Leesfragment: Bloedbroeders

27 november 2015 , door Ernst Haffner
| | |

Komende week verschijnt Ernst Haffners Bloedbroeders, vertaald door Anne Folkertsma. Wij publiceren voor. 'De kelner brengt uitermate smerige, maar in elk geval hete bouillon. Dan beginnen ze de broodjes en de worsten naar binnen te werken. Daarbij wordt weinig gezegd. Alleen duistere, bijna dierlijke klanken, gegrom waarmee de maag zijn bevrediging te kennen geeft. De jongens lijken getransformeerd. Hoe ze hun tanden in de eindjes worst zetten, hoe hun kaken malen. Hoe ze elkaar aankijken met blikken die zeggen: tjongetjonge, wat is het heerlijk om zo te schranzen en te zien dat er nog meer is…'

In de jaren dertig zwierven duizenden dakloze jongeren over de straten van Berlijn. Velen waren het slachtoffer van de precaire economische situatie, anderen kwamen uit door de Eerste Wereldoorlog verwoeste gezinnen. Vaak verkozen ze een leven op straat boven opname in een jeugdinrichting, waardoor ze veelal in de criminaliteit en prostitutie terechtkwamen. Om toch een vorm van saamhorigheid te creëren, werden ze lid van bendes die niet alleen veiligheid, maar ook vriendschap boden.

In een messcherpe, filmische stijl beschrijft Haffner het rauwe leven van de bloedbroeders en geeft een krachtig en zelfs hoopvol beeld van de overlevingskracht van de jeugd.

Over Ernst Haffner (1900-1938) is maar weinig bekend. Hij was een sociaal werker en journalist in Berlijn. In 1938 wordt de auteur nog eenmaal genoemd door de Cultuurkamer, op de afdeling die zich bezighield met de boekverbrandingen. Daarna ontbreekt ieder spoor.

1

De jeugdbende de Bloedbroeders en de ‘Eeuwige Hulp’ – Bendeleider Jonny – Vijfenveertig bolletjes en twee worsten – ‘Rollen die hap, rollen’

Als nietige schakeltjes in een vermoeide menselijke slang die over het langgerekte bedrijfsterrein en door twee verdiepingen kronkelt, staan de acht jongens van de bende de Bloedbroeders net als honderd anderen te wachten tot ze eindelijk vanuit de verschrikkelijke waterkou de warme wachtkamers binnen mogen. Nog een minuut of drie, vier. Dan, stipt om acht uur, wordt de zware ijzeren deur op de tweede verdieping geopend. Met een eerste schok is in de Chausseestraße het bureaucratisch gecompliceerde bedrijf van het districtskantoor van de sociale dienst Berlin-Mitte op gang gebracht. De schok plant zich voort in de vele kronkels van de slang. De menselijke schakels schuiven op, schuifelen voetje voor voetje verder, met de talrijke vereiste papieren in de hand. Als tegemoetkoming is er van ambtswege een gedrukte ‘richtlijn’ verstrekt die in een eindeloze kolom de benodigde papieren opsomt, alsmede de vierentwintig uithoeken van de stad waar die worden afgegeven.
De slang heeft de reusachtige wachtkamer met het betaalloket al bereikt. Hier splitst hij zich fluks in twee slangetjes, met militaire precisie. Het ene slangetje wacht geduldig tot het schorre kantoorfactotum Paule ter voorbereiding van de uitbetaling ieders stempelkaart inneemt. Slangetje nummer twee kronkelt voor het informatieloket, waar na beantwoording van de vragen naar het hoe en wat een kartonnetje met een nummertje wordt overhandigd. Vervolgens stuiven de afzonderlijke schakels twee andere zalen in, om voor de deuren van de heren kantoorbediendes geduldig als een lam te wachten tot hun nummer wordt afgeroepen. Dat lammerengeduld moeten ze zeker een uur of vijf, zes bewaren. De acht bendeleden sluiten zich noch bij het ene, noch bij het andere slangetje aan, maar schieten zo snel ze kunnen de ‘Eeuwige Hulp’ binnen. Misschien kunnen ze nog een bank bemachtigen.
Wachtkamer de Eeuwige Hulp. Bij de bijbehorende bureaus worden de aanvragen van de zogenoemde Erwerbslosenhilfe ingediend. De ambtelijke afkorting ‘E.H.’ voor de steun aan werklozen is met vileine gevatheid omgedoopt tot ‘Eeuwige Hulp’. Nu al, een halfuur na opening, is de grote zaal overvol. De paar banken zijn tot op het laatste plaatsje bezet. Wie geen zitplaats heeft gevonden, hangt rond op de gang of leunt tegen een van de beide lange muren van het vertrek, die van de duizenden leunende ruggen vreselijke vettig-zwarte vlekken hebben gekregen. Het onzegbaar troosteloze licht van de grijze dag vermengt zich met het schijnsel van het zwakke elektrische peertje en zorgt zo voor een tweeslachtige schemer, waarin de gezichten van de wachtenden nog wanhopiger, nog uitgeteerder lijken. Achter de twee korte muren bevinden zich lichte, propere kantoren. Hoewel de deuren in de muren niet zijn vergeten, zijn er ook nog eens vierkante gaten in uitgehakt – ter grootte van een ambtenarenhoofd uit een lage salarisschaal. Direct naast de deuren. Om elk onnodig contact met het wachtende plebs te vermijden, roepen de ambtenaren de nummers niet door de deur. Nee: het luikje wordt opengetrokken en er verschijnt een fraai omlijst mannenhoofd dat het nummer brult. Dan klapt het luikje onmiddellijk weer dicht. Het opgeroepen nummer – pas in het kantoortje wordt duidelijk dat het ‘Meyer, Gustav’ of ‘Abrameit, Frida’ heet – sjokt door de deur naast het luikje naar binnen. Bij elke oproep schieten de hoofden van de wachtende mensen omhoog. Soms gaan in beide muren tegelijk luikjes open. Dan schieten – hup – alle hoofden omhoog en draaien ze – hup – naar achter.
De acht jongens hebben toch nog een hele bank weten te bemachtigen, de oproepen laten hen koud, ze slapen, zitten te dommelen. Ze zijn de hele eindeloze winternacht op straat geweest. Zoals zo vaak: zonder onderdak. De hele tijd op sjouw, de hele tijd in beweging. Aan uitrusten viel bij dit weer niet te denken. Dagen oude blubbersneeuw, af en toe kwam de regen met bakken uit de hemel en werd alles goed gemixt door een koude wind die de jongens door merg en been ging en die hun monden liet snateren als eendensnavels. Acht jongens tussen de zestien en negentien. Een paar zijn uit het opvoedingsgesticht ontsnapt. Twee hebben ergens in Duitsland nog ouders. Een enkeling heeft nog een vader of moeder. Hun geboorte en hun vroegste jeugd vielen in de oorlog en de periode vlak daarna. Toen ze op hun O-beentjes hun eerste stapjes probeerden te zetten, waren ze al aan zichzelf overgelaten. Hun vader lag te velde of stond al op de lijst met vermisten. Moeder draaide granaten of hoestte per centigram de longen uit haar lijf in de kruit- en springstof - fabrieken. En de kinderen met hun koolraapbuikjes – het waren niet eens meer aardappelbuikjes – loerden op de binnenplaatsen en op straat naar iets eetbaars. Toen ze wat groter waren, gingen ze in roedels op rooftocht. Op rooftocht om hun buik te vullen. Boosaardige kleine roofdieren.
Ludwig uit Dortmund is wakker geschrokken toen er een nummer werd afgeroepen. Nu zit hij daar, met zijn benen vooruit, zijn knuisten in zijn zakken en in zijn mondhoek een leeg sigarettenpijpje. Zijn smalle, uitgehongerde jongensgezicht met de rappe bruine ogen kijkt belangstellend naar de ingang van de zaal. Zijn kameraden slapen, voorovergebogen, ineengezakt, of hangen krachteloos tegen hun buurman aan. Jonny, hun aanvoerder, hun ‘bendeleider’, heeft hen hier om negen uur ontboden. Hij zou, zoals zo vaak, geld opsnorren. Hoe hij dat doet, verklapt hij niet. Gisteravond heeft hij rond tienen afscheid genomen van zijn kameraden. – Ludwig ziet Jonny de zaal in komen en zwaait enthousiast. ‘Hier, Jonny, hier!’ Jonny is een jongeman van eenentwintig. Zijn forse kin en zijn geprononceerde jukbeenderen maken een wat grove indruk, maar ze getuigen ten minste van wilskracht. Hij kiest zijn woorden verstandig en met zorg, spreekt bijna zonder een spoortje dialect, waaruit blijkt dat hij de slimste is van het stel. Dat hij fysiek hun meerdere is spreekt voor zich, anders was hij geen bendeleider. ‘Goeie - morgen, Ludwig!’ Jonny geeft hem een groot pak sigaretten. Ludwig bedient zich gretig en laat de ontbeerde rook wellustig door zijn mond gaan. Zijn kameraden slapen nog steeds. Ludwig zuigt zijn longen vol en paft de jongens in hun gezicht. Ze slikken, hoesten, worden wakker. Niets had ze sneller kunnen wekken. Sigaretten? Jonny, hallo! Ieder bedient zich gauw. En nu weten ze ook dat Jonny geld heeft, dat ze eindelijk weer iets te eten krijgen. Dus kom op, we gaan. Zoals altijd lopen ze gescheiden, in drie groepjes. Negen jongens samen, dat trekt ongewenste aandacht. Ze slaan vanaf de Chaussee- de Invalidenstraße in. Daar kopen ze hun ontbijt. Vijfenveertig harde bolletjes in drie gigantische zakken en twee hele leverworsten met ui. Dat moet genoeg zijn voor negen man.
Rosenthaler Platz, Mulackstraße, en dan de Rückerstraße in. Naar de stamkroeg van alle bendes rond de Alexanderplatz, naar de Rückerklause.Voor het raam worden al ijverig Kartoffelpuffer gebakken. De vettig sliertende walm van de aardappelkoekjes trekt tot in elke uithoek van het donkere, griezelige en groezelige etablissement. Ondanks het vroege tijdstip is de Rückerklause vol gasten. Het is meer dan een kroeg. Het is een soort ‘thuis’ voor wie er geen heeft. Lawaaiige muziek uit de luidsprekers, lawaaiige klanten. De onappetijtelijke tapkast, de tafels die druipen van het bier en de vuilzwarte, volgekrabbelde muren storen niemand. Rechts van de ingang, in een hoek, neemt de bende plaats. De kelner brengt uitermate smerige, maar in elk geval hete bouillon. Dan beginnen ze de broodjes en de worsten naar binnen te werken. Daarbij wordt weinig gezegd. Alleen duistere, bijna dierlijke klanken, gegrom waarmee de maag zijn bevrediging te kennen geeft. De jongens lijken getransformeerd. Hoe ze hun tanden in de eindjes worst zetten, hoe hun kaken malen. Hoe ze elkaar aankijken met blikken die zeggen: tjongetjonge, wat is het heerlijk om zo te schranzen en te zien dat er nog meer is… En de overige blikken, de dankbare trotse blikken die voor Jonny bestemd zijn omdat hij weer eens voor iedereen geld heeft verdiend.
Achterin, in een van de séparées, zit een bloedjong bendelid bij een benevelde hengst op schoot. Twee kameraden van de jongen lopen voor het afgeschoten zitje op en neer en jutten hem op: ‘Rollen die hap, rollen!’ Rol de zak van je hengst en stop ons zijn portemonnee toe…
Bij een statafeltje leunt een meisje, een kind van een jaar of vijftien, zestien, tussen twee bendeleiders. Ze heeft koket het colbertje van een van de jongens aangetrokken, die het te warm had gekregen, zijn pet opgezet en drinkt met de beide leiders in hun leren jacks de ene borrel na de andere. Haar ziekelijk bleke gezicht met de blauwgeaderde slapen vertrekt van walging, maar toch grijpt haar smoezelige handje weer naar het borrelglas om met een van de leren jacks te proosten. Het meisje opent haar mond: vrijwel tandeloos, met alleen nog wat zwarte stompjes. En ze is beslist nog geen zestien…
Achter de bar houdt de waard alles goed in de gaten. In een degelijk blauw pak, met een hagelwit boordje, het enige in de hele zaak. Onafgebroken dreunt de muziek. Onafgebroken is het een komen en gaan. Allemaal jonge, heel jonge mensen. Velen komen met een rugzak of met een of ander pakket. Dan lopen ze naar het halletje, naar het vreselijk vieze toilet. Een kort gesprekje, uitpakken en opbergen. Geld wisselt van eigenaar. Een borrel aan de bar en weg zijn ze weer. De politie houdt regelmatig razzia’s.
Het meisje is nu stomdronken, tolt van tafel naar tafel en biedt zichzelf aan. Friedel loopt weer eens te leuren, zeggen de klanten, en ze trekken zich verder weinig aan van het treurige schouwspel van het bezopen kind dat haar magere charmes tentoonspreidt. De Rückerklause, een thuis voor wie er geen heeft. De eeuwige honger van de jongens heeft de bolletjes, de worsten en ook nog eens twee aardappelkoekjes de man tot op de laatste kruimel van tafel geveegd. Tevreden leunen ze achterover, nemen een trekje van hun sigaret, drinken een slok bier en neuriën mee met de muziek uit de luidsprekers: ‘… Auf die Dauer, lieber Schatz, ist mein Herz kein Ankerplatz…’ Ze zijn verzadigd, het is warm in de zaak. Ze worden doezelig. Hun hoofden zakken op het tafelblad. Alleen Jonny blijft wakker en zit te roken. Hij betaalt de rekening voor iedereen. Daarna telt hij zijn geld. Hij heeft nog een volle acht mark. Waar moeten ze vannacht slapen? Het goedkoopste logement rekent voor het gebruik van een matras vol wantsen vijftig pfennig. Dan komt hij op vier mark vijftig en is er amper genoeg over voor de dag van morgen. Jonny piekert over een goedkopere slaapgelegenheid. Laat de jongens maar slapen. De kelner moet hun zeggen dat Jonny ze vanavond om acht uur bij Schmidt verwacht.

 

Copyright © Metrolit Verlag GmbH & Co. KG, Berlin, 2013
Copyright Nederlandse vertaling © 2014 Anne Folkertsma

Uitgeverij De Bezige Bij

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum