Leesfragment: Anna. Ode aan een kattenstaart

27 november 2015 , door Ru de Groen
| | |

In samenwerking met Recensieweb.nl richten we de schijnwerpers op Nederlandse prozadebuten. In juli en augustus vindt u op onze site uitgebreide leesfragmenten uit de debuten van Frank Gunning, Fieke Gosselaar, Ru de Groen en Geertje Kindermans.

26 augustus verschijnt Anna. Ode aan een kattenstaart van Ru de Groen. Wij publiceren voor. '"Het wordt tijd dat ik ga. Ze mogen me niet gaan missen. En kies in godsnaam de goede poeiers, Anna. Ik mag hem wel, die Van Dun. Saluut." Hij draaide zich om en holde een paar passen van me vandaan. Toen remde hij af, bleef staan en kwam weer terug. Mijn adem stokte. "Bij deze nodig ik je uit bij Humor & Gevaar." "Humor en gevaar, wat is dat nou weer?" vroeg ik weifelend. Vaag herinnerde ik me die naam, ik had hem al eens gehoord, maar ik had geen idee waar.'

Anna. Ode aan een kattenstaart is een eerbetoon aan een liefde die gedoemd was te mislukken, maar die prachtig was zolang ze duurde.

Anna is een stil meisje. Liever dan zelf in het middelpunt te staan, observeert ze de mensen en dingen om haar heen. In de vijfde klas komt Willem op haar pad, een schelm met een klein hartje. Hij verleidt Anna om de echte wereld in te stappen en leert haar de liefde te ontdekken. De twee zijn een jaar lang gelukkig, tot de duivel in Willem zijn geliefde Anna onherstelbaar kwetst.

N.B. De presentatie van Anna. Ode aan een kattestaart vindt 28 augustus plaats bij De Kring.

 

Hij kwam weer naast me lopen en keek me van opzij aan. Plotseling stak hij zijn hand uit en kneep heel even in mijn vlecht. Toen stak hij een vinger in de lucht en zei plechtig: 'In den beginne was daar de paardenstaart. Geloof mij, geachte gelovigen, jongedames met een staart hebben de toekomst. Zonder uitzondering. Wee, o wee de deerne zonder!' En meteen daarna, maar bijna fluisterend: 'Mooie vlecht, Anna.'
Ik schrok wakker uit mijn gemijmer en merkte dat ik beefde bij zijn laatste woorden. Opeens werd ik me heel bewust van hoe ik eruitzag. Ik keek hem recht in zijn ogen en schudde even mijn haar, terwijl ik mijn kin iets omhoogbracht. Daarbij voelde ik mijn vlecht zwaar en vertrouwd op mijn schouder rusten. Een onbekend soort fierheid, die ik nooit eerder zo ervaren had, kwam over me. Voor mijn gevoel won ik weer wat terrein op hem terug. Ik besefte dat deze dag van mij was. Ik mocht hem dan leuk vinden, het leed geen twijfel dat dat gevoel wederzijds was.
Voor de bocht met de Wilhelminastraat stond hij plotseling stil, keek me aan, legde zijn handen op mijn schouders en zei serieus, opnieuw fluisterend: 'Als ik je ooit een van mijn dromen vertel, hoop ik dat je me niet zult uitlachen.'
'Beloofd', zei ik en ik knikte, blij verrast dat hij me in vertrouwen nam.
'Mooi.' Hij lachte, kwam nog dichter bij me staan en kuste me bijna vaderlijk op mijn voorhoofd. Ik stond perplex. Hij leek ook te schrikken van zijn actie, want hij liet los en zei gehaast: 'Het wordt tijd dat ik ga. Ze mogen me niet gaan missen. En kies in godsnaam de goede poeiers, Anna. Ik mag hem wel, die Van Dun. Saluut.'
Hij draaide zich om en holde een paar passen van me vandaan. Toen remde hij af, bleef staan en kwam weer terug. Mijn adem stokte.
'Bij deze nodig ik je uit bij Humor & Gevaar.'
'Humor en gevaar, wat is dat nou weer?' vroeg ik weifelend. Vaag herinnerde ik me die naam, ik had hem al eens gehoord, maar ik had geen idee waar.
'Dat is mijn sociëteit, elke woensdagmiddag om drie uur samenkomst, helaas niet al te ruim behuisd, want ons tuinhuis is niet groot. Er zijn altijd meer jongens dan meisjes, dus je mag best een vriendin meenemen.' Hij zweeg en ik zag hem nadenken.
'O, ja,' zei hij, 'deze woensdag geen soos, want het dak lekt, maar volgende week ben je van harte welkom. Er is thee en meestal boterkoek. Neem van mij aan, het is er goed uithangen.' Hij lachte en vervolgde deftig: 'Prent die datum goed in uw fraaie hersenpan, juffrouw, want u zult geen bericht meer ter herinnering ontvangen. Het is het een na laatste huis voor het bos en van hieruit aan de linkerkant.'
'En wat betekent Humor & Gevaar?' vroeg ik.
'Ah, we hebben hier te maken met een bijtertje. Anna, laat ik maar toegeven dat ik serieus de naam Bladeren & Geboomte overwogen heb, zo ook Geloofd & Geprezen, maar beide stuitten op onoverkomelijke bezwaren van juridische aard. Nee, bij nader inzien in het geheel geen passende namen.'
'Humor & Gevaar wel?' Ik werd nu echt nieuwsgierig.
'Humor & Gevaar wel', antwoordde hij bevestigend, om direct te vervolgen: 'Maar kom je?'
Iets in mij zei me dat ik niet te enthousiast moest doen. Alles in me wilde gaan, maar met de grootste moeite wist ik me in te houden.
'Dat zullen we wel zien.'
'Hoezo "we"?'
'Misschien heb ik wel andere plannen.'
Even keek hij van me weg, toen naar de grond en zei: 'Je mag een vriendin meenemen. Of twee, maar nogmaals: kom.'
'Wie weet.'
Ik zag dat hij mijn reactie niet kon waarderen. Waarschijnlijk was het een eer om te mogen komen. Misschien bestond er zelfs een wachtlijst. En ik die zomaar gevraagd werd, aarzelde.
'Nou, kijk maar wat je doet, maar ik moet nu echt op de loop. Vaart wel.' Toen zette hij een stap naar voren, keek me aan en zoende me recht op mijn mond. Zijn tong raakte heel even mijn bovenlip. Hij deinsde wat terug en zei: 'Anna, of je nou komt of niet, ik wil alles van je weten. Echt alles. Waar je geboren bent, hoe je tegen de wereld aankeek vanuit je wieg en de jaren daarna, en hoe je je erdoorheen hebt geslagen toen je mij nog niet kende.'
'Nu?' vroeg ik beduusd.
'Nee,' lachte hij, 'daar vinden we een passend moment voor.'
En weg was hij weer met die rare huppelpas van hem, terug naar school. Het was duidelijk dat vragen voor hem niet per se antwoorden behoefden. Wat had hij nou gezegd? 'Vaart wel'? Het was toch vaarwel? Stilaan begon zijn laatste verzoek in volle omvang tot mij door te dringen: ik was uitgenodigd voor zijn club. Ik, die zelden voor feestjes werd gevraagd, omdat ik me in de voorafgaande jaren zo afzijdig had gehouden. Ik voelde even aan mijn lippen. Een branderig gevoel zette zich vast in mijn borst en ik moest moeite doen om weer op adem te komen. Toen ik even later de bocht omsloeg, was er wat veranderd. Ik voelde me uitgelaten. Ik trachtte na te denken, maar bij het zebrapad wist ik het: ik was verliefd op die vreemde jongen met zijn kabouteroren. Dit was het dus. Ik mocht dan later zijn dan de andere meisjes, maar voor mezelf was ik ruim op tijd.
'Anna Stoffel, je hebt lief', zei ik midden op het zebrapad theatraal en hardop tegen mezelf. Toen zei ik het nog eens, maar nu wat zachter en ik voelde aan alles dat ik het meende.

[…]

Klokke drie stond ik voor de deur van het statige huis van de familie Havelaar. Ik belde aan. Spannend om nieuwe mensen te ontmoeten.
Lang hoefde ik niet te wachten. De deur vloog open en daar stond hij met een trompet in zijn handen. Ik zag dat hij eerst schrok, maar meteen kwam er een brede grijns op zijn gezicht.
'Anna, God zij geprezen, je bent er.'
'Jawel', zei ik en ik wist meteen dat ik de juiste keuze had gemaakt.
'U is stipt', zei hij opgelucht.
'Zo ben ik.'
'Ben vereerd, bere-vereerd. Ik was zo bang dat je niet zou komen. Kon er niet van slapen. Weet dat u bijzonder wellekome zijt. Kom verder, kom toch verder en vertel: hoe staan de zaken? Heb je nog aan me gedacht?' Hij legde zijn hand op mijn rug en leidde me naar binnen. Hij droeg een bruin safari-jasje en liep opvallend te stampen op van die genagelde Vietnamese laarzen, die heel even in de mode waren en een vreselijk geluid produceerden. Het was onmogelijk dat ze lekker zaten, maar hij vond ze stoer. Althans, die indruk maakte hij. Gewoontegetrouw wachtte hij weer niet op mijn antwoord en kwetterde gewoon door.
'Je komt op het juiste moment, ik hoopte al dat je vandaag je entree zou maken. Ik ga vanmiddag de lijst bekendmaken. Jij staat er ook op.'
'De lijst?'
'Ja, de lijst, maar dat zul je wel merken. Geduld is een schone zaak, dat zou u inmiddels moeten weten, mejuffrouw Stoffel.'
Ik wist het.
'Anna,' ging hij vrolijk verder, 'soms voel ik me koning en dan word ik voortgedreven door de wind. Ken je dat gevoel? Koning!' Hij stak triomfantelijk zijn beide armen in de lucht. En schaterde.
'Nee, dat ken ik niet', antwoordde ik.
Hij ging er niet verder op in en leidde me door een lange gang, betegeld met mooie oude witjes, vol lukraak rondslingerende hockeyschoenen en afgekloven tennisballen, toen door de keuken naar een zware deur die toegang gaf tot de tuin. Vervolgens liepen we misschien wel anderhalve minuut over een grindpad, door een vrijwel verwaarloosde tuin, naar een wit gebouwtje met kleine groezelige ramen aan de voorkant. Dit was het dan. Humor & Gevaar. Ondanks zijn beschrijving had ik het in gedachten veel indrukwekkender gemaakt dan het in werkelijkheid was. Het had niet meer allure dan een groot model aftandse caravan. Links en rechts van de opening stonden twee potten waarin hoge onbestemde pluimen groeiden. Onkruid?
'Ik vind dat wij mensen …' Hij maakte zijn zin niet af. 'Moet even wat halen. Ga maar vast naar binnen,' zei hij, 'neem thee en leg even deze trompet op tafel, wil je?' En weg was hij.
Zo bevond ik me op woensdag 6 september, om vier minuten over drie, met een trompet voor de tuinsociëteit van koning Willem Havelaar. Eerlijkheidshalve moet ik vermelden dat ik nog even geaarzeld heb voordat ik de klemmende deur opendeed en binnentrad. Mijn ogen moesten wennen aan het weinige licht. Net genoeg om de voorwerpen in de ruimte te kunnen zien. Ook hier lag het bezaaid met kale tennisballen. Het was er laag, er stonden twee vale bankjes, een aantal stoelen, een ijskast, een piano, een grote houten piramide en een klein campingtafeltje met daarop wat kopjes, een thermoskan, een suikerpot, waaruit een soeplepel stak en een telefoon. Alles leek vuil en vervallen. Op de achterwand na. Die was beschilderd als een aquarium. Felle kleuren blauw, rood, geel, gifgroen en paars. Een paar misvormde vissen staarden me stompzinnig aan. Ergens links op de achtergrond stond een soort zeepaardje met een rond brilletje op, schuin en sufferig tegen een muur geleund. Eronder in het wit geschilderd de tekst: john winston lennon, de stomkop! Het was er niet warm.

[…]

'Anna, weet je wat voor een man een van de meest welkome, warme winterervaringen is?' Ik zag dat hij twijfelde en leek na te denken.
Ik schudde mijn hoofd.
'Ach, laat ook eigenlijk maar.'
'Willem, nou moet je het zeggen ook.'
'Niet belangrijk', zei hij meteen.
'Zeg het nou maar.'
'Ja maar, misschien wil je het niet weten.'
'Willem, wat is voor een man een van de fijnste, warme winterervaringen?'
Hij gaf zich gewonnen. 'Dat je, als je in een koude winter net onder de douche uit komt, met zo'n intens hete witte handdoek die de hele nacht over de verwarming heeft gehangen, even je natte ballen dept. Heel even, want na vijf seconden is het effect alweer weg.' Hij keek richting de blauwe lucht, prikte met zijn wijsvinger naar boven en vervolgde met enige spijt in zijn stem: 'Helaas mag het kennelijk niet langer duren van onze "scheppert". Maar toch kan ik het iedere man van harte aanbevelen.'
Dergelijke ontboezemingen van zijn kant verbaasden me allang niet meer en ik vond het wel aangenaam dat hij dit soort intieme details met me deelde. Daarvoor had ik nooit over dit soort dingen gepraat. Sinds ik met hem omging had ik een hele hoop woorden niet zozeer leren kennen als wel durven gebruiken. Ik besloot hem nog even bezig te houden.
'Waarom een witte handdoek, Willem?'
'Doe niet zo onnozel. Je weet toch wel dat niets zo weldadig is als een witte handdoek. Zeker als vrouw. Bovendien, je denkt toch niet dat ik mijn edele delen roekeloos met een rode …' Hij stopte abrupt en keek op zijn horloge.
'Help, ik moet gaan. Mijn zusters hebben gekookt.' Nog even kwam hij op ons vorige onderwerp terug: 'Je hoeft het zelf overigens niet te proberen. Andersom werkt het niet.'
'Hoezo andersom?'
'Je begrijpt wel wat ik bedoel.'
'Nee, dat doe ik niet.'
'Ik bedoel, wijsneus, dat het bij meisjes niet werkt.'
'Wat niet?'
'Met zo'n handdoek.'
'Hoe weet jij dat nou?'
'Ik heb vorige winter mijn beide zusters gevraagd het bij zichzelf te proberen.'
'Je beide zusters?'
'Ja, een steekproef van één leek me wat karig.'
'En?'
'De volgende dag kreeg ik de bevestiging. Een echt mannending.'
'Je hebt er dus ballen voor nodig. Goed om te weten', bedankte ik hem lachend.
Hij lachte terug en zei iets binnensmonds.
'Ik versta je niet.' Ik draaide mijn gezicht naar hem toe. Toen nam hij mijn rechterhand in zijn handen en bracht die naar zijn kruis.
'Dat die warmte je overigens intens doet verlangen naar een meisjeshand.'
'Zeg dat dan meteen. Een wárme meisjeshand, mag ik aannemen?' Ik deed geen poging mijn hand weg te trekken.
'Inderdaad, een warm meisjeshandje, Anna. Aju.' Hij tuitte zijn lippen. Ik beantwoordde zijn gebaar met een zoen en kromde even licht mijn vingers.

[...]

 

© Ru de Groen
Copyright auteursportret © Liesbeth Kuipers

Uitgeverij De Geus

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum