Leesfragment: Bijna een paradijs

27 november 2015 , door John Cheever
| |

Volgende week verschijnt John Cheevers Bijna een Paradijs (Oh What a Paradise It Seems, vertaald door C.A.G. van den Broek). Wij publiceren voor.

'In Sears’ ogen leek het of alle schaatsers over het ijs gleden in de gelukzalige zekerheid dat ze op weg naar huis waren. Voor velen van hen, Sears zelf niet uitgezonderd, was dat misschien een lege kamer en een leeg bed, maar dit zwieren over het zwarte ijs overtuigde Sears er toch van dat hij bezig was aan een thuisreis.'

'Dit is een verhaal om in bed te lezen, op een regenachtige avond in een oud huis.' Zo begint het verhaal van Lemuel Sears, zakenman op leeftijd en een gevoelsmens met het hart op de juiste plaats. Wanneer zijn geliefde schaatsmeertje in het idyllische stadje Janice plots verandert in een vuilstortplaats, laat hij tot op de bodem uitzoeken wat daarachter steekt. Zeer tegen de zin van de lokale autoriteiten en hun maffiaconnecties doet hij zijn uiterste best om de vervuiling van het meertje een halt toe te roepen.
Ondertussen houdt ook zijn eigen gevoelsleven hem bezig. Hij valt voor de mooie, wispelturige makelaar Renée, die hij in de rij bij de bank ontmoet. Hun affaire heeft voor hem een bitterzoet tintje - misschien is dit wel de laatste keer dat de liefde zich aandient. Maar het leven heeft een verrassing voor hem in petto in de vorm van Renées liftbediende Eduardo.

Bijna een paradijs is het laatste werk van John Cheever. Deze moderne fabel over de oude romanticus Sears die in de twintigste-eeuwse maatschappij met al haar snelwegen, supermarkten en fastfoodfilialen op zoek blijft naar zuiverheid, waarachtigheid en liefde, schreef Cheever in de wetenschap dat hij niet lang meer te leven had. Cheevers zwanenzang is naast aangrijpend ook buitengewoon geestig en bovenal vreugdevol. Voor deze uitgave werd de vertaling volledig herzien.

1

Dit is een verhaal om in bed te lezen, op een regenachtige avond in een oud huis. De honden slapen en je kunt de rijpaarden Dombey en Trey horen in hun boxen aan de overkant van de zandweg achter de boomgaard. De regen is mild en welkom, maar niet verschrikkelijk welkom. Het grondwaterpeil is redelijk, de nabije rivier is welgevuld, de bevloeiing van tuinen en boomgaarden – het is op de kentering van het seizoen – is bijna ideaal. In het stadje bij de waterval waar jaren geleden zo veel katoen werd vervaardigd in de spinnerij, zijn haast alle lichten uit.
De granieten muren van de textielfabriek staan nog steeds op de oever van de brede rivier en het huis van de fabrikant, met zijn vier Korinthische zuilen, troont nog steeds op de top van de enige heuvel van de stad. U denkt misschien dat het een slaperige plattelandsgemeente is die weinig voeling heeft met een veranderende wereld, maar in het wekelijkse nieuwsblad wordt met grote regelmaat melding gemaakt van Onbekende Vliegende Voorwerpen. Die worden niet alleen gerapporteerd door huisvrouwen die de was ophangen en jagers die achter eekhoorns aan zitten, ze zijn evengoed gesignaleerd door meer vooraanstaande leden van de gemeenschap, zoals de onderdirecteur van de bank en de vrouw van de commissaris van politie.
Wanneer u van noord naar zuid door het stadje zou lopen, zou u ongetwijfeld het grote aantal honden opvallen en het feit dat ze allemaal zo dartel waren – en dat het hier zonder uitzondering ging om bastaarden, maar wel bastaarden met de karakteristieke kenmerken van de rassen waar ze kruisingen van waren. Misschien zou u een gladharige poedel tegenkomen of een Airedale terriër met erg korte poten of een hond die leek te beginnen als collie en die eindigde als Deense dog. Dankzij deze bloedvermenging – bloedvernieuwing, zou je kunnen zeggen – was het een uiterst levendig stel honden geworden en ze holden door de lege straten alsof ze te laat waren voor een belangrijke maaltijd, taak of bijeenkomst, zich niets aantrekkend van de eenzaamheid waaronder een deel van de bevolking scheen te lijden. Het stadje heette Janice, naar de eerste vrouw van de fabriekseigenaar.
Een van de opmerkelijkste aspecten van het stadje en van zijn plaats in de geschiedenis was dat er geen enkele vestiging van welke fastfoodketen dan ook te vinden was. Dit was voor die tijd heel ongebruikelijk en men zou eruit kunnen afleiden dat het stadje te lijden had onder een of ander onheil, zoiets als bittere armoede of een gebrek aan ondernemingsgeest bij zijn inwoners; maar het was gewoon een fout van een van die computers op wier gezag de locaties voor fastfoodfilialen worden uitgekozen. Een andere historische bijzonderheid lag in het feit dat de grote villa’s, die restverschijnselen uit een andere tijd, nooit verbouwd waren tot verpleeginrichtingen voor de omvangrijke bevolkingsgroep van kindse en wegkwijnende bejaarden die, hoe gewetenloos ook, met baanbrekende medische vindingrijkheid in leven werden gehouden.
Aan de noordkant van het stadje lag het Meertje van Beasley – een diepe waterplas in de vorm van een gebogen arm en met dichtbeboste oevers. Hier was water en groen in overvloed en als je een negentiende-eeuwse schilder was geweest zou je op de voorgrond een lieftallige vrouw plaatsen, zittend op een ezel, licht gebogen over het kind in haar armen en begeleid door een man met een staf. Zo kon de kunstenaar zijn schilderij ‘De vlucht naar Egypte’ noemen, ook al had hij niets anders willen vastleggen dan zijn overrompelende plezier in een mooi landschap op een zomerse dag.

Een man op leeftijd is maar een onbeduidend iets, een haveloze jas op een bonenstaak, tenzij hij de kleurige pluimage ziet van de vogel die ‘moed’ heet – cardinalis virginianus, in dit geval – en o, wat een sprong maakte zijn hart. Maar wat had een kardinaalvogel te zoeken in East 78th Street? Hij belde zijn oudste dochter, die in Janice woonde, en vroeg of er geschaatst werd. Hun vriendschap was een relatie van zeer praktische aard, voornamelijk gekenmerkt door scepticisme. Ze antwoordde dat het erg koud was geweest; er lag geen sneeuw en hoewel ze zelf geen schaatsers op het meertje gezien had, vermoedde ze dat het dichtgevroren was. Zijn schaatsen lagen op de vliering, wist ze nog, bij zijn tekenmap en zijn verzameling opgeprikte vlinders. Dit alles vond plaats op een zondagmorgen tegen het eind van januari en hij nam de trein, een boemeltje, naar het district waar zijn dochter woonde.
Zijn naam was Lemuel Sears. Hij was, zoals gezegd, een oude man, maar nog gezond van lijf en leden. Hij hoefde nog niet naar de overkant van de straat geholpen te worden. Hij was oud genoeg om zich nog te herinneren dat aan de horizonten van zijn land eens de mooie, treurende wijnglas-iepen overheersten en dat de meeste badkuipen toen nog leeuwenpoten hadden. Hij was oud genoeg om zich de belofte van het reizen per zeppelin te herinneren en hij zou nooit vergeten hoe hij een van de hoofdsteden van het Heilige Roomse Rijk binnengetrokken was. De bombardementen over en weer hadden van deze grote mijlpaal van de geschiedenis niets overeind gelaten dat hoger reikte dan je schouder. In de verwoeste kathedraal lagen de onbegraven doden. Het was een prachtige zomerdag. Hij was gewapend met het eerste type zelflader met gasdruk (de m1), bereid om de vijand te doden en zijn leven te geven ter verdediging van de vrijheid van meningsuiting, godsdienst en verkeer.
Zijn dochter gaf hem een vluchtige kus. Hun verhouding was sceptisch, zoals gezegd, en toch vrij innig. Ze was de dochter van Amelia zaliger, zijn eerste vrouw. Ze gaf hem zijn schaatsen en bood aan hem naar het meertje te rijden, maar hij ging liever te voet. Het was ongeveer zes kilometer lopen en hij droeg een gekleed pak met vest en een bontmuts die hij gekocht had in een van de Oost-Europese landen waar hij vaak op zakenreis was geweest namens een computerfa brikant. Hij had wit haar dat groeide als tarwegras en de getaande huid van een zeiler. Hij behoorde tot die generatie – en die klasse – die een overjas als een allerlaatste redmiddel beschouwde. Handschoenen droeg hij natuurlijk wel. Het meertje waar hij naartoe liep, heette ‘het Meertje van Beasley’, maar niemand scheen nog te weten wie de Beasleys waren geweest. Het was vier of vijf kilometer lang, als je de afstand nam van het ene uiteinde tot het andere. Het leek vandaag helemaal dichtgevroren en toch waren er niet meer dan vier of vijf schaatsers op het ijs, ook al was het een milde zondagmiddag.
Toen Sears naar het tafereel keek, moest hij denken aan de achttiende- en negentiende-eeuwse Hollandse schilders. Hij herinnerde zich dat zij een monopolie hadden op ijsgezichten en dat er – lang voordat de prijzen op de kunstmarkt onnavolgbaar waren geworden – na afloop van een kunstveiling altijd een paar achtergebleven Hollandse schaatstafereeltjes tegen de onverkochte paraplubak leunden, naast het ongewenste klavecimbel. Brueghel had een paar winterscènes geschilderd, maar Sears had er ooit een gezien uit een veel vroegere periode – een tekening, uit de twaalfde eeuw meende hij – en hij dacht nog altijd met plezier terug aan Alan Gardener, de Britse paleontoloog die naam had gemaakt met de hypothese dat de schaats – of ‘sjaats’, want hij was natuurlijk van vóór iedere ons bekende taal – homo sapiens bij het jagen de snelheid had verleend waarmee hij de neanderthaler had kunnen overvleugelen in de strijd om de suprematie. Dit had tweehonderdduizend jaar geleden plaatsgevonden; de aarde was nog grotendeels met ijs bedekt en de schaats was gemaakt van de schedel van de Judsas-breedbek. Het feit dat de stelling van Alan Gardener op pure verzinsels berustte, werd pas laat in diens carrière aangetoond – maar het poëtische van zijn ideeën was Sears altijd bijgebleven, want de lichtvoetigheid die hij op de schaats ervoer, leek inderdaad een soort oerervaring. Bovendien juichte hij elke poging om de academische wereld te bedonderen toe.
Hij bond zijn schaatsen onder en zwierde weg. Dit ging hem even natuurlijk af als zwemmen. Hij vroeg zich af waarom er maar zo weinig mensen op het ijs waren en informeerde ernaar bij een jonge vrouw. Ze was maar net rijp voor het huwelijk en ze had donker haar en gouden ringen in haar oren en droeg een ijshockeystick alsof het een parasol was. ‘Ik weet het, ik weet het,’ zei ze, ‘maar ziet u, het is hier al honderd jaar niet meer dichtgevroren. Het is meer dan een eeuw geleden dat het zo koud was zonder dat het sneeuwde. Is het niet goddelijk? Ik vind dit zo lekker, zo heerlijk! Ik vind dit zo heerlijk, zo lekker!’ Precies diezelfde uitroep had hij ooit uit de mond van een minnares gehoord – zo lang geleden dat hij zich haar naam of de kleur van haar haar niet meer kon herinneren, noch wat precies de erotische capriolen waren die ze toen uithaalden.
Hij schaatste en schaatste. Zijn lichtvoetigheid wekte in hem een vreugde die inderdaad van God afkomstig leek, precies zoals ze had gezegd. Scherend over een lang stuk donker ijs kreeg hij een gevoel van thuiskomen. Eindelijk, eindelijk keerde hij na een lange, koude reis terug naar een plek waar zijn naam bekend en geliefd was en waar lampen brandden in de kamers en vuur in de haarden. In Sears’ ogen leek het of alle schaatsers over het ijs gleden in de gelukzalige zekerheid dat ze op weg naar huis waren. Voor velen van hen, Sears zelf niet uitgezonderd, was dat misschien een lege kamer en een leeg bed, maar dit zwieren over het zwarte ijs overtuigde Sears er toch van dat hij bezig was aan een thuisreis. Een sceptischer geest zou wellicht opmerken dat dit alleen maar aantoonde hoe kortstondig de illusie van het thuiskomen is. Er volgde een winterse zonsondergang en te midden van die ontzagwekkende demonstratie van kleur en licht reeg hij zijn schaatsen los en keerde terug naar zijn flat in de stad.
Maar de volgende zondag was hij weer op het ijs te vinden en ditmaal waren er meer mensen. Het waren er misschien vijftig – een gering aantal voor zo’n uitgestrekte ijsvlakte. Ergens was een ijshockeypiste geïmproviseerd en links daarvan was een gedeelte waar haast alle schaatsers volleerde figuurrijders leken te zijn; maar de meeste mensen trokken net als Sears gewoon hun baantjes, heen en weer, volkomen opgaand in de illusie dat ze van nature lichtvoetig en gracieus waren, of dat nu te zien was of niet. Sears viel een paar keer, maar dat deed bijna iedereen. Tegen het eind van de middag remde hij als een prof en bleef staan luisteren naar de stemmen van de schaatsers.
Het was al laat. De schaduw van een heuvel had de helft van het ijs in donker gehuld. Het partijtje ijshockey was bijna afgelopen en de kunstschaatsers hadden hun schaatsen uitgedaan en waren naar huis gegaan. De stemmen op het ijs klonken in de naderende avond buitengewoon licht, het deed hem denken aan stemmen op een strand aan de Middellandse Zee, voordat die kust ons ontviel door de barbaarsheid van de vervuiling. Het was of hij en zijn metgezellen op het ijs nu mochten genieten van diezelfde wonderlijke preoccupatie met onschuld waar de mensen op een strand altijd door in beslag worden genomen wanneer de duisternis begint te vallen. Dus schaatste hij weer door totdat de zon was ondergegaan, kuste zijn sceptische maar liefhebbende dochter gedag en ging terug naar zijn woning in de stad. Zo’n twee weken later keerde Sears met zijn schaatsen terug, maar slechts om te ontdekken dat het ijs gesmolten was en dat het Meertje van Beasley gebruikt werd als vuilnisbelt. Het was een hele klap. Bijna een derde ervan was al met rotzooi gedempt en ergens rechts van hem zag hij het karkas van een tien jaar oude auto en iets dichterbij een dode hond. Hij dacht dat zijn hart zou breken.
Waarom een vuilnisbelt bezingen, waarom een beschrijving willen geven van een dergelijke uitwas? Dit was het afvoerputje van een maatschappij die naar een nomadisch bestaan neigde zonder zijn voorkeur voor draagbare elektronica te beteugelen. De meeste nomadenvolkeren ontwikkelen een beschaving van tenten en zadels en rondtrekkende kuddes, maar dit hier was een zwervend volk met een voorliefde voor enorme ledikanten en gigantische koelkasten. De botsing tussen hun beweeglijkheid – de manier waarop ze zich lieten meedrijven – en hun zucht naar bestendigheid had zijn chaos uitgestort in het Meertje van Beasley.
Maar waarom uitweiden over een ramp – en het wás een regelrechte ramp die Sears daar onder ogen kreeg, maar wel een ramp met een melancholieke kracht. De meeste mannen hebben voor hun lief weleens een elektrische broodrooster of een stofzuiger gekocht en zijn daarvoor beloond met enkele ogenblikken van genot. De aanblik van die souvenirs d’amour – verroest, uiteengevallen en met zo veel kracht weggesmeten dat ze ondersteboven terecht waren gekomen – kan een heel droefgeestige ervaring zijn. Duizenden en nog eens duizenden kleerhangers van metaaldraad zorgden voor het enige huiselijke, waarachtige accent.
Toen Sears terug was in de stad belde hij zijn advocaten en vroeg hen de tragedie van het Meertje van Beasley te onderzoeken. En hij schreef een brief naar de krant.

© John Cheever 1982
© Nederlandse vertaling 2014 C. A. G. van den Broek, herzien door Rebecca Wilson

Uitgeverij Van Gennep

MINDBOOKSATH : athenaeum