Leesfragment: De Condottiere

27 november 2015 , door Georges Perec
| |

25 november verschijnt het onuitgegeven debuut van Georges Perec, De Condottiere (vertaling Edu Borger). Wij publiceren voor. ‘Nu herinnerde hij zich zijn kleinste bewegingen: hij had net een sigaret opgestoken, hij stond een beetje door zijn heup gezakt, met één hand op de tafel. Hij keek naar de Condottiere. En toen drukte hij heel snel zijn sigaret uit. Zijn linkerhand gleed over de tafel, drukte erop en greep een lap stof die hij samenkneep, een oude zakdoek, een lap voor zijn penselen. Het was allemaal afgelopen. Hij leunde steeds zwaarder op de tafel zonder zijn ogen van de Condottiere af te wenden.’

Het romandebuut van Georges Perec, De Condottiere, begint als een misdaadverhaal waarin schilderijenvervalser Gaspard Winckler zijn opdrachtgever Anatole Madera vermoordt. Via een zelf gegraven gang vlucht hij vervolgens uit het atelier, waar hij tevergeefs heeft geprobeerd een schilderij van Antonello da Messina te evenaren. Terloops krijgen we te horen over het trieste verleden van Winckler, zijn scholing als vervalser, zijn onderwerping aan het misdaadsyndicaat dat hem emplooi geeft en zijn tamelijk schimmige liefdesaffaires met twee vrouwen. Wanneer hij zich later verschanst bij zijn vriend Streten nemen de gesprekken met hem, cirkelend rond het misdrijf dat hij heeft gepleegd, bij vlagen de vorm aan van een verhoor.

 

Madera was zwaar. Ik pakte hem onder zijn oksels en liep achteruit de trappen af die naar het laboratorium leidden. Zijn voeten stuiterden van de ene tree op de andere en die hortende en stotende sprongetjes die het ongelijkmatige ritme van mijn afdaling volgden, weerklonken kort en droog onder het smalle gewelf. Onze schaduwen dansten op de muren. Het bloed stroomde nog steeds, stroperig, het droop uit de doordrenkte badhanddoek, gleed in snelle stroompjes over de zijden revers en verdween in de plooien van het jasje, slijmerig, een beetje glanzende straaltjes die door de minste oneffenheid van de stof tegengehouden werden en soms op de grond druppelden, waar zij in stervormige vlekjes uiteenspatten. Ik legde hem onder aan de trap neer, vlak bij de deur naar het laboratorium, en liep weer naar boven om het scheermes te pakken en de bloedvlekken weg te sponzen voordat Otto zou terugkomen. Maar Otto kwam bijna tegelijkertijd met mij door de andere deur binnen. Hij keek naar me zonder er iets van te begrijpen. Ik blies de aftocht, vloog de trappen af en sloot me op in het laboratorium. Ik sloot de deur af met een hangslot en barricadeerde hem met de kast. Hij is een paar minuten later naar beneden gegaan, probeerde de deur te forceren die niet meegaf en liep weer naar boven, waarbij hij Madera met zich meesleepte. Ik stutte de deur nog met de werkbank. Hij kwam even later terug. Hij riep me. Hij schoot twee keer met zijn revolver in de deur.
Zie je, je dacht misschien dat het makkelijk was. Niemand in huis. Niemand in de omgeving. Als Otto niet zo gauw was teruggekomen, waar zou je dan zijn? Je weet het niet, je bent nu hier. In dit laboratorium, zoals altijd, en er is weinig of niets veranderd. Madera is dood. En wat dan nog? Je bent nog steeds in dit onderaardse atelier dat iets wanordelijker, gewoon een beetje vuiler is. Hetzelfde licht schemert nog steeds door het kelderraam. De Condottiere, gekruisigd op zijn schildersezel...
Hij had overal om zich heen gekeken. Het was hetzelfde bureau – dezelfde glazen plaat, dezelfde telefoon, dezelfde agenda op zijn sokkel van verchroomd metaal. Er heerste nog steeds die onverbiddelijke kilte, die strikte orde van die kale stijl, die ijskoude harmonie van kleuren – het donkergroen van het vloerkleed, het vaalrode leer van de leunstoelen, het lichte oker van het behang –, die onpersoonlijke bescheidenheid, de grote metalen ordners... Maar de slappe massa van Madera’s lichaam maakte plotseling een groteske indruk, een valse noot, iets wat enigszins onsamenhangend was, iets anachronistisch. Hij was uit zijn stoel gegleden en lag op zijn rug, met halfgesloten ogen en een halfopen mond, verstard in een uitdrukking van stompzinnige verbijstering die nog versterkt werd door de doffe glans van een gouden tand. Uit zijn afgesneden keel kwam het bloed in dikke scheuten tevoorschijn; het droop op de grond en verspreidde zich langzaam maar zeker over het vloerkleed, en die diffuse, zwartige vlek rond Madera’s gezicht die steeds groter werd, rond dat nu al verdacht witte gezicht, die warme, levende, dierlijke vlek nam langzaam bezit van het vertrek, alsof de muren er al van doordrenkt waren, alsof die orde en die strengheid plotseling overhoop waren gegooid, vernietigd, kapotgemaakt waren, alsof er niets anders meer bestond dan die zich uitvloeiende vlek, dan die smerige, belachelijke massa, dat ontloken, vertienvoudigde, onbegrensde lijk...
Waarom? Waarom heeft hij die zin uitgesproken? ‘Ik denk niet dat dat enig probleem zal opleveren.’ Hij probeert zich Madera’s stembuiging precies te herinneren, dat timbre dat hem de eerste keer dat hij het hoorde had verbaasd, dat heel lichte slissen, dat enigszins aarzelende geneurie, dat bijna onmerkbare gehakkel alsof hij struikelde – alsof hij voortdurend bang was een fout te maken. Ik denk dat. Welke nationaliteit? Spaans? Zuid-Amerikaans? Een accent? Een gemaakt accent? Probleem. Nee. Veel simpeler: een enigszins brouwende stem. Of een beetje hese stem? Hij ziet hem weer met uitgestoken hand op zich aflopen: ‘Gaspard... Zo heet u toch, nietwaar? Het doet me echt plezier om kennis met u te maken.’ En wat verder? Het zei hem allemaal weinig of niets. Wat deed hij hier? Wat wilde hij van hem? Rufus had hem niet gewaarschuwd...
Je vergist je altijd. Je denkt dat alles in orde zal komen, dat de dingen hun normale loop zullen nemen. Maar je kunt niets voorzien. Het is zo makkelijk om je illusies te maken. Wat wilt u? Wilt u een schilderij? U wilt een mooi renaissanceschilderij? Dat kan geregeld worden. Waarom geen Condottiere, al met al?
Zijn weke, enigszins behaagzieke gezicht. Zijn stropdas. ‘Rufus heeft me veel over u verteld.’ Nou en? Was dat alles? Je had op moeten letten, je had het kunnen vermoeden... Die mensen die je in de verste verte niet kende... Maar je hebt de geboden gelegenheid met beide handen aangegrepen. Iets te makkelijk. En nu. Kijk nu ’s...
Om hiertoe te komen. Hij maakt een snelle berekening: al het geld dat uitgegeven is voor de inrichting van het laboratorium, de materialen, de reproducties – foto’s, macrofoto’s, schermbeeldfoto’s, Wood-lichten, strijklichten – projectoren, de rondreis langs de Europese musea, zijn levensonderhoud... dat fabelachtige bedrag voor dit lachwekkende resultaat... Had het iets komisch, die idiote opsluiting? Hij zat aan zijn tafel alsof er niets aan de hand was... Het was de vorige dag... Maar boven, Madera’s lijk in zijn bloedplas... En de zware stappen van Otto, die trouw de wacht hield. Dat allemaal om tot dit resultaat te komen! Waar zou hij nu zijn als...? Hij denkt aan de zon van de Balearen – hij had misschien met één gebaar kunnen volstaan, anderhalf jaar eerder – en dan zou Geneviève bij hem zijn... het strand, de ondergaande zon... een mooie ansichtkaart... Houdt hier alles op?
Nu herinnerde hij zich zijn kleinste bewegingen: hij had net een sigaret opgestoken, hij stond een beetje door zijn heup gezakt, met één hand op de tafel. Hij keek naar de Condottiere. En toen drukte hij heel snel zijn sigaret uit. Zijn linkerhand gleed over de tafel, drukte erop en greep een lap stof die hij samenkneep, een oude zakdoek, een lap voor zijn penselen. Het was allemaal afgelopen. Hij leunde steeds zwaarder op de tafel zonder zijn ogen van de Condottiere af te wenden. Had het dagen en dagen geduurd, deze nutteloze inspanning? Alsof er zich, in weerwil van zijn vermoeidheid, beetje bij beetje een zelfverzekerde woede van hem had meester gemaakt. Zijn hand verkreukelde de lap stof, zijn nagels krasten over het hout. Hij richtte zich weer op, liep naar de werktafel en zocht tussen het rondslingerende gereedschap...
Een zwarte schede van hard geworden leer. Een ebbenhouten heft. Een glanzend lemmet. Hij hield hem tegen het licht en vergewiste zich van de oneffenheid van de snede. Waar dacht hij aan? Hij had het idee dat er niets anders meer bestond dan die woede en die vermoeidheid... Hij liet zich in de leunstoel vallen, met zijn hoofd in zijn handen en het scheermes op nauwelijks een paar centimeter van zijn ogen: het tekende zich duidelijk en scherp af tegen het gevaarlijk gladde oppervlak van de wambuis van de Condottiere. Eén enkele haal en krak... Een enkele haal zou voldoende zijn... Een opgeheven arm, de flits van het lemmet... één enkele beweging... hij zou langzaam lopen, het vloerkleed zou het geluid van zijn stappen dempen, hij zou achter Madera langs glippen...
Er was hooguit een kwartier verstreken. Waar kwam die indruk van verre gebaren vandaan? Bijna vergeten? Waar was hij? Hij was de trap opgelopen. Hij was weer naar beneden gekomen. Madera was dood. Otto hield de wacht. En nu? Otto zou Rufus opbellen en Rufus zou komen. En dan? En als Otto Rufus niet kon vinden? Waar was Rufus? Daar ging het allemaal om. Om die stompzinnige gok. Als Rufus kwam, was hij er geweest en als Otto Rufus niet kon vinden, bleef hij in leven. Hoelang nog? Otto was gewapend. Het kelderraam was te hoog en te klein. Zou Otto in slaap vallen? Heeft iemand die de wacht houdt behoefte aan slaap...
Hij zou sterven. Die gedachte stelde hem gerust alsof ze een belofte was. Hij leefde en hij zou doodgaan. En wat dan nog? Leonardo is dood, Antonello is dood en ik voel me zelf ook niet al te best. Een domme dood. Slachtoffer van de gebeurtenissen. Slachtoffer van pech, van onhandigheid, van een misstap. Bij verstek veroordeeld. Met algemene stemmen minus één – van wie? – veroordeeld om als een rat in een kelder te sterven, aangestaard door ruim twaalf onbewogen blikken – strijklichten en röntgenstralen, voor exorbitante bedragen gekocht van de laboratoria van het Louvre – ter dood veroordeeld omdat hij gemoord had – die goede oude wet van oog om oog en tand om tand, die goede oude zedenles uit de legendes – de weerwraak van Achilles –, de dood is het begin van het geestesleven – ter dood veroordeeld door een samenloop van omstandigheden, een onsamenhangende verzameling piepkleine gebeurtenissen... Rond de aarde liepen overal onderzeese draden en kabels... Hallo Parijs, hier Dreux, blijf aan de lijn, wij verbinden u door met Dampierre. Hallo Dampierre. Parijs aan de lijn. U kunt spreken! Wie had zich die vreedzame telefonistes met hun koptelefoons als onfeilbare beulen kunnen voorstellen... Hallo, meneer Koenig, u spreekt met Otto, Madera is net gestorven...
In de pikdonkere nacht komt een Porsche aanscheuren met koplampen als vuurspuwende draken. Er zullen geen ongelukken gebeuren. Midden in de nacht zal Otto de deur opendoen. Midden in de nacht zullen ze hem komen halen...

En wat dan nog? Wat kan het je schelen? Ze zullen je komen halen. En dan? Laat je in een leunstoel vallen en kijk die grote lolbroek met zijn dolk, de onzegbare Condottiere recht in de ogen tot de dood erop volgt. Verantwoordelijk of niet verantwoordelijk. Schuldig of niet schuldig? Ik ben onschuldig, zul je krijsen wanneer ze je naar het schavot met de guillotine zullen slepen. Dat zullen we wel even nagaan, zal de beul antwoorden. En de valbijl zal met een klap naar beneden komen. Krak. De volstrekte vanzelfsprekendheid van het recht. Is het niet zonneklaar? Is het niet zoals het hoort? Waarom zou het op een andere manier aflopen?

 

Copyright © Éditions du Seuil, 2012
Copyright Nederlandse vertaling © 2014 Edu Borger/ bv Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam

MINDBOOKSATH : athenaeum