Leesfragment: Augustus

27 november 2015 , door John Williams
| | |

Op donderdag 7 augustus verschijnt Augustus van John Williams (vertaling Edzard Krol). Wij publiceren voor.
'"Ik vertrouw hem niet," zegt Octavius langzaam, "omdat hij zichzelf niet helemaal vertrouwt. Als we ons tot hem zouden wenden, zouden we te zeer aan zijn koers vast komen te zitten, en Antonius noch wij weten goed genoeg waar die koers hem zal brengen. Als we vrij willen zijn om te doen wat we moeten doen, moeten we ervoor zorgen dat hij naar ons komt.'

In zijn derde grote roman, winnaar van de National Book Award, vertelt John Williams het verhaal van de stichter van het Romeinse rijk, wiens grootsheid even legendarisch was als zijn grenzeloze ambitie: Augustus. Vanaf de moord op zijn oom Julius Caesar tot aan de laatste dagen van het keizerrijk volgen we Augustus op zijn tocht over het glibberige pad van de macht: niemand is te vertrouwen, de senaat wordt beheerst door eigenbelang en allianties zijn even snel gevormd als gebroken.

Augustus is een meerstemmige roman: via de gefingeerde brieven, dagboekaantekeningen, memoires en reisverslagen van historische figuren als Marcus Antonius, de dichter Cicero en Augustus’ dochter Julia, maar ook van een eenvoudige soldaat in de legers van de keizer, verrijst het levensechte beeld van een man die ervan droomt het corrupte Rome te bevrijden van het wispelturige juk van megalomane warhoofden en roofzuchtige rijken. Net als in Stoner en Butcher’s Crossing onderzoekt Williams in Augustus waarden als de verantwoordelijkheid van het individu, vriendschap en de zucht naar macht, en weet hij de dilemma’s in een mensenleven als geen ander invoelbaar te maken.

N.B. Eerder publiceerden we Lujzika Adema van Kootens recensie over de Engelse editie van de roman.

VI. Brief: Marcus Tullius Cicero aan Marcus Junius Brutus (44 v. Chr.)

Uiterst beknopt bericht. Hij is de onze – ik weet het zeker. Hij is naar Rome gegaan, en hij heeft het volk toegesproken, maar alleen om zijn erfenis op te eisen. Ik heb gehoord dat hij geen kwaad woord over je heeft gesproken, noch over Cassius of een van de anderen. Hij laat zich vol lof uit over Caesar, verklaart dat hij de erfenis uit plichtsbesef en eerbied opeist, en dat hij van plan is zich in zijn privéleven terug te trekken als hij deze zaak eenmaal heeft afgehandeld. Kunnen we hem geloven? Dat moet, dat moet! Als ik in Rome ben teruggekeerd, zal ik bij hem in het gevlei zien te komen, want zijn naam kan nog nuttig voor ons zijn.

VII. Brief: Marcus Antonius aan Gaius Sentius Tavus, bevelhebber van Macedonië (44 v. Chr.)

Sentius, vrolijke vriend, je krijgt de groeten van Antonius, en een verslag van de laatste trivialiteiten – een voorbeeld van het soort dingen waarmee ik dagelijks te maken heb nu de verantwoordelijkheid van het regeren op mijn schouders rust. Ik weet niet hoe Caesar het kon verdragen, dag in, dag uit – wat was dat toch een merkwaardige man.
Gisterochtend kwam die kleine bastaard met die bleke kop, Octavius, bij me langs. Hij is sinds ongeveer een week in Rome, en gedraagt zich als een diepbedroefde weduwe, terwijl hij zich Caesar noemt, wat een onzin allemaal. Naar het schijnt gaven Gnaeus en Lucius, die idiote broers van me, hem zonder mij te raadplegen toestemming om op het Forum de menigte toe te spreken, op voorwaarde dat hij hun verzekerde dat de toespraak niet politiek zou zijn. Heb je ooit van een toespraak gehoord die niet politiek was? Nou, hij heeft in elk geval niet geprobeerd ze op te stoken, dus helemaal gestoord is hij niet. Hij heeft vast enige sympathie bij de menigte opgeroepen, maar dat is het wel zo’n beetje.
Maar al is hij dan niet volledig gestoord, in zeker opzicht is hij dat ook weer wel, want hij matigt zich een verdomd arrogante houding aan voor een jongen, vooral voor een jongen wiens grootvader een dief was en van wie de enige naam die iets voorstelt een geleende is. Hij kwam tegen het eind van de ochtend bij me langs, thuis, zonder afspraak, terwijl er een half dozijn mensen stond te wachten, en hij had drie leden van zijn gevolg bij zich, alsof hij zo’n verdomde magistraat was en zij zijn lictoren waren. Hij ging er vermoedelijk van uit dat ik alles uit mijn handen zou laten vallen en op hem af zou stuiven, wat ik uiteraard niet deed. Ik gaf mijn secretaris de opdracht hem te vertellen dat hij op zijn beurt moest wachten – ik verwachtte en hoopte min of meer dat hij weg zou gaan. Maar dat deed hij niet, dus heb ik hem vrijwel de hele rest van de ochtend laten wachten, en hem uiteindelijk binnen laten komen.
Ik moet bekennen dat ik, ondanks het spelletje dat ik met hem speelde, wel enigszins nieuwsgierig naar hem was. Ik had hem nog maar een paar keer eerder gezien – eenmaal zes, zeven jaar geleden, toen hij een jaar of twaalf was, en Caesar hem de lofrede liet uitspreken bij de begrafenis van zijn grootmoeder Julia; en twee jaar later nog een keer, bij de triomftocht van Caesar na Afrika, toen ik met Caesar meereed in de wagen en de jongen achter ons reed. Eenmaal heeft Caesar vrij uitvoerig met mij over hem gesproken en ik vroeg me af of ik iets over het hoofd had gezien.
Nou, dat had ik niet. Ik zal nooit begrijpen waarom de ‘grote’ Caesar zijn naam, zijn macht en zijn vermogen aan deze jongen heeft nagelaten. Ik zweer bij alle goden dat als het testament niet eerst in de tempel van de Vestaalse Maagden was ontvangen en vastgelegd, ik hoogstpersoonlijk had geprobeerd het te veranderen.
Ik geloof niet dat ik me zo aan hem had geërgerd als hij zijn arrogantie in de ontvangkamer had achtergelaten en als ieder ander mijn werkvertrek was binnengelopen. Maar dat deed hij niet. Hij kwam binnen met zijn drie vrienden aan zijn zij, die hij aan me voorstelde alsof ik me verdomme voor een van hen interesseerde. Hij sprak me met een gepaste mate van beleefdheid aan en wachtte vervolgens tot ik iets zou terugzeggen. Ik keek hem lang aan en sprak niet. Wat voor hem pleit, is dat hij zijn hoofd koel hield. Hij brak niet en zei niets, en ik kon zelfs niet zien of hij boos was dat hij had moeten wachten. Dus nam ik uiteindelijk het woord.
‘Nou? Wat wil je?’
En zelfs toen knipperde hij niet met zijn ogen. Hij zei: ‘Ik kom hier om u te begroeten, als vriend van mijn vader, en om te informeren naar de stappen die ondernomen kunnen worden om zijn testament uit te voeren.’
‘Jouw óóm,’ zei ik, ‘heeft zijn zaakjes hier in een grote puinhoop achtergelaten. Ik raad je aan om niet in Rome te blijven rondhangen tot alles is uitgezocht.’
Hij zei niets. Ik moet je zeggen, Sentius, dat die jongen iets heeft wat me irriteert. Met hem in de buurt lukt het me niet om kalm te blijven. Ik zei: ‘Ik raad je ook aan om zijn naam niet zo vrijelijk te gebruiken, alsof het je eigen naam was. Je weet heel goed dat het je eigen naam niet is, en dat zal het pas zijn als de adoptie door de senaat is bevestigd.’ Hij knikte. ‘Ik dank u voor uw advies. Ik maak gebruik van zijn naam om mijn eerbied te tonen, niet mijn ambitie. Maar los van mijn naam, en zelfs van mijn aandeel van de erfenis, is er de kwestie van het legaat dat Caesar aan de burgers heeft gedaan. Ik ben van oordeel dat hun stemming zodanig is dat...’
Ik lachte hem uit. ‘Jongen,’ zei ik, ‘dit is het láátste advies dat ik je vanochtend zal geven. Waarom ga je niet terug naar Apollonia om er je boeken te lezen? Daar is het veel veiliger. Ik regel de zaken van je oom wel, op mijn eigen manier en op een moment dat het mij schikt.’
Het lukt je niet om dat ventje te beledigen. Hij glimlachte naar me met dat kille lachje van hem en zei: ‘Ik ben blij te horen dat de zaken van mijn oom in zulke goede handen zijn.’
Ik kwam achter mijn tafel vandaan en klopte hem op zijn schouders. ‘Grote jongen,’ zei ik. ‘Nu moeten jullie er maar gauw vandoor. Ik heb nog een drukke middag voor de boeg.’
En daarmee was het afgelopen. Ik geloof dat hij weet wat zijn plek is, en ik denk niet dat hij wat voor grootse plannen dan ook heeft. Het is een pompeus, weinig indrukwekkend knaapje, en hij zou van geen enkel belang zijn – als hij niet een of ander recht op het gebruik van die náám had. Dat alleen zal hem niet ver brengen, al is al wel gebleken dat het hinderlijk kan zijn.
Genoeg erover. Kom naar Rome, Sentius, en ik beloof je dat ik met geen woord over politiek zal spreken. We zullen naar een mimespel kijken, in Aemelia’s huis (waar, met speciale toestemming van een consul die hier niet met name genoemd zal worden, de actrices zonder de last van kleding mogen optreden), en we zullen zoveel wijn drinken als we op kunnen, en bij de meisjes strijden om wie de beste man is.
Maar wat mij betreft vertrekt die bastaard uit Rome en neemt hij zijn vrienden mee.

VIII. Quintus Salvidienus Rufus: Aantekeningen voor een dagboek (44 v. Chr.)

We hebben Antonius ontmoet. Scherpzinnig, onze taak is immens. Hij is tegen ons, duidelijk, en zal alle middelen inzetten die hij heeft om ons te stuiten. Hij liet ons voelen hoe jong we waren.
Maar een uiterst indrukwekkende man. Zelfingenomen, maar op een schaamteloze wijze. Grijswit gekleurde toga (waar zwaar gespierde, gebruinde armen doorheen schemeren) met een helder purperen band, afgezet met een delicate, gouden rand; even groot als Agrippa, hoewel hij meer als een kat loopt dan als een stier; potig, donker, knap gezicht, hier en daar met kleine, witte streepjes van littekens; smalle, zuidelijke neus, ooit gebroken; volle lippen waarvan de uiteinden omhoog krullen; grote, lichtbruine ogen die fonkelen van woede; dreunende stem die met genegenheid of kracht kan overweldigen.
Maecenas en Agrippa, woedend, allebei op hun eigen manier. Maecenas dodelijk, kil (als hij serieus is, vallen alle maniertjes van hem af en lijkt zelfs zijn lichaam te verharden), ziet geen mogelijkheid voor verzoening, wil daar niet aan. Agrippa, meestal zo onverstoorbaar, trilt van woede, rood gelaat, zijn enorme vuisten gebald. Maar Octavius (die we nu in het openbaar Caesar moeten noemen) lijkt merkwaardig vrolijk, allesbehalve kwaad. Hij glimlacht, praat levendig, lacht zelfs. (Het is voor het eerst dat hij heeft gelachen sinds de dood van Caesar.) In de lastigste omstandigheden lijkt hij zich geen enkele zorgen te maken. Was zijn oom net zo als er gevaar dreigde? Dat soort verhalen hebben we wel gehoord.
Octavius wil het niet over de afgelopen ochtend hebben. Meestal nemen we een bad in een openbare gelegenheid, maar vandaag gaan we naar de woning van Octavius op de heuvel. Zolang wij het niet met elkaar hebben besproken, wil hij niet met vreemden over de ochtend praten, zegt hij. We werpen elkaar een poosje een bal toe. (Opmerking: Agrippa en Maecenas zijn zo kwaad dat ze slecht spelen, de bal laten vallen, slordig gooien, etc. Octavius speelt kalm, lachend, uiterst vaardig en elegant, zijn stemming slaat op mij over. We dansen rond de andere twee, tot ze niet meer weten of ze kwaad zijn op Antonius of op ons.) Maecenas gooit de bal weg en schreeuwt naar Octavius: ‘Idioot! Besef je wel wat we ons op de hals halen?’
Octavius houdt op met dansen, probeert schuldbewust te kijken, lacht weer, loopt op hem en Agrippa af, slaat zijn armen om hun schouders. Hij zegt: ‘Het spijt me, maar ik blijf maar denken aan het spel dat we vanochtend met Antonius hebben gespeeld.’
‘Dat was geen spel,’ zegt Agrippa. ‘Die man was dodelijk serieus.’
‘Natuurlijk was hij serieus,’ zegt Octavius, nog altijd met een glimlach. ‘Maar weet je, hij was bang voor ons. Hij was banger voor ons dan wij voor hem, en hij weet het zelf niet. Hij weet het zelf niet eens. Dat is het grappige.’
Ik schud mijn hoofd, maar Agrippa en Maecenas kijken Octavius verbaasd aan. Lange stilte. Maecenas knikt, zijn gezicht ontspant, haalt zijn schouders op en hervindt zijn gebruikelijke geaffecteerdheid, hij zegt ongedwongen, alsof hij boos is: ‘O, nou, als je de príéster gaat uithangen, orakelt over wat er zich in het hart van een ander afspeelt...’ Hij haalt zijn schouders nogmaals op.
We gaan baden. We gaan eten en praten later.

We zijn het eens: niet overhaast handelen. We praten over Antonius, weten dat hij ons obstakel is. Agrippa ziet hem als de bron van macht. Maar hoe kunnen we die te pakken krijgen? We zijn zelf niet zo sterk dat we die van hem kunnen afnemen, zelfs als we dat zouden durven. We moeten er op een of andere manier voor zorgen dat hij ons erkent; dat zal het eerste kleine voordeel ten opzichte van hem zijn. Te gevaarlijk om nu een leger bijeen te brengen: de positie van Antonius in deze zaak is te onduidelijk. Wil hij net als wij wraak nemen vanwege de moord? Gaat het hem alleen om de macht? Het is zelfs mogelijk dat hij een van de samenzweerders was. In de senaat steunde hij een besluit dat de moordenaars vergaf, en Brutus een provincie bezorgde.
Maecenas ziet hem als een machtig en daadkrachtig man die echter niet in staat is in te zien welk doel zijn daden dienen. ‘Hij spant samen, smeedt geen plannen,’ zegt Maecenas. Hij komt alleen in beweging als hij een vijand ontwaart. Maar hij moet tot actie worden aangezet, anders belanden we in een patstelling. Probleem: hoe zetten we hem aan tot actie zonder dat hij merkt dat hij bang voor ons is? Ik voer met enige aarzeling het woord. Zullen ze me te bedeesd vinden? Ik zeg dat Antonius volgens mij dezelfde doelen nastreeft als wij. Machtig, steun van legioenen, etc. Vriend van Caesar. Bruuskheid naar ons onvergeeflijk maar begrijpelijk. Wacht. Overtuig hem van onze loyaliteit. Bied onze diensten aan. Werk met hem samen, overtuig hem ervan zijn invloed in te zetten voor de doelen die we hebben besproken.
‘Ik vertrouw hem niet,’ zegt Octavius langzaam, ‘omdat hij zichzelf niet helemaal vertrouwt. Als we ons tot hem zouden wenden, zouden we te zeer aan zijn koers vast komen te zitten, en Antonius noch wij weten goed genoeg waar die koers hem zal brengen. Als we vrij willen zijn om te doen wat we moeten doen, moeten we ervoor zorgen dat hij naar ons komt.’
We praten verder; er tekent zich een plan af. Octavius zal het volk moeten toespreken – hier en daar, kleine groepjes, niets officieels. ‘Antonius heeft zichzelf ervan overtuigd dat we naïef zijn,’ zegt Octavius, ‘en dus is het in ons voordeel als hij zichzelf daarmee blijft misleiden.’ Daarom zullen we geen opruiende uitspraken doen – maar zullen we ons hardop blijven afvragen waarom er geen moordenaars zijn bestraft, waarom de bevolking het legaat van Caesar niet heeft gekregen, waarom Rome zo snel heeft vergeten.
En daarna een officiële toespraak voor het volk waarin Octavius verkondigt dat Antonius niet in staat is (onwil?) om het geld vrij te maken om hen te betalen, en dat Octavius hun wat Caesar heeft beloofd uit eigen zak zal betalen. Meer discussie. Volgens Agrippa zal Octavius zijn eigen vermogen erdoorheen hebben gejaagd als Antonius dan niet met het geld over de brug komt, en zullen we met lege handen staan zodra er een leger nodig is. Waar Octavius tegen inbrengt dat een leger niets zal kunnen uitrichten als het volk er niet achter staat, dat we invloed zullen kopen zonder dat we invloed lijken te willen hebben, en dat Antonius gedwongen zal zijn om in actie te komen, linksom of rechtsom.
We zijn eruit. Maecenas zal de opzet van de toespraak schrijven, Octavius zal hem afronden, morgen beginnen we. ‘En vergeet niet, vriend,’ zegt Octavius tegen Maecenas, ‘dat dit een eenvoudige toespraak moet zijn, geen gedicht. Ik weet nu al dat ik al die ingewikkelde zinnen van je zal moeten ontrafelen.’
Ze zitten ernaast. Marcus Antonius is niet bang voor ons, voor niemand.

IX. Brief: Gaius Cilnius Maecenas aan Titus Livius (13 v. Chr.)

Een paar jaar geleden heeft mijn vriend Horatius me eens beschreven hoe hij een gedicht maakte. We hadden wat wijn gedronken en waren in een serieus gesprek verwikkeld, en volgens mij was zijn beschrijving die keer accurater dan die in de zogenaamde Brief aan de Pisonen – een gedicht over de kunst van het dichten, waarvan ik, moet ik bekennen, niet al te veel moet hebben. Hij zei: ‘Ik besluit een gedicht te maken als ik daartoe door een krachtig gevoel word aangezet – maar ik wacht totdat dit gevoel uitkristalliseert tot een overtuiging. Vervolgens verzin ik een doel, zo eenvoudig mogelijk, waarop het gevoel zou kunnen uitlopen, al zie ik vaak niet voor me hoe. En dan schrijf ik mijn gedicht, met alle middelen die me daartoe ter beschikking staan. Als het moet neem ik iets over van anderen – geen probleem. Als het moet verzin ik iets – geen probleem. Ik maak gebruik van de taal die ik ken, en werk binnen de grenzen die deze stelt. Maar waar het om gaat, is dit: het doel waarop ik uiteindelijk uitkom, is anders dan het doel dat me in eerste instantie voor ogen stond. Want voor elke oplossing zijn nieuwe keuzes nodig, en elke gemaakte keuze levert nieuwe problemen op waarvoor oplossingen gevonden moeten worden, enzovoort, enzovoort. Diep in zijn hart is de dichter altijd verbaasd over de richting waarin zijn gedicht is gegaan.’

[...]

 

© John Williams, 1972
© Vertaling uit het Amerikaans: Edzard Krol
© Nederlandse uitgave: Lebowski Publishers

Uitgeverij Lebowski

MINDBOOKSATH : athenaeum