Leesfragment: Als ik de liefde niet heb

27 november 2015 , door Eva van Esch
| |

In samenwerking met Recensieweb.nl richten we de schijnwerpers op Nederlandse prozadebuten. Deze maand vindt u op onze site uitgebreide leesfragmenten uit de debuten van Hendrik Groen en Eva van Esch.

Deze week verscheen Eva van Esch' verhalenbundel Als ik de liefde niet heb. Wij brengen een uitgebreid fragment uit het titelverhaal. ‘“Misschien is het, in dit leven, gewoon niet voor mij weggelegd haar te vinden,” zei hij laatst. Ik had zojuist zijn kots, inclusief rode velletjes tomaat, opgedweild, omdat hij dit keer echt te ziek was om het zelf te doen – nee, van tact heeft hij geen kaas gegeten. Hij moet mijn stilte hebben opgemerkt want hij haastte zich te zeggen dat hij me lief vindt, en mooi en slim, en dat het absoluut een nieuwe ervaring voor hem is zo zichzelf te kunnen zijn bij een vrouw. Ik knikte.’

Met minimale middelen weet Eva van Esch de veldslag van de liefde te schilderen. We zijn de willoze prooi van aantrekkingskracht, angsten, driften, manipulaties, bedrog. In die almaar voortdurende strijd is alles geoorloofd, gaan mannen én vrouwen ver buiten hun grenzen. Of het nu de vrouw is die allergisch is voor de taal die de man uitslaat, of de man die de nieuwe vriend van zijn ex bijvalt - met haar trefzekere taal raakt Eva van Esch aan de zenuw van onze hunkering. In de 45 korte verhalen van 'Als ik de liefde niet heb' laat ze ons lachen om wat we in de spiegel zien, totdat achter haar onbevangen observaties het slagveld van de liefde opdoemt.

 

Als ik de liefde niet heb

Nu heb ik er wéér eentje aan de haak geslagen die doodgaat. Mijn psychiater zegt: ‘Misschien júíst wel omdat hij niet lang meer heeft.’ Ik snap zijn suggestie, maar het is steeds zo’n gedoe. De aftakeling slaat van het ene op het andere moment toe, als een inbreker die je een klap op je kop geeft en vervolgens heel de hut leegrooft. Zó heb je een energieke man aan de hand, zó hangt hij met heel zijn gewicht aan je – en dan kunnen ze inmiddels vel over been zijn, het blijft zwaar. Dan train ik toch liever onder begeleiding van een instructeur om gericht bepaalde spiergroepen aan te spreken. Die gele bekkies doen het gewoon niet goed op vakantiekiekjes. En waar ik echt niet aan kan wennen is de geur die ze uitscheiden. Al zakken ze van ellende van de pot, ik roep vanaf veilige afstand: ‘Als ik flauwval zijn we een stuk verder van huis.’
Het is snel gezegd: ik zal altijd van je blijven houden. Maar voor mij is het intiem zijn met iemand cruciaal: ik moet zo’n man ín me voelen, herhaaldelijk, om mezelf ervan te vergewissen dat hij me wil, dat we niet voor niks samen zijn. Als ik er een woord aan moet verbinden, zeg ik: dichtbij. Ja, het raakt me iemand zo dichtbij te voelen, zo dicht bij iemand te mogen zijn. Moet je mij even vertellen hoe ik dat in de praktijk ga brengen als zo’n man niet meer bovenop kan omdat hij de kracht ontbeert om op zijn armen te steunen? Zijwaarts is überhaupt te hoog gegrepen. Een enkele keer van achteren, maar dat is mij dan weer niet close genoeg. Ik zit dus steeds bovenop en het is niet zozeer het gebrek aan variatie dat me stoort, als wel de passiviteit van het lichaam onder mij. Dat kunnen zij ook niet helpen en het is al heel wat dat ik hun geslacht weet stijf te krijgen, maar telkens bekruipt me toch het gevoel dat ik hun lichaam gebruik voor mijn eigen genot, temeer daar we alleen zoenen als zijn tong niet al te beslagen is van de berg pillen, en ik van hem af wil zijn voor hij komt – hij mag best komen, maar niet ín mij: ik ben als de dood dat zijn zaad sporen van de chemokuur bevat. Daarnaast ruikt hij, ook daar, anders. Als ik weer naast hem lig, streel ik hem onafgebroken, ik streel hem alsof ik de kanker ter plekke zou kunnen wegpoetsen.
Er komt altijd een moment waarop ze zich naar binnen keren, dat is werkelijk een pijnlijke fase, ze worstelen met hun lichaam, dat ze, in hun ogen, heeft verraden, echt maar mondjesmaat aanvaarden ze hun lot, en geef ze eens ongelijk. De nachten zijn een nachtmerrie op zich: het is alsof we bang zijn ons over te geven aan de slaap. Alsof we op onze hoede moeten zijn, zodat we niet, op een onbewaakt moment, van elkaar losgerukt zullen worden.
Soms klinkt er ineens licht gesnurk, dan denk ik: Eindelijk, schat, slaap maar even. Ik blijf naar hem kijken alsof ik met mijn blik kan voorkomen dat mannen in zwarte jassen zijn dromen bevolken, mannen in zwarte jassen die hem komen halen.
Ik zie mezelf liggen en denk: Waarom lig ik ook alweer naast een man die me zal verlaten? Dan kruip ik dicht tegen hem aan, druk mijn lippen op zijn klamme borst en snuif hem op, ook al ruikt hij zurig en is hij niet meer de man op wie ik maanden eerder dook als een bij op een bloem.
’s Ochtends sleep ik hem mee naar het theehuis in het park, de blauwe lucht doet pijn aan zijn ogen, maar het zachte ruisen van de bladeren doet hem goed. Er komen een paar jongens aangelopen met een omgekeerde roeiboot op hun schouders, allemaal in de pas.
Hij zegt: ‘Dat wil ik ook.’
Ik zeg: ‘Roeien?’
‘Nee, dat jullie me dragen als het zover is.’
Nou, dan wil alles in mij hem omhelzen. Alles.
Op het terras van het theehuis voer ik hem stukjes toast alsof hij een vogeltje is. Iedereen is zomers gekleed, hij bibbert. Ik kan met een gerust hart een plaid gaan vragen aan de bar, want hij blijft wel zitten, en als ik, bij terugkeer, toch ontdek dat hij in gesprek is geraakt met een aantrekkelijke vrouw – voorspelbaar: lang, blond haar, een mouwloos jurkje, bruine benen, hoge palen – is er nóg geen vuiltje aan de lucht.
Ik vang op dat hij haar een compliment maakt over haar jurk, en denk: Dat is hij dus nog niet verleerd, soms vergeet hij het alleen even naar mij te doen, ik ben natuurlijk een halve verpleeghulp voor hem. Hij stelt me aan haar voor en kletst geanimeerd met haar door, ik sta versteld van de zinnen die er uit zijn mond rollen, het is alsof hij ruikt aan hoe het was voor hij ziek werd, ja, hij kruipt weer in de rol van charmeur; en aangezien hij me nauwelijks in het gesprek betrekt lijkt het er zelfs op dat hij zou willen dat ik ter plekke oploste. Daarom zoek ik naar lullige opmerkingen, als: Ik ruik je stoma. Maar hij heeft geen stoma, dat is waar ook, dat had de vorige, deze man heeft alleen een tumor laten verwijderen uit zijn maag, met de vette pech dat hij al uitzaaiingen had in zijn longen en lever.
Ze vraagt: ‘Kan ik je nog eens opzoeken?’
Ik flap eruit dat ze dan wel snel moet zijn.
En dan kijken ze me allebei aan alsof ik de dood in eigen persoon ben. Hij probeert zijn billen van de stoel te lichten om bij zijn portemonnee te kunnen in zijn achterzak, zo verspeelt hij zijn laatste krachten en ik weet nu al dat hij de rest van de dag zal slapen, maar het lukt hem, hij overhandigt haar zijn kaartje – en ik denk: Hoe vaak moet jij wel niet kaartjes hebben uitgedeeld in je leven? En wat een pijnlijk besef dat je die eindeloze zoektocht naar de ware niet langer kunt voortzetten.
‘Misschien is het, in dit leven, gewoon niet voor mij weggelegd haar te vinden,’ zei hij laatst. Ik had zojuist zijn kots, inclusief rode velletjes tomaat, opgedweild, omdat hij dit keer echt te ziek was om het zelf te doen – nee, van tact heeft hij geen kaas gegeten. Hij moet mijn stilte hebben opgemerkt want hij haastte zich te zeggen dat hij me lief vindt, en mooi en slim, en dat het absoluut een nieuwe ervaring voor hem is zo zichzelf te kunnen zijn bij een vrouw. Ik knikte. Toen vroeg hij me: ‘Heb jij hem al ontmoet?’
‘Ik denk het niet,’ zei ik.
Hij had moeite zijn ogen open te houden, merkte nog op dat er wel een paar vrouwen in de buurt waren gekomen van dat gelukzalige gevoel je één te voelen met de ander – en ik dacht: Ik heb te snel antwoord gegeven, het ligt anders.
Ik weet niet of ik hem al heb ontmoet, had ik willen zeggen. Ik mag hopen van niet want ik wil meer dan ik tot nu toe heb gekend. Wederkerigheid, bijvoorbeeld, zou een hoop schelen. Als daarvan sprake was geweest in onze relatie, was jij misschien wel mijn grote liefde. Jij.
Maar mag je een man daarmee opzadelen als hij zijn laatste weken ingaat? Als ik zou zeggen: Niet eerder kwam iemand zo dichtbij, verlaat hij me misschien alsnog. Het is geen verrassing áls hij me verlaat, dat is het aangename van een terminale patiënt, hun vertrek staat als een paal boven water; daar kun je je op instellen door je nooit hélemaal te geven, maar dan wil ik wel dat het de dóód is die ons scheidt, en niet zijn karakter dat alsnog, zelfs in dit stadium, trekken gaat vertonen van hoe het altijd is geweest: er álles aan doen een vrouw te veroveren, op dag één denken dat zíj het is, dat ook zeggen: ik houd van je! om dan op het moment dat die vrouw eindelijk iets van zichzelf durft te laten zien (nadat ze je brieven uitvoerig heeft geanalyseerd – ze moest geregeld de Van Dale erbij pakken, ja, kom, wat betekent minnekozen precies?) tot de ontdekking te komen dat hij zich opnieuw heeft vergist. Zo’n karakter dus.
Hij heeft zitten dutten en ik ga hem nu maar eens wakker maken, want voor de derde keer staat er een kind, dat tussen de tafels door achter een teckel aanrende, stokstijf stil bij zijn stoel. ‘Hij leeft nog, hoor,’ zeg ik. Maar het is alsof ze me niet gelooft. Ze draagt een badpakje en vouwt haar handjes op haar benige ruggetje. Ik bekijk hem door haar ogen – en schrik ervan als dat niet lukt. Als ik juist hém zie en niet zijn afgetakelde lichaam. Misschien ben ik echt van hem gaan houden, denk ik, en dan stoot ik hem aan en ben ik blij dat het kind begint te huilen.
Even weet hij niet waar hij is, oh, wen daar maar vast aan. Hij vraagt: ‘Wat is er?’ Ik zeg: ‘Ze dacht dat je dood was.’ Hij strijkt over zijn kin, alsof daar nog stoppels zitten – en ik wou dat ik hem dat nog één keer kon zeggen: ‘Schat, ga je scheren! Ik ben godverdomme net een clown met zo’n vuurrood gezicht.’
‘Zullen we gaan?’ vraagt hij.
Ik help hem overeind en als ik opmerk dat die ene vrouw misschien nog ergens op het terras zit en of hij haar niet even gedag wil zeggen, verwacht ik dat hij zijn rug zal strekken, maar hij klemt zich aan me vast, en een nadeel van terminale patiënten is dat je nooit weet of ze dat nu doen omdat ze anders omvallen of omdat ze hun genegenheid willen tonen. Daarom zou het fijn zijn als hij eens één keer zou herhalen wat hij op die eerste dag tegen me zei, desnoods met een adem waar ik steil van achteroversla.
‘Ik houd van je.’
Dan mocht hij kaartjes uitdelen aan alle vrouwen in het park.
‘Moet je nog een zetpil voor we de tocht naar huis aanvangen?’ vraag ik, iets te hard.
Eerst zwijgt hij. Dan zegt hij: ‘Katje.’
Ik glimlach. ‘Wacht, ik vergeet de rekening.’ Ik glip het theehuis in, de akoestiek is er waardeloos: kopjes kletteren op schoteltjes, het opschuimen van melk klinkt alsof de machine stuk is, ik wacht tot ik kan betalen en kijk intussen steeds naar buiten. Hij staat nog overeind.
‘Alles onder controle?’ Een ober houdt een dienblad tegen zijn borst geklemd, een geel vaatdoekje in zijn hand.
Hij moet mijn verwarring opmerken, herhaalt zijn vraag.
‘Het leven?’ vraag ik. ‘De dag?’
‘Laten we klein beginnen. Dit moment?’
‘Zelfs dat niet. Nee. Zelfs dit moment niet.’
‘Maar je doet het toch goed?’
‘Ik?’
‘Ja, je doet het goed.’
‘Nee, hoor.’
‘Jawel. Je bent hier.’
Ik kijk hem voor het eerst echt aan. Hij lijkt me een paar jaar ouder dan ik, eind dertig, gebruinde huid, stug, blond haar, alsof hij elke dag in zee ligt. Zo’n man die nooit lang op één plek blijft.
Ik gebaar naar buiten. ‘Ik moet zo gaan. Naar hem. Mijn vriend.’
‘Ik weet er niks van,’ zegt hij, ‘maar je doet het goed. Dat zie ik. Je kiest niet de gemakkelijkste weg. Maar het past bij je.’
‘Hoe weet je dat?’
Hij haalt zijn schouders op.
Ik pin het verschuldigde bedrag, loop naar de uitgang, steek mijn hand naar hem op, hij maakt een buiging. Ik wil het terras op stappen, mijn vriend steunt tegen een pilaar, hij heeft zijn gezicht niet, zoals vaak, licht voorovergebogen, maar naar de hemel gericht. En, oh, ik wou dat ik wist waar hij naartoe ging, en dat het daar goed is.
En dan komt er een beeld bovendrijven, ik weet niet waar het zich al die tijd heeft verstopt, hoe het er nu ineens is. Maar wat ik zie is dit: hij gaat op zakenreis, een paar dagen, en ik blijf daar, in zijn huis. We kussen elkaar gedag, hij gaat de trap af, de voordeur valt in het slot. Ik sta in zijn woonkamer, voor het raam, het is een raam in een deur. Die deur kan open. Hij loopt weg, rolt zijn koffer achter zich aan – en ik wacht tot hij zich omdraait. Tot hij naar me kijkt, naar me zwaait. Hij raakt steeds verder bij me vandaan, steekt de ophaalbrug over. Ik wil die deur openen en naar hem roepen:
‘Dag liefste. Goede reis.’ Maar ik volg hem alleen met mijn ogen, alsof ik hem zo zal kunnen dwingen achterom te zien.
‘Je bent er wel, maar ook weer niet,’ zei hij laatst.
Ik zou hem willen vragen: ‘Maar waar was jij?’
Zijn gezicht glimt van het zweet, hij vangt mijn blik, ik sla mijn ogen neer, maar voel me al gauw genoodzaakt opnieuw oogcontact te maken, wat ik doe, en ook glimlach ik – en het is maar goed dat ik geen actrice ben, want dan was ik er een uit de b-categorie. Als ik op hem afstap, vraagt hij me: ‘Heb je alles?’
Heb ik alles? Heb jij alles? ‘Oh, god,’ zeg ik. ‘Laten we gaan.’
Ik had de rolstoel mee moeten nemen: de afstand naar de auto wordt met de dag langer. Als we eenmaal wegrijden, laat hij de warmte ontsnappen door alle ramen naar beneden te laten. Ik zeg: ‘Natuurlijk. Met een verkoudheid gaat het nog sneller.’
Hij legt zijn hand op mijn been, een gebaar dat hij de laatste tijd wel vaker maakt. Even maar, alsof hij al afscheid aan het nemen is, maar lang genoeg om de prikkeling te voelen in mijn lijf.
Ik minder vaart vanwege een wegversperring, ga stapvoets langs werklui die geknield in het zand liggen, hun pakken fluorescerend geel met oranje. Omdat ik enigszins verkrampt tegen het portier aan zit, kunnen ze mijn tranen zien. Stuk voor stuk steken ze hun duim naar me op, en een man met een shagje in zijn mondhoek doet dat wel met zo’n gulle glimlach, dat ik moet lachen en ‘dank je wel’ zeg, en dan hoor ik naast me: ‘Hè?’
Ik zeg: ‘Die werklui. Die zijn lief.’
En dan zijn we allebei stil, omdat het klinkt als een verwijt.
Maar ik kan het niet helpen dat ze hun duim opsteken.

‘Je hoeft dit niet te doen,’ zegt hij. ‘Je hoeft niet te blijven.’
‘Maar ik wil het.’
Hij knijpt in mijn hand en verontschuldigt zich. Het verlangen om zich te geven, zich echt te geven, was er wel geweest.
Hij zegt: ‘Misschien is er hierna nog iets.’
Maar daar geloof ik niet in.

Aan het droogrek hangen slipjes die ik kocht toen ik hem voor het eerst ging opzoeken in een voormalig klooster in de buurt van Venetië. Ik had er genoeg, maar wilde nieuwe. Ze ruiken naar wasverzachter en sigarettenrook. Ik dacht: Om die eerste dagen zonder hem door te komen – nu kan ik niet meer stoppen. Wit met rode roosjes, groene blaadjes, kant rondom. Soms hangt het in de lucht: een hand die onder mijn rokje zal gaan – en altijd ben ik degene die een stap naar achteren zet.
We daalden de heuvel af om koffie te drinken, verse vijgen te kopen op de markt. Door de flessen water in zijn rugzak plakte zijn overhemd vast aan zijn rug. Na de klim ging bijna alles uit. Die slipjes stonden beter toen: de zon kleurde mijn huid.
Eerst dacht ik: Ik wil terug naar dat pashok waar ik die slipjes paste. Veel meer dan zijn naam wist ik toen niet. Alles had anders kunnen lopen, anders moeten lopen.
Nu denk ik: Nee, ik wil terug naar Italië. Omdat er dáár iets begon.

 

© 2014 Eva van Esch

Uitgeverij Atlas Contact

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum