Leesfragment: Als een brandend huis

27 november 2015 , door António Lobo Antunes
| |

Op 14 oktober verschijnt Als een brandend huis van Antonio Lobo Antunes, in de vertaling van Harrie Lemmens. Wij publiceren een uitgebreid fragment. 'Ik houd niet van dit appartement, omdat ik er mezelf niet als klein jongetje in zie spelen, we hebben het gehuurd toen we trouwden en het resultaat waren onze twee zonen, jouw astma en vooral mijn onbeholpen, slappe persoontje, toen ik nog vrijgezel was nam mijn moeder me in bescherming, niet tegen mijn vader, want die zag me niet eens staan, maar tegen mijn zussen en mijn broer, ze schepte over me op tegen visite.'

De Portugese schrijver António Lobo Antunes heeft met Als een brandend huis opnieuw een meesterwerk geschreven. De roman speelt zich af in de stad Lissabon. Acht appartementen met merendeels oudere bewoners: een ex-militair die in Angola heeft gevochten, een kleine ambtenaar onder Salazar, in de jaren dertig uit Duitsland gevluchte joden, een vrouwelijke rechter, een actrice, een kantoorjuffrouw en een dronkaard. Ze dragen de last die het verleden is mee: samen vertellen ze de geschiedenis van Portugal. Een meesterlijke roman van António Lobo Antunes, Portugals grootste schrijver, vlijmscherp en trefzeker, maar ook vol mededogen en humor.

António Lobo Antunes behoort tot de top van de hedendaagse Portugese schrijvers. Hij ontving onder meer de Prémio Camões en de FIL Literatuurprijs. Eerder verschenen in Nederlandse vertaling onder andere Het handboek van de inquisiteurs , zijn veelgeprezen magnum opus Fado Alexandrino, Dans der verdoemden en, meest recent, Paardenschaduw op zee

N.B. De presentatie van Als een brandend huis, met Harrie Lemmens en Jeroen Vullings en een expositie van Ana Carvalho, vindt 16 oktober plaats bij Athenaeum Haarlem. Kom ook!

 

Tweehoog rechts

Ik houd niet van dit appartement, omdat ik er mezelf niet als klein jongetje in zie spelen, we hebben het gehuurd toen we trouwden en het resultaat waren onze twee zonen, jouw astma en vooral mijn onbeholpen, slappe persoontje, toen ik nog vrijgezel was nam mijn moeder me in bescherming, niet tegen mijn vader, want die zag me niet eens staan, maar tegen mijn zussen en mijn broer, ze schepte over me op tegen visite
‘Zet je bril af zodat dona Adelaide je blauwe ogen kan zien’
de wereld een wazige nevel, dona Adelaide verrast
‘Goh wat mooi had ik niet verwacht’
en meteen daarna meewarig
‘Wat zonde van die dikke glazen’
ik houd niet van dit appartement en niet van wat erin staat, het water in de vaas is verlepter dan de bloemen, bij het raam gekrijs van snelle wenkbrauwen die zwaluwen worden genoemd, mijn moeder ineens jong
‘Het is lente jongen’
alsof je de lente zou kunnen zien, hooguit misschien wat majolicagerinkel in de bladeren of meer meisjes buiten, voor wie ik niet bestond, de wenkbrauwen van de meester stegen van mijn schrift op naar mijn gezicht en verdwenen vol verachting boven de daken
‘In elke zin drie blunders’
ik houd niet van de slaapkamer, waaruit ik de leunstoel niet heb weggehaald waarin jij werd neergezet met je zuurstofmasker op en maar één pantoffel aan, de andere was zoek, het waren je oogleden die ademden boven het masker, niet je longen, je oogleden, twee padden met een gerimpelde buik die kwaad waren op mij
‘Je bent nooit iets waard geweest’
onder je haar, dat ook verlepter was dan de bloemen, een paar grijze stengeltjes, een paar vochtige blaadjes, de voet mét pantoffel van jou, die zónder van een vreemde, maandenlang heb je mijn brieven met in iedere zin drie blunders teruggestuurd
‘Houd nou toch eens op mij te schrijven’
de voet zonder pantoffel onbekend, rood, meezwellend op het ritme van de oogleden, wat zwol hier ook niet, de muren, het bed, de dertig jaar die we samen hadden doorgebracht, ik schrijf je omdat ik je graag mag, beter dan dat gewauwel kon ik niet, ik wou je niet beledigen, ik houd niet van mijn slaapkamer, zoals ik ook niet houd van de slaapkamer van mijn jongens, ze zijn het huis uit en de omtrek van de kasten is nog steeds te zien in het stucwerk van de muur, ik mis ze en ik mis ze ook niet, nee, ik mis ze niet, hun raam kijkt uit op het pleintje achter het huis, met de apotheek, Farmácia Salutar, wat een naam, en een reisbureau, vroeger was daar een veldje met schapen die kauwden op de klank van hun bel, je schouder met een spottend lachje
‘Als je mij per se wilt blijven schrijven moet je dat zelf weten’
je droeg net als ik een bril en was niet eens knap, niet eens aardig, wat zag ik toch in jou, ik houd niet van de porseleinen hond die we ooit hebben gekocht bij een uitdrager, hij stond tussen stijgbeugels, lantaarns en buffetkasten, jij liep er recht naartoe
‘Wat leuk’
en ik hield mijn mond ook al was hij helemaal niet leuk, ik hield altijd mijn mond, de kop van het beest schudde
‘Sukkel’
vanaf het eerste moment tot op de dag van vandaag
‘Sukkel’
een buldog met de hangwangen van dona Adelaide, als je hem vroeg
‘Wat zei je?’
een perplexe stilte, de kin aarzelde, dacht na en besliste ten slotte
‘Sukkel’
als je hem schudde rinkelde er een schroef in zijn holle buik, terwijl het water in de bloemenvaas vertroebelde, door de zon even opleefde en weer verder vertroebelde, ik houd niet van het appartement ’s avonds, omdat ik zeker weet dat ik in mijn eentje zal sterven, mijn oudste zoon eist geld dat er niet is, het gevoel dat mijn moeder mij roept in een zomer lang geleden in het noorden
‘Joaquim’
mijn zwagers op de veranda met daarachter de hellende wijngaard lachten me uit
‘Waf waf’
en mijn vader sprak hen niet tegen, in zijn zakken tientallen tandenstokers, mijn moeder boos
‘Je houdt geen tand over in je mond’
en ik kan me niet herinneren dat ik hem ooit heb zien lachen, hij las de hele tijd de krant, dat wil zeggen, volgens mij las hij niets, we praatten nooit met elkaar, de wijngaard en als het helder was de lichten van Manteigas in de verte, waarover hadden we ook moeten praten, we leken zo op elkaar, allebei even slap en onbeholpen, wat hebt u voor nuttigs gedaan vader, iets waar je wat aan hebt, wat heb ik voor nuttigs gedaan vader, iets waar je wat aan hebt, onze blikken naar elkaar leeg, als we nou tenminste nog, ach wat zou het, het doet er niet toe, ik woon hier tweehoog rechts sinds mijn trouwen, mijn vrouw had haar bril niet op en klampte zich vast aan mijn arm toen ze de trap voor de kerk afliep
‘Komt er nog een tree?’
in de woonkamer het tapijt dat vaal wordt, de bank waarvan de veren in mijn rug drukken en het koperen dienblad voor de post op de dekenkist bij de voordeur, onze wittebroodsweken in een goedkoop pensionnetje in Sintra, met buitenlanders af en aan door de gang, de schaamte voor mijn afgetekende botten
‘Niet kijken’
Sintra bij nacht, Manteigas bij nacht, mijn zwager de architect
‘Dat is Manteigas niet dat is Seia’
mijn vrouw verbaasd
‘Is dat nou alles?’
terwijl ze haar bril van het nachtkastje pakte
‘Is dat alles?’
het nachthemd met strikjes en kanten frutsels dat je van je moeder in je koffer had moeten doen
‘Mannen vang je met zulke trucjes’
en je had me ook gevangen als ik een echte man was geweest en niet te veel benen had gehad die in de weg zaten, een losse knoop
‘Echt alles?’
die zich wilde verstoppen in een kier en een houtsplinter drong in mijn hand, je haalde hem eruit met het pincet voor je haartjes
‘Stel je niet aan het doet geen pijn’
afgewisseld met
‘Stel je niet aan’
de buitenlanders onophoudelijk door de gang, Seia of Gouveia, mijn zwager de dokter
‘Volgens mijn berekeningen Gouveia’
en jij
‘Dit kan toch niet alles zijn’
de aker uit de put naast de keuken, de zilveren theepot met mahoniehouten handvat en drie madeliefjes in reliëf, mijn moeder met de theepot in haar hand en de wijsvinger van haar andere hand op het deksel
‘Nog wat bijschenken meneer Fonseca?’
thee voor hen, melk voor mij, het schoteltje met biscuitjes
‘Eerst de grote mensen dan jij’
mijn hand
‘Een splintertje van niks stel je niet aan’
trok zich balsturig terug, als mijn vrouw zat te smiespelen met haar vriendinnen en ik kwam binnen
‘Zullen we over iets anders beginnen?’
en spottende scheve blikken
‘Het is geen man het is geen man’
en het water in de vaas, toen nog helder, gluurde net als zij naar mij, als ze weggingen kirrende lachjes op de overloop, diepe zuchten van mijn vrouw en dan nog meer kirrende lachjes
‘Was ik maar’
mijn moeder een reddende engel die me op schoot nam
‘Joaquim’
en ik
‘Mama’
almaar door
‘Mama’
tot ik in slaap viel op een divan die niet meer bestaat, met mijn armen rond een knuffelleeuw die een oor miste en mij zelfs zonder dat oor verdedigde tegen de grote boze wereld, mijn zwager de dokter tegen mijn zwager de architect
‘Seia zou ook kunnen’
geen vaste lichten, ze komen en gaan op de ademhaling van het noorden, een melkweg van krekels op de akkers en velden, allemaal met een onzichtbare lamp van geluid, Gouveia of Seia, krekels of veenmollen, de geluiden reiken eindeloos ver in het donker, moet je zien, heel de Beira Alta aan het sjirpen, moet je zien, de stok van de gek met cape die wordt aangeblaft door de honden, nog scharminkeliger dan ik, die kippen en konijnen vreten, Salazar was geen dictator, hij was een, in de hal twee wandlampjes met scheve peertjes, als ik die rechtzette bogen ze weer krom, hij was een patriot die orde op zaken stelde in dit land, we hebben een ferme regering nodig in Portugal, het ging er niet om dat ik mijn baan was kwijtgeraakt en dat de ambtenaren op het ministerie mij uitscholden
‘Fascist fascist’
het ging erom dat Afrika zonder slag of stoot was uitgeleverd aan de communisten, jouw voet zonder pantoffel van iemand anders, het ging om het gebrek aan vaderlandsliefde en ontzag, om de bandeloosheid, gelukkig waren mijn ouders er niet bij
‘Waarom blijf je mij schrijven?’
terwijl er in elke zin drie blunders, wat er van dit land terecht is gekomen, jouw familie bescheidener dan die van mij, een van mijn grootvaders generaal, wat die van jou waren heb je me nooit verteld, jouw moeder wat mijn moeder een simpel mens noemde, gebogen pinken omringden haar gebaren, ze nam plechtstatig traag plaats op de rand van de stoel, koos moeilijke woorden, mijn zwagers in koor Als Susana zwaait zwaait er wat voor Serafim Sá Sousa, en ik schaamde me dood, dona Susana met beleefd ingehouden woede
‘Goh wat grappig’
maar vanuit haar mondhoek
‘Debielen’
net als mijn oudste zoon als ik hem geen geld geef
‘Debiel’
zodat ik niet bij jullie in Lissabon ben maar op de veranda in het noorden, met mijn armen om mijn leeuw, de man van dona Susana droeg een hoed met veertje, echt waar, vanaf een bepaald punt waren de bomen niet meer groen maar blauw, en na de spoorlijn onder aan de helling bijna zwart, het café op een kruispunt, het kruidenierswinkeltje, het station, en ineens moest ik denken aan september, met de kraaien, ik had nooit gedacht dat de eucalyptussen, mijn moeder tegen die van jou, geen mevrouw maar een simpel mens, en haar dochter over twintig jaar sprekend haar moeder

[...]

 

© 2014 António Lobo Antunes e Publicações Dom Quixote
© 2014 Nederlandse vertaling Ambo|Anthos uitgevers, Amsterdam en Harrie Lemmens

Ambo|Anthos Uitgevers

MINDBOOKSATH : athenaeum