Leesfragment: Bram

27 november 2015 , door Henk van Gelder
| | | |

7 oktober verschijnt Henk Vermeulens Bram. Bram Vermeulen. Op leven en dood. Wij publiceren voor. 'Ze leerden ook hun samenzang te verbeteren door een specifieke rolverdeling: Freek zong de teksten zoals hij ze had geschreven, terwijl Bram van de meeste woorden alleen de klinkers zong. Door de medeklinkers weg te laten, klonken de klinkers veel voller. Alsof er bij Neerlands Hoop altijd perfect werd gezongen, in een onversaagd unisono.'

'Meneer Vermeulen, we hebben u vandaag al drie keer gedraaid!' zei de begrafenisondernemer toen Bram Vermeulen in de rouwstoet voor zijn pas overleden moeder naar het Haags crematorium liep. Het nummer waarop de man doelde was 'De steen', een van de onvergetelijke liederen uit het rijke oeuvre van een van de beste singer-songwriters van Nederland. Bram Vermeulen (1946-2004) was al beroemd als volleyballer, toen hij de nog onbekende Freek de Jonge meesleepte in het grote Neerlands Hoop-avontuur, waarmee het cabaret in de jaren zeventig volledig overhoop werd gehaald. Maar toen Freek zich abrupt afwendde om solo verder te gaan, viel Bram in een zwart gat en het duurde nog jaren voordat hij zijn draai weer had gevonden. Niet als popzanger, niet als presentator van een spelshow bij Veronica, maar als de eigenzinnige artiest die liederen zong alsof zijn leven ervan afhing. Tien jaar na zijn plotselinge dood, die dit najaar onder meer wordt herdacht met theaterhommages in Nederland en België, ontrafelt Bram het veelbewogen leven van de gangmaker, de spelverdeler en de grappenmaker, die een waarheidszoeker en een reïncarnatiegelovige werd.

5. Kunst en vliegwerk

Bram Vermeulen ging er, zelfs decennia later, nog altijd prat op dat Don Quishocking aan de Delftse zege slechts twaalf geboekte voorstellingen overhield, terwijl Neerlands Hoop er meteen zesendertig kon noteren. Of die aantallen volkomen correct zijn, is een tweede. Maar ze duiden er wel op dat heel wat theaterdirecteuren nieuwsgieriger waren naar een optreden van Bram en Freek dan naar het gedistingeerde cabaret van de Cameretten-winnaars. En als niet hun eigen smaak de doorslag gaf, dan wellicht het vermoeden dat Neerlands Hoop meer publiek zou trekken. ‘Eigenlijk hadden we na Delft al het gevoel dat de top bereikt was,’ zegt Freek. Maar aan de grote schouwburgen kwamen ze nog niet meteen toe. In de eerste maanden na Cameretten, eind 1968 en begin 1969, vermeldde de agenda optredens in zaaltjes als het Bosbaanrestaurant in het Amsterdamse Bos, het Pockettheater in Utrecht, de Hurley Hockeyclub in Amstelveen, theater Allerlei in Rotterdam en het Christelijk Lyceum in Goes.
Ook in dit kleine circuit liep het trouwens lang niet altijd vol. Toen ze in het voorjaar van 1969 in het Lantaarn-theater in Rotterdam stonden, was het daar nog maar halfvol, blijkens een welwillende recensie van C.J. Wisse in Het Vrije Volk. Net als de meeste van zijn collega’s besteedde Wisse vooral aandacht aan Freek (‘een origineel talent’) en werd Bram alleen in de conclusie even genoemd: ‘Met Bram Vermeulen, die virtuoos een elektronisch orgeltje bespeelt, vormt De Jonge een hecht duo, dat met het programma Neerlands Hoop in Bange Dagen (een titel die nergens op slaat) voor een avond uitbundig amusement zorgt. De helaas weinige toehoorders genoten er bijzonder van.’
Zo, vechtend tegen halflege zaaltjes, kregen ze hun nieuwe vak onder de knie. Soms schreeuwend, omdat er nauwelijks enige geluidsversterking aanwezig was. Soms gooiden ze nummers weg, soms verzonnen ze er nieuwe bij, en ook kwam het voor dat de volgorde werd omgegooid zodat een serieus nummer niet werd weggelachen door de hilariteit om het voorgaande en de lachnummers niet allesoverheersend zouden zijn. Ze leerden ook hun samenzang te verbeteren door een specifieke rolverdeling: Freek zong de teksten zoals hij ze had geschreven, terwijl Bram van de meeste woorden alleen de klinkers zong. Door de medeklinkers weg te laten, klonken de klinkers veel voller. Alsof er bij Neerlands Hoop altijd perfect werd gezongen, in een onversaagd unisono.

In het voorjaar van 1969 werd steeds duidelijker dat Bram er in feite twee carrières op nahield, die alle twee het uiterste van hem vergden. Maar hij wist niet van ophouden. Neerlands Hoop speelde inmiddels zo’n tien voorstellingen per maand, terwijl amvj in de volleybalcompetitie verwikkeld was in een strijd om het landskampioenschap. Voor alle zekerheid stuurde Just Enschedé, als manager van Neerlands Hoop, een brief aan de Nederlandse Volleybalbond, waarin hij vroeg om het competitierooster voor de rest van het seizoen ’ten einde nu geen botsingen te veroorzaken tussen Brams sportieve en artistieke verplichtingen’. Per kerende post kreeg hij een lijstje met de data. Voorlopig waren sportiviteit en artisticiteit nog wel te combineren, leek het.
In maart volgde de apotheose van de volleybalcompetitie, toen vijfvoudig kampioen Blokkeer eindelijk door amjv kon worden onttroond. De grote concurrent werd in vijf sets afgemaakt, met 15-7. Maar al meteen na de wedstrijd waarschuwde coach Hidde van der Ploeg tegenover een sportredacteur van dagblad De Tijd dat het team nog wel wat meer inzet zou kunnen tonen. En, doelend op Bram: ‘Iemand die per week hooguit vier uur traint, kun je geen topsporter noemen.’ Meteen na de beslissende wedstrijd tegen Blokkeer was Vermeulen in een taxi gestapt ‘om met zijn cabaret te gaan schnabbelen’, bromde Van der Ploeg. De speellijst van Neerlands Hoop uit die dagen laat zien waarom Bram destijds haast had: hij moest die avond met Freek optreden voor de tennisclub van Shell, elders in Amsterdam. ‘Als je het mij vraagt, was hij tijdens de wedstrijd al aan het repeteren,’ noteerde De Tijd uit de mond van de trainer.
Maar nu Van der Ploeg zijn geërgerde uitspraken na al die jaren te- rugleest, reageert hij met verbazing: ‘Misschien was het strategie om Bram te prikkelen, maar misschien was het toch ook teleurstelling om Brams tweeslachtigheid. Dat "repeteren tijdens de wedstrijd" moet op dat moment een grap zijn geweest. Als hij slecht had gespeeld, had ik hem wel gewisseld en dat is niet gebeurd.’ Opmerkelijk was het in elk geval wel, zo’n schrobbering in het openbaar, via de krant. En de vraag was hoe lang volleybal en theater nog konden samengaan.
Begin april, twee weken na Brams botsing met de trainer, traden Freek en hij op in het kleine Haarloheim-theater in Haarlem. Tot de bezoekers behoorde Peter Lohr, die als Amsterdamse student lid van Pallas was geweest en daarna, in 1964, beroemd en berucht was geworden door in het satirische vara-programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer een gebed in bijbelse taal te richten aan het nieuwe medium televisie, onder het motto: ‘Geef ons heden ons dagelijks programma’. Lohr was intussen directeur van de Haarlemse Stadsschouwburg geworden – en, halverwege de dertig, de jongste schouwburgdirecteur van Nederland. Na hun optreden in Haarloheim liep hij naar de kleedkamer met de vraag of het tweetal aan het eind van het seizoen nog één extra optreden wilde noteren, bij hem in de Stadsschouwburg. Bram en Freek grepen het aanbod gretig aan. Dit zou hun eerste optreden in een groot theater worden. Afgezien van de finale- avond van Cameretten hadden ze nog nooit voor een zaal met zevenhonderdvijftig stoelen gestaan.
In de gehuurde Opel Record Caravan, die door Just Enschedé werd bestuurd omdat Bram en Freek zelf nog geen rijbewijs hadden, reden ze op vrijdag 20 juni 1969 naar Haarlem. In de achterbak lagen de requisieten: de met rood plakplastic overtrokken pianet van Bram, een roodgeverfde kruk, het onderstel voor de twee geluidsboxjes en de grootverpakking met papieren boterhamzakjes die Freek aan het eind van de voorstelling de zaal in zou werpen, zodat iedereen zo’n zakje kon laten ploffen tijdens het kolderieke en opzettelijk ordinaire slotnummer: ‘Ik ken bendes douairières/ met een doodgewone bips/ maar de gedverderrière van mijn tante/ is nog krakender dan chips...’ En op dat laatste woordje moest iedereen het kapotgeplofte zakje laten ritselen.
Nu die zakjes zo’n knaleffect waren geworden, werden ze ook een kostenpost. Volgens een rekensommetje van Enschedé moest er zestig gulden worden betaald voor vijfduizend boterhamzakjes – en die waren na tien à twaalf voorstellingen op. Hij had de Erven Lucas Bols al eens benaderd met de vraag of die misschien bereid waren de zakjes te sponsoren in ruil voor reclameopdruk. Maar de jeneverstoker was niet op dit aanbod ingegaan.
Op de dag van het optreden in Haarlem was het duo nerveuzer dan anders. ‘Oprechte onbescheidenheid is een van de sleutels van het succes van dit duo,’ schreef Peter Lohr nadien op de hoes van de elpee waarop hun eerste show was vastgelegd. Zo onbescheiden waren ze deze keer echter niet. ‘Dag meneer, we treden vanavond hier op,’ zeiden ze netjes tegen de toneelmeester, die rond het middaguur in de deuropening van de artiesteningang op hen stond te wachten. Daarna stak Bram de stekkers van de boxen in de stopcontacten, liet het licht aan en uit doen, testte het geluid en checkte het decor, terwijl Freek ijsberend rondliep tussen de zaal, de kleedkamers en de foyer, zijn teksten prevelde en voor deze gelegenheid nog een paar nieuwe grappen verzon. Lohr had zich dan ook dubbel zijn best gedaan om deze voorstelling meer cachet te geven dan Neerlands Hoop gewend was. Hij had er een echte première van gemaakt, met uitnodigingen aan vrienden en bekenden, pers en collega-schouwburgdirecteuren.
Helemaal vol was het niet. Maar dat viel te verhelpen door iedereen een plaatsje in de zaal te geven en de balkons leeg te laten. Een groot succes was het wel, al moesten Bram en Freek zich des te meer inspannen om de aanvankelijke stroefheid te overwinnen. Dit publiek van genodigden gaf zich niet onmiddellijk gewonnen. Toen het eenmaal toch zo ver was, steeg de hilariteit evenwel tot grote hoogte. Ageeth Scherphuis, toenmalig tv-presentatrice, beschreef de stemming in de zaal later in de Volkskrant met de woorden: ‘Dit is niet alleen ontzettend grappig, maar dit is ook nog eens nooit vertoond.’
Tijdens de nazit, bij Peter Lohr thuis, werd al opgewonden gespeculeerd over de kritieken die na het weekend in de kranten zouden staan. Het kon niet anders of die moesten positief zijn. Al snel was hun onbescheidenheid terug – ze waren geweldig, wie kon dat ontkennen?
En ze kregen grotendeels gelijk. Weliswaar oordeelde het Algemeen Handelsblad dat het eerste deel na de pauze zo zwak was dat het beter ín zijn geheel kon worden weggelaten, maar ze werden wel ‘een aan- winst’ genoemd. NRC vond hen zelfs ‘verrassend goed’. Het Vrije Volk meldde: Het doet maar een eind weg en het is puur pret’. En recensent Gerard Pâques van de Volkskrant concludeerde: ‘Freek de Jonge is een gek, grillig talent, bekwaam gesteund door zijn organist Bram Vermeulen (ook nog volleybal-international)’.

Een mooie kritiek in de Volkskrant, die vooral in Amsterdam de progressieve studentenkrant bij uitstek was, kon tot tevredenheid stemmen. Maar al snel speelde dezelfde Pâques een nog veel grotere rol in de doorbraak van Neerlands Hoop. Vijf dagen na zijn recensie verscheen in de Volkskrant een groot interview met Bram Vermeulen (22) en Freek de Jonge (24), onder de uitdagende kop: ‘We weten dat we goed zijn’. Waar andere debutanten de complimenten van de critici wellicht blozend in ontvangst zouden hebben genomen, noemde dit tweetal de lof ’soms wel wat overdreven’. En vrolijk draafden ze door over de verbazing die hen ten deel was gevallen. ‘We zijn ons kapot geschrokken van de reacties. Het is te gek,’ zei Bram. ‘We moeten oppassen dat we er geen handeltje van maken,’ vulde Freek aan. ‘Geen geldwolven worden, die alleen nog maar aan hun bankrekening denken. Zoals Herman van Veen. Dan is het gebeurd met de creativiteit.’ En nogmaals Bram: ‘Ramses Shaffy zong drie jaar geleden dat het zo stil was in Amsterdam. Dat was prachtig. Maar hij zingt nog steeds dat het zo stil is in Amsterdam.’
Het interview was, ongetwijfeld fiks aangemoedigd door verslaggever Pâques, vooral één lange, boosaardige boutade tegen het Nederlandse cabaret van die dagen. Niemand deugde. Wim Ibo niet, die werd beschouwd als toonaangevend cabaretkenner. Nico Knapper niet, die veel tv-programma’s met kleinkunstartiesten regisseerde. En de artiesten zelf al helemáál niet. ‘De meeste artiesten zijn ontzettend dom,’ verkondigde Freek. ’staan daardoor artistiek gezien stil.’ Waarna Bram er nog een schepje bovenop gooide: ‘Kleinkunst is kunst die eigenlijk te klein is.’ Hun grootste angst was tot het establishment te gaan behoren, noteerde de man van de Volkskrant: ‘Want dan weet je zeker dat er nooit en te nimmer meer iets creatiefs uit je poten zal komen.’
Aldus zette Neerlands Hoop, in dit eerste grote interview in een grote landelijke krant, de toon. Arroganter dan arrogant, leek het. Menigeen ontging de vette knipoog, die door Pâcques dan ook bekwaam uit het stuk was weggelaten. Bram en Freek lieten zich wel interviewen, om net als alle andere artiesten promotie te maken voor hun voorstelling, maar deinsden er tegelijk niet voor terug zo’n vraaggesprek tot een cabaretnummer te maken. Met één kanttekening: ze wilden eigenlijk liever geen cabaretiers worden genoemd. ‘Wat wij brengen,’ zei Freek, ‘noemen we geen cabaret, maar een music and comedy- programma.

Het duo speelde ook in de zomer van dat jaar door. Maar nadat hij begin mei nog met amvj had meegespeeld in een internationaal toernooi in Polen, nam Bram een belangrijk besluit. Hij stopte met volleybal, na zowat tachtig interlands. Opgelucht beantwoordde Just Enschedé op 21 augustus 1969 een brief van de Nederlandse Volleybalbond waarin een aantal nieuwe wedstrijddata werden genoemd. Het afscheid klonk niet echt onherroepelijk, maar daar kwam het wel op neer: ‘Hierbij delen wij u mede dat Bram Vermeulen niet beschikbaar kan zijn voor de drie genoemde interlandwedstrijden, omdat hij op de data van de trainingen en de wedstrijden al artistieke verplichtingen heeft’. En tegelijk kreeg ook amvj te horen dat Bram niet langer zou meespelen. ‘Wat insiders al enige tijd zagen aankomen, is werkelijkheid geworden,’ schreef Hidde van der Ploeg, die zijn positie als amvj-coach kon combineren met journalistieke bezigheden als volleybalmedewerker bij De Tijd. De toon van het artikel was treurig, want volgens Van der Ploeg ging hiermee ‘één van Nederlands grootste talenten’ verloren voor het volleybal. Maar het kon niet anders, zei Bram: ‘Ik zie echt geen kans me vrij te maken.’
Wel wilde hij zijn oude trainer nog een plezier doen met de opmerking dat hij als theaterman veel aan het volleybal te danken had gehad: ‘Het belang van ’n uitgekiende warming-up bijvoorbeeld is mij toen ook duidelijk geworden. Van dat belang heb ik Freek ook kunnen overtuigen. Tegenwoordig is het zo dat als wij in de auto naar een optreden rijden, we zeker een half uur uit alle macht zitten te zingen. Als de voorstelling dan begint, zijn we meteen op volle toeren. Of het nou hartstikke koud is of mistig, dat doet er niet toe.’
Tussen de bedrijven door meldde Van der Ploeg in zijn artikel ook dat Bram Vermeulen, eveneens wegens tijdgebrek, was gestopt met zijn psychologiestudie. En geen wonder: in september begon een lange serie optredens in het Shaffy-theater in Amsterdam (zesentwintig avonden achtereen), gevolgd door een week in het Piccolo-theater in Rotterdam, en nog wat losse boekingen in diverse provinciesteden. De agenda liep behoorlijk vol, al bleef het grotere schouwburgcircuit nog altijd achterwege. Het traditionele publiek zat blijkbaar nog niet echt op Neerlands Hoop te wachten. Wim Kan, die als cabaretvader des vaderlands een miljoenenpubliek trok met zijn oudejaarsconferences, noteerde op 12 september 1969, na een bezoek aan het Shaffytheater, in zijn dagboek hoe hij – en ongetwijfeld vele andere veertigplussers – tegen het nieuwe duo aankeken: ‘Doodmoe word ik van die Freek met die zwaaiende, malende armen en benen. Toch was ik zeker vier- tot zesmaal zeer geboeid, ook door de mimische gaven van de pianist- organist Bram. Bijzonder boeiend af en toe. Maar Freek (vind ik) een drukdoenerige dikdoenige dilettant.’
Just Enschedé stuitte, bij zijn pogingen Neerlands Hoop voor grotere podia te boeken, alsnog op veel afwerende reacties. Zo veel dat hij, als beginneling in het theaterbedrijf, het bijltje er bijna bij neergooide. Hij riep de hulp in van het impresariaat Lumen, het gerenommeerde theaterbureau van Lou Veltmeijer, die onder meer de zaken van de populaire cabaretier Fons Jansen behartigde. De vraag luidde of Lumen wilde helpen met boeken. In zijn brief legde Enschedé uit dat er tachtig theaterdirecteuren waren uitgenodigd voor de première, dat voor het duo een uitkoopsom van twaalfhonderdvijftig gulden in rekening werd gebracht, en dat nog maar elf theaters hadden toegehapt. Of er ooit zaken met Veltmeijer zijn gedaan, lijkt echter onwaarschijnlijk.
Tijdens het tweede seizoen trok Neerlands Hoop in Bange Dagen wel steeds meer publiek – mede doordat Bram en Freek een paar keer op de televisie verschenen, en als gevolg van aanhoudend positieve kritieken. Zoals de gerenommeerde criticus A. Koolhaas die in Vrij Nederland een juichrecensie schreef na een bezoek aan het Shaffy-theater. Hij prees Freek om diens ‘merkwaardige contrastwerking van veel wezenloos en slap gedoe en de onthutsende vitaliteit die erachter moet zitten’. En hij was ook één van de eersten die Bram enige eer bewees: ‘Bram Vermeulen verleent het geheel een fantastisch goed uitgekiende muzikale achtergrond; attributen en hulpmiddelen zijn van de uiterste bescheidenheid, tot aan het slot de uitsmijters van de Douairières voor een zodanige knallende apotheose zorgt, dat het publiek onthutst over het programma en zichzelf op straat belandt.’ En zijn conclusie (‘een heerlijke en ongemeen boeiende avond’) was dermate ongeclausuleerd dat de intellectuele goegemeente – immers destijds de lezerskring van Vrij Nederland – in drommen kaartjes wilde kopen voor Neerlands Hoop.

Het begon langzamerhand op een bedrijf te lijken, vond Enschedé, en er moest dus een vennootschap onder firma komen. Op het vertrouwde Pallas-adres Kattengat 8, Amsterdam werd Good Boy Productions gevestigd – een samenstelling van de woorden Good (de letterlijke vertaling van Abraham aldus Bram) en Boy (oftewel De Jonge). Blijkens de oprichtingspapieren brachten F.J.G. de Jonge, Lijnbaanstraat 27, en A.G. Vermeulen, Kattengat 8, elk tweehonderd gulden in. De inlegsom van J.J. Enschedé bedroeg honderd gulden. Zo begon Good Boy met een inlegkapitaal van vijfhonderd gulden. Dat was lang niet mis voor drie studenten zonder rijke ouders. Maar er kwamen al spoedig extra inkomsten.
Al vóór de zomer waren Bram Vermeulen en Freek de Jonge benaderd door de Leidse meisjesstudentenvereniging vvsl, die haar veertiende lustrum kracht wilde bijzetten met een musical van eigen makelij. En de vraag luidde of zij die wilden schrijven. Bram en Freek reageerden enthousiast. De internationale succesmusical Hair trok in die dagen een nieuw, jong publiek naar de theaters, met een mengeling van maatschappelijk engagement, popmuziek en een rock-achtig soort ruigheid. Hair had een heuse revolutie te weeg gebracht in het voorheen nogal burgerlijke musicalgenre – vergelijkbaar met de rol die het eveneens door popmuziek voortgedreven Neerlands Hoop in de cabaretsector speelde. De geestverwantschap lag voor de hand. Ze gingen graag op het aanbod in. Of, zoals Good Boy Productions het in een persbericht formuleerde: ‘Bram en Freek – die juist in die periode als het duo Neerlands Hoop in Bange Dagen bekendheid begonnen te krijgen, zagen en zien het fenomeen musical als een uitdaging, hadden er altijd al één willen schrijven, en namen het aanbod aan.’ Enschedés administratie vermeldt dat ze elk vijftienhonderd gulden zouden ontvangen. Bram stond bovendien in de boeken met vierhonderd gulden voor het decor, terwijl Freek zevenhonderdvijftig gulden extra zou krijgen als co-regisseur. De andere regisseur was hun vriend Eddy Habbema, want ook hij behoorde tot het pakket dat de vrouwelijke studenten werd aangeboden. Een werktitel was er ook al: ‘Hoe de waarheid aan het licht kwam’.
Vlak voor de zomer werden de audities gehouden, in de grote zaal van het vvsl-gebouw aan het Rapenburg. Inclusief het ensemble werden er talenten gezocht voor veertig rollen en rolletjes. ‘Ze zochten vooral zangstemmen,’ vertelt Hanca Leppink, die destijds als twintigjarige studente Engels auditeerde. ‘Bram speelde, hij was heel vrolijk en vriendelijk. Freek stond er alleen maar bij, heel lang en dun. Bram vroeg of ik “House of the Rising Sun” wilde zingen. Maar dat kon ik helemaal niet. Toen noemde hij een tweede titel, die ik evenmin aankon. Wat kun je dan wél, vroeg hij. Ik zei: Frank Mills uit Hair. Maar toen zei Bram: dat kan ík niet spelen. Vervolgens heb ik met een hoog stemmetje a capella Frank Mills gezongen; dat vonden ze leuk.’ In de bewaard gebleven auditie-aantekeningen kreeg Hanca Leppink positief commentaar: ‘Zingt goed en acteert inventief.’ Verder was ze een ’type voor vlechten’. Dat kwam goed uit, want ze kreeg de hoofdrol van een herderinnetje dat met haar herder en haar schaapskudde werd weggehaald uit haar pastorale omgeving om de confrontatie aan te gaan met de corrupte en corrumperende wijde wereld.

In september waren script en muziek voltooid. Toen konden de repetities beginnen. Onder de veranderde titel De dag dat de onschuld dood ging zou de productie op drie achtereenvolgende avonden (18, 19 en 20 december) worden gespeeld in het Haags Congresgebouw, waar de vvsl-dames jaarlijks hun grote toneelavond hielden. ‘Het was een intensieve repetitieperiode,’ aldus Leppink. ‘Iedereen was behoorlijk gedisciplineerd. We waren een club van meiden die graag aan de weg wilden timmeren. Daarbij schiepen Eddy en Bram, met zijn enorme vrolijkheid, een prettige sfeer. Freek was minder sociaal. Hij straalde vooral uit dat hij dacht: wat moet ik bij deze tutten?’ Ook maakte ze kennis van Brams muzikale behendigheid: ‘Ik had moeite met invallen. Maar daarin was Bram heel vindingrijk; hij verzon voortdurend iets om mij op te vangen.’
De lof was wederzijds. ‘Die vvsl-meisjes zijn ontzettend speels en beweeglijk, niet te geloven gewoon,’ zei Eddy Habbema drie weken voor de première in een interview met het Leidsch Dagblad. ‘Ze hebben ook helemaal geen last van allerlei frustraties en zo. Ze maken nergens een probleem van. Als er erotische bewegingen gemaakt moeten worden, nou dan zijn ze daar echt niet bang voor, hoor!’
Het Congresgebouw bleek geen ideale locatie te zijn. Zodra het publiek binnenkwam, zegt Hanca Leppink, werd de akoestiek belabberd: ‘We kregen allemaal handmicrofoons die verstopt waren in grote bloemen’..Desondanks werd alom geklaagd over de verstaanbaarheid; de muziek – gespeeld door twintig man orkest en een vierkoppige beatgroep – speelde de hoofdrol.
In de meeste landelijke kranten werd de vvsl-musical niet gerecenseerd; formeel gesproken was het immers een amateurvoorstelling die bovendien maar drie keer werd opgevoerd. Een uitzondering vormde De Tijd, waarin een kort stukje verscheen: ‘Het zingen en dansen waren goed genoeg om de zwakke plekken in de gesproken tekst en de weinig geprononceerde leidraad te verdoezelen’. En in het Leidsch Dagblad, de krant voor de regio, stond een recensie van Pieter C. Rosier, die vooral de prestaties van de spelers prees: ‘Hoewel er wel talent onder meisjesstudenten en hun voor deze gelegenheid uit het Leidse Studentencorps gerekruteerde partners schuilt, hebben zij van De dag dat de onschuld dood ging niet veel meer kunnen maken dan een in de letterlijke betekenis van het woord ’schitterend’ spektakel met een maximum aan afwisselend melodieuze en meedogenloze muziek. De verstaanbaarheid van de teksten liet door het veelvuldig gemanipuleer met microfoons en dat soort mechanische toestanden te wensen over. Dat was bijzonder jammer, te meer daar deze eigentijdse musical, van en voor jonge mensen, tal van sterke teksten bevat met cabareteske woordspelingen en pittige persiflages op de huidige consumptiemaatschappij.’
Na drie enerverende dagen in het Congresgebouw rondden Bram en Freek hun Neerlands Hoop-jaar af met één optreden in het Nivongebouw in Alkmaar en drie avonden in het Globe-theater in Eindhoven. Daarna begon 1970. Met die musical, zeiden ze tegen elkaar, konden ze misschien ooit nog wel eens iets in de professionele sector doen. Maar voorlopig moest eerst het hele land nog plat voor Neerlands Hoop.

 

Copyright © Henk van Gelder

Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

MINDBOOKSATH : athenaeum