan komt en op andere fietsers en op een brommer die op dezelfde rijstrook optrekt en op een verstrooide voetganger en een vuilniswagen die is gestopt en de hele hoek blokkeert terwijl de vuilnismannen snel de zwarte zakken met afval in de laadbak gooien.

In Madrid is het normaal dat een chauffeur woedend wordt en dreigend het gaspedaal intrapt als iemand treuzelt bij het oversteken van een zebrapad, of als de bestuurder van de auto voor hem niet snel genoeg optrekt als het stoplicht net op oranje, niet eens op groen is gesprongen en iemand nog niet helemaal is overgestoken, bijna altijd een bejaarde. De aanwezigheid van de ander lijkt vaak een ondraaglijke belediging. Hem doelbewust kwetsen geeft een enorme kick: het gaspedaal dieper intrappen of de muziek harder zetten om zich op de buurman te wreken die klaagde over het lawaai; het portiek van de buurman smerig achterlaten die midden in de nacht aan een paar dronkenlappen vroeg of ze stil wilden zijn; de auto dubbel parkeren en tergend langzaam naar de bestuurder van de andere auto lopen om de chauffeur van de geblokkeerde auto nog meer te jennen. Een kleine aanmerking kan een driftige reactie uitlokken, alsof er een veer knapt die te strak gespannen is. Een paar tieners trappen een oudere man in elkaar die hen de les durfde te lezen omdat ze dingen aan het vernielen waren. Een vader of moeder verschijnt op school en valt zonder iets te zeggen de leraar aan die hun kind een slecht cijfer heeft gegeven of het wegens wangedrag tot de orde heeft geroepen. Familieleden van een patiënt die gratis is behandeld bedreigen een ziekenfondsarts of vallen hem aan omdat hij niet aan hun verwachtingen heeft voldaan. Aanhangers van een politieke partij of een stelletje dorpelingen schreeuwen moord en brand omdat ze zich collectief beledigd voelen en roepen op tot een lynchpartij als een of andere sukkel het in zijn hoofd heeft gehaald kritiek te uiten. Elke festiviteit of protestactie laat bergen afval en rotzooi achter. Stiekeme bewonderaars van terroristen bellen de weduwe van iemand die vermoord is om haar te bedreigen of te bespotten en gaan naar de begraafplaats om steeds opnieuw grafschennis te plegen. Gevangengezette terroristen hebben de gewoonte om het bericht van een nieuwe door hun maten gepleegde misdaad openlijk met champagne te vieren.

 

Nederlandse vertaling © Tineke Hillegers-Zijlmans, Frieda Kleinjan-van Braam en De Geus BV
Auteursportret © Ricardo Martín

Uitgeverij De Geus

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum