Leesfragment: De dag dat de leider werd vermoord

27 november 2015 , door Nagieb Mahfoez
| |

31 januari verschijnt De dag dat de leider werd vermoord van Nagieb Mahfoez. Op Athenaeum.nl alvast een leesfragment.
'De ochtend van een nieuwe dag. Een oude dag. Nieuw en oud. Nieuw en oud. Nieuw en oud. Nieuw en oud. Nieuw en oud. Het begint me te duizelen. Als er niets ouds meer is dat goed is, laat er dan maar iets nieuws komen dat slecht is. Het maakt niet uit wat. Zelfs de dood is iets nieuws op zich.'

Egypte, 1981. Anwar al-Sadat is president en Egypte staat op het punt om tot de moderne wereld toe te treden. Tegen deze achtergrond wordt in De dag dat de leider werd vermoord het verhaal verteld van een Caïreense familie uit de middenklasse. Drie kleurrijke karakters staan centraal: de vrome familiepatriarch Moehtasjemi Zajid, zijn kleinkind Alwaan en Alwaans grote liefde, Randa. Randa's vader acht de eenvoudige arbeider Alwaan te min voor zijn dochter, waarmee hij de jongeman tot een wanhopige en fatale daad drijft.

Mahfoez' vertelling is sprankelend en ironisch. Deze roman bewijst wederom het gelijk van de Nobelprijsjury, die stelde dat Mahfoez 'een vertelstijl heeft gecreëerd die lezers over de gehele wereld aanspreekt'.

Moehtasjemi Zajid

Kort geslapen. Daarna nog een tijd liggen wachten in de warmte van mijn dikke deken. Het zachte licht dat door het raam naar binnen valt, vormt een scherp contrast met de duisternis in de kamer. O, Heer, ik slaap en ontwaak slechts op Uw bevel. U bent heer en meester over alles. De oproep tot het ochtendgebed luidt een nieuwe dag in. Uw naam weerklinkt, drijvend in een zee van absolute stilte. God, help me om mijn warme bed te verlaten en me in de bittere kou van deze lange winter te begeven.
Mijn geliefde kleinzoon ligt in het andere bed, in een diepe slaap verzonken. Op de tast zoek ik in het donker mijn weg, want ik wil hem niet wakker maken. Het water voor de rituele wassing is ijskoud, maar ik ontleen warmte aan Uw genade. Het gebed verbindt en vernietigt tegelijkertijd. God zoekt de nabijheid van eenieder die één met Hem wil worden. Elke dag waarin ik kennis ontvang die me dichter bij Hem brengt, is gezegend.
Ik scheur me los uit mijn overpeinzingen, want ik moet mijn huisgenoten wekken. Ik ben de wekker van dit vermoeide gezin. Het doet me deugd dat ik op mijn leeftijd nog van enig nut kan zijn. Ik ben weliswaar oud, maar godzijdank ben ik nog gezond van lijf en leden.
Ik kan nu de lamp wel aandoen. Ik klop op de slaapkamerdeur en roep: 'Fawaaz!'
Als hij 'Goedemorgen, vader!' heeft geroepen, loop ik terug naar mijn eigen kamer en doe ook daar de lamp aan. Mijn kleinzoon is nog steeds diep in slaap. Alleen het midden van zijn gezicht, het gedeelte tussen de rand van de sprei en zijn mutsje, is onbedekt. Er zit niets anders op dan hem uit zijn vredige wereld weg te rukken en naar de hel te voeren. Met een hart vol mededogen en genegenheid jegens hem en zijn generatie, fluister ik: 'Alwaan, wakker worden!'
Hij opent zijn lichtbruine ogen, gaapt en zegt glimlachend: 'Goedemorgen, grootvader.'
Even later klinken overal in het huis voetstappen en stemmen; de gang tussen de badkamer en de eetkamer komt tot leven. Ik luister naar de koranrecitatie op de radio, tot mijn schoondochter Hana me roept: 'Oom, het ontbijt is klaar!'
Voedsel is de enige vreugde die me op deze wereld nog is vergund. Gods zegen is groot en verscheiden: Ik smeek U, Heer, behoed me voor ziekten en gebreken! We zijn niet meer in staat om voor elkaar te zorgen en een verpleger kunnen we ons niet veroorloven. Wee degene die het leven niet meer aankan! Voor het ontbijt hebben we enkel nog bonen en falafel. Beide zijn belangrijker voor ons dan het hele Suezkanaal. De tijd van eieren, kaas, bastirma en jam is voorbij. Dat was vroeger, in de tijd van VDI: 'voor de infitaah'. Sindsdien zijn de prijzen de pan uit gerezen. Alles is de pan uit gerezen. Fawaaz, die bijna uitslui- tend brood eet, wordt steeds dikker en dat geldt ook voor Hana, die bovendien in snel tempo oud wordt. Vandaag de dag lijken onze vijftigjarigen tien jaar ouder dan ze zijn. 'We moeten nu ook 's avonds op het ministerie werken, dus ik zal mijn werk voor het bedrijf moeten opgeven', zegt Fawaaz met zijn harde stem.
Ik word bekropen door een gevoel van ongerustheid. Fawaaz en Hana werken bij een bedrijf in de privésector. Hun inkomen, mijn pensioen en het salaris van Alwaan zijn net voldoende om de eindjes aan elkaar te knopen, maar hoe zal het gaan als het bedrijf hem aan de kant zet en hij niets meer kan bijverdienen?
'Misschien is het maar voor een paar dagen', opper ik hoopvol en Hana zegt dat ze wel wat werk kan overnemen: 'Wat ik niet afkrijg, neem ik mee naar huis. Ik zal de directeur uitleggen wat er aan de hand is.'
'Dat betekent dus dat ik voortaan van 's ochtends vroeg tot middernacht moet werken', reageert Fawaaz fel. Liever zou ik onze zorgen niet aan tafel bespreken, maar hoe krijg je dat voor elkaar?
Alwaan mengt zich in het gesprek.
'De vader van mijn docente, Alia Samieh, werkt in zijn vrije tijd als taxichauffeur. Dat levert hem behoorlijk veel op.'
'Heeft hij dan een taxi?' vraagt zijn vader.
'Ik denk van wel.'
'Hoe zou ik aan het geld voor een taxi moeten komen? Was de vader van je docente vroeger soms rijk, of heeft hij steekpenningen aangenomen?'
'Het enige wat ik weet, is dat hij een fatsoenlijke man is.'
'En hij verdient op een fatsoenlijke manier zijn geld', schiet ik Alwaan te hulp, waarop deze lachend zegt: 'Misschien ga ik ooit ook nog weleens zoiets doen.'
'Wat zou je dan gaan doen?' vraagt Hana hem in alle ernst.
'Een bende oprichten en banken overvallen.'
'Dat lijkt me een geweldig idee', zegt Fawaaz spottend.
Ik veeg de borden schoon en Hana brengt ze naar de keuken. Even later wensen ze me een prettige dag en het duurt niet lang of ze zijn alle drie verdwenen, terwijl ik zoals altijd alleen achterblijf in het kleine appartement. Heer, geef hun hun dagelijks brood en bescherm hen tegen het kwaad. Heer, schenk mij de genade van Uw nabijheid en Uw bescherming.
Als ik het huis in deze staat zou achterlaten, dan zou het hier tot vanavond één grote puinhoop blijven. Ik ruim mijn slaapkamer op en doe hier en daar iets in de woonkamer, waar ik vervolgens mijn tijd in eenzaamheid doorbreng, luisterend naar koranrecitaties, liedjes en nieuwsberichten, die door de radio en de tv worden uitgezonden. Hadden we maar een vierde kamer, dan zou Alwaan daar kunnen wonen. Geprezen zij de Heer. Nooit zal ik me verzetten tegen Zijn gezag.
Op een dag zag de heilige Aboe Abbaas al-Moersi, toen hij op doorreis in Caïro was, een menigte voor een bakkerswinkel staan. In dat jaar waren de prijzen hoger dan ooit en zijn hart brak van medelijden bij het zien van al die mensen. Als ik een paar dirham bij me had gehad, had ik ze hun van harte gegund, dacht hij bij zichzelf. Op dat moment voelde hij iets zwaars in zijn broekzak. Hij stak zijn hand in zijn zak en vond een bundeltje dirhams. Hij gaf ze aan de bakker en kreeg er een brood voor terug, dat hij onder de mensen verdeelde. Toen hij was vertrokken, ontdekte de bakker dat het geld vals was. Hij begon om hulp te roepen, tot hij de boosdoener te pakken had. Aboe Abbaas al-Moersi, die inmiddels besefte dat hij met zijn medemenselijkheid tegen de wil van God had gehandeld, vroeg zijn Heer om vergeving en toonde berouw. Even later ontdekte de bakker dat de dirhams toch niet vals waren. Het ging hier dus om een echte heilige, want alleen wie zich afkeert van de wereld, kan de heiligenstatus bereiken. Ik ben bijna tachtig en het lukt me nog steeds niet. Anderzijds is dit Gods wereld, die Hij ons heeft gegeven als een tijdelijk geschenk. Hoe zou ik me daarvan kunnen afkeren? Ik hou van de wereld, met de liefde van een vrij, gelovig en toegewijd man. Waarom staat U me dan niet toe om de heiligenstatus te bereiken? Ik ben geïnteresseerd in de Koran en de Hadith, maar ook in de infitaah en in een portie bonen met peperolie, komijn en limoen. Wanneer zal ik worden gezegend met Gods oneindige barmhartigheid, zodat ik op een dag maar naar de lamp hoef te wijzen om ervoor te zorgen dat hij aangaat, zonder dat ik het lichtknopje zelfs maar heb aangeraakt?
Ik heb nog één vriend over, maar de ouderdom heeft ons uit elkaar gedreven. Ik voel niet alleen eenzaamheid in mijn geest, maar ik voel me ook eenzaam op deze plek en in deze tijd. Sinds een jaar zijn mijn ogen te zwak om te lezen. Ik slaap heel weinig en ik ben niet bang voor de dood. Als hij komt, zal ik hem verwelkomen, maar niet eerder.
Toen koning Foe'aad de school kwam openen, hebben ze mij gevraagd hem uit naam van de leraren toe te spreken. Dat was een roemrijke dag. Wat heb ik genoten van de kinderen, toen ze 'Leve de koning en leve Saad!' scandeerden. De leuzen zijn veranderd, de liederen zijn veranderd, en uiteindelijk zijn de prijzen omhooggeschoten.
Door het gesloten venster zie ik de Nijl en de bomen. Ons gezin bewoont het oudste en kleinste huis aan de Nijlstraat: een dwerg tussen de moderne flatgebouwen. Zelfs de Nijl is veranderd. Het lijkt alsof hij - net als ik - lijdt onder de eenzaamheid en de ouderdom. Inmiddels is de Nijl een eenvormige rivier geworden, die zijn oude glorie heeft verloren en niet meer in staat is zich kwaad te maken.
Wat een auto's, wat een rijkdom! En wat een armoede! Zo veel dierbaren die ons hebben verlaten! Het is bewolkt vandaag, het gaat vast regenen. Vroeger gingen we op dit soort dagen naar de tuinen van Kanatir. Dan zaten alle vrienden bij elkaar rond de geroosterde kip, de aardappelen en de wijn. En rond de grammofoon, die liedjes speelde als 'De donkere schoonheid die mijn ziel bezat' en 'Als ik zou kunnen vergeven, zou ik mijn verdriet kunnen vergeten'. Al die mensen van toen zijn inmiddels skeletten geworden. Hun vrolijke, zorgeloze lach is in rook opgegaan. Op mijn bruiloft stonden ze achter me in een rij. Dat was de dag waarop de sluier voor het eerst van Fatima's gezicht werd opgelicht. Ach, Fatima, er zijn alweer vijf jaar verstreken sinds ik voor het laatst je graf heb bezocht.
Wat een haast hebben die mensen! Zo'n waanzinnige drukte hebben de bomen nog niet meegemaakt, sinds ze tijdens het bewind van de khedive Isma'iel zijn geplant. Gekken zijn het, die met open ogen hun ongeluk tegemoet gaan en niet beseffen dat de dood op de loer ligt. 'O, dienaar van God, doe alsof u een vreemde of een passant op deze wereld bent en reken uzelf tot de doden', heeft de Profeet gezegd, en hij sprak de waarheid.

Alwaan Fawaaz Moehtasjemi

De ochtend van een nieuwe dag. Een oude dag. Nieuw en oud. Nieuw en oud. Nieuw en oud. Nieuw en oud. Nieuw en oud. Het begint me te duizelen. Als er niets ouds meer is dat goed is, laat er dan maar iets nieuws komen dat slecht is. Het maakt niet uit wat. Zelfs de dood is iets nieuws op zich.
Lopen is gezond en een manier om geld te besparen. Dit zou de weg van de liefde en de schoonheid moeten zijn, maar moet je toch eens zien! Ach, arme voeten! Ach, arme schoenen, volhard en wees geduldig! Geduld en volharding zijn in deze dagen van het grootste belang. In deze helse tijden, waarin de roofdieren het voor het zeggen hebben, ben jij, mijn liefste, het enige briesje dat mijn hart nog kan verkwikken. De hoge bomen hebben hun verdiensten, net als de Nijl, daar valt niet over te twisten. Kijk dus maar naar boven, naar de witte wolken en de toppen van de bomen, zodat je de puistige aarde kunt vergeten. Op een dag zul je een goedaardige duivel ontmoeten, met wie je je zult verbroederen. Ik ben een overtuigd rationalist met een nobel karakter en donkere ogen met doorlopende wenkbrauwen.
Mijn vroege jeugd, mijn jongensjaren en mijn puberteit heb ik doorgebracht in dit oude huis, dat bijna in het niet valt tussen de dure, hoge gebouwen: een spelbreker in de wereld van het grote geld. Op een dag zal de huisbaas ons dus wel vermoorden. Wonderlijk toch, hoe de liefde te midden van die voortwoekerende verdorvenheid en corruptie kan overleven. Moet je dat gehavende trottoir eens zien, je zou haast denken dat er een bom is ingeslagen. In alle hoeken en gaten liggen vuilnishopen die een oogje lijken te houden op de verliefde paartjes. Ik wens jullie een goede morgen, buspassagiers! Wat staan jullie daar weer op elkaar gepakt! Door het versplinterde glas van de ramen zien jullie eruit als gevangenen op bezoekdag. De brug wemelt van de voetgangers. Fietsers schrokken gulzig een broodje met bonen naar binnen, zonder het te proeven. Als de crisis zijn dieptepunt heeft bereikt, zal het volgens mijn grootvader weer bergopwaarts gaan. Lieve grootvader, hoelang blijven we dit nog herhalen? Mijn grootvader is de eerste vriend die ik ooit heb gehad. Eigenlijk ben ik een wees, want ik heb mijn ouders verloren vanaf de dag waarop ze allebei van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat zijn gaan werken. Om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen verdelen ze hun tijd tussen de overheid en de privésector. We zien elkaar nu alleen nog in het voorbijgaan.
'Hou alsjeblieft op met dat gefilosofeer! We hebben niet eens genoeg tijd om te slapen', zeggen ze als ik hun iets wil vertellen.
Als een van mijn zussen ruzie heeft met haar man, word ik erop afgestuurd om te bemiddelen. In deze tijd is het een zeldzaamheid als iemand zijn naaste helpt. Het is ieder voor zich.
Eindelijk ben ik er. Ik werk voor een staatsbedrijf dat in levensmiddelen handelt. Naast de ingang staat in grote letters geschreven: KOM BINNEN ZONDER HOOP. Mijn meisje zit al op haar plaats in het oude, vertrouwde kantoor van de vertaal- en promotieafdeling. Ze glimlacht verliefd naar me.
'Als je een paar minuten had gewacht, hadden we samen naar het werk kunnen lopen', zeg ik verwijtend, waarop ze vrolijk antwoordt: 'Ik moest vanochtend in café Brazil ontbijten, dat kon niet anders.'
Dankzij de bemiddeling van mijn grootvader werken we voor hetzelfde bedrijf en op hetzelfde kantoor. Of misschien is het wel dankzij een van de Vrije Officieren, die ooit les van hem hebben gehad. Mijn grootvader is een persoonlijkheid die je niet snel vergeet. Zelfs degenen die weigeren de verdiensten van hun voorgangers te erkennen, kunnen niet om hem heen. Er werken opvallend veel meisjes op ons kantoor. Stapels papieren eisen onze aandacht op, zonder dat we ons echt hoeven te concentreren. Tijdens het werk zit ik regelmatig naar Randa te gluren. Herinneringen en dromen wisselen elkaar af.
Randa en ik delen een lange geschiedenis, die teruggaat tot de eerste jaren van mijn leven, toen we nog in ons oude, vrijstaande huis woonden. We hadden dezelfde leeftijd en speelden regelmatig met elkaar. Volgens mijn moeder is Randa ouder dan ik, maar ze kan het niet bewijzen. Met de puberteit kwam de verlegenheid en werden we afstandelijker. Als je je ongedwongenheid verliest, is het plezier eraf. Maar toen deed, net op tijd, de liefde haar intrede. We zaten op de middelbare school. Op de trappen werd er flink op los geflirt en de toespelingen waren niet van de lucht. Op een dag heb ik een liefdesverklaring in haar hand geduwd. Als antwoord gaf ze me een kort verhaal, getiteld 'De trouw van de twee generaties'. Toen we allebei in hetzelfde jaar ons diploma van de middelbare school hadden gehaald, zei ik tegen mijn grootvader: 'Ik wil me verloven met ons buurmeisje, Randa Soelaimaan.' Eerst zei hij dat het in zijn tijd verboden was voor jongens van mijn leeftijd om over verlovingen te praten zolang ze niet op eigen benen konden staan, maar later beloofde hij dat hij me zou steunen en het onderwerp met mijn ouders zou bespreken. Mijn moeder was het er niet mee eens: 'De familie Soelaimaan Moebarak staat me nader dan mijn eigen familie en ik beschouw Randa als mijn eigen dochter, maar ze is ouder dan jij', was haar reactie. En mijn vader voegde eraan toe: 'Als ze niet ouder is, is ze even oud, en in ieder geval is ze even arm.'
De dag waarop de verloving werd bekendgemaakt, was een heuglijke dag. Een droom leek werkelijkheid te worden. Maar sinds we allebei een baan hebben, is er een nieuwe situatie ontstaan. Drie jaar zijn voorbijgegaan en we zijn allebei de zesentwintig gepasseerd. Ooit was ik jong en verliefd, maar nu ben ik een vermoeide, zwakke man geworden, die gebukt gaat onder zijn verantwoordelijkheden. We komen niet meer samen om elkaar onze geheimen te vertellen, maar verliezen ons in eindeloze discussies over het huren van een appartement, meubilair, gemeenschappelijke lasten … Zij heeft geen oplossing en ik ook niet. Het enige wat we bezitten, is liefde en doorzettingsvermogen. We hebben in het tijdperk van Nasser onze verloving aangekondigd en nu moeten we in het tijdperk van de infitaah de werkelijkheid onder ogen zien. We bevinden ons in een draaikolk die ons meetrekt in een waanzinnige wereld. Zelfs emigreren is geen optie voor ons, want er is geen vraag naar mensen die filosofie of geschiedenis hebben gestudeerd. We zijn overbodig, en velen met ons. Hoe heeft het zover kunnen komen? Ik ben iemand die zich verantwoordelijk voelt, maar ik word van alle kanten bestookt met vragen. Zij is mooi en gewild en ik ben als een dam die de weg naar het geluk voor haar verspert. De misprijzende blikken van haar ouders laten me niet los. Ik kan bijna horen wat er achter mijn rug om wordt gezegd.
Toch zweeft boven dat alles nog steeds die droom over de grote hervormingen die in aantocht zijn. Ze zullen van boven of van onder komen, hetzij door een decreet van de regering, hetzij door een opstand. Ik geloof in het wonder van kennis en productie. Maar wat te doen tegen de corruptie en diefstal waarover je zo veel hoort? Is het niet verschrikkelijk wat professor Alia Samieh en Mahmoed al-Mahroeki beweren? Waar is het verstand gebleven? Waarom twijfel ik aan alles, sinds mijn grote voorbeeld op 5 juni van zijn voetstuk is gevallen? Het lukt sommige mensen een toverformule te vinden waarmee ze in recordtijd ongehoord veel geld verdienen. Hoe doen ze dat toch? Kan dat ook zonder dat je van het rechte pad afwijkt? Waarom wil ik toch zo graag eerlijk blijven? Ik hoef alleen maar genoeg geld te hebben om met Randa te trouwen. Vandaag waren Randa en ik uitgenodigd voor een gesprek met Anwar Allaam, de directeur van het kantoor.
Hij roept ons wel vaker bij zich, omdat we allebei aan de vertaling van de statuten werken. Anwar Allaam is een hartelijke, vriendelijke man, die graag in het middelpunt van de belangstelling staat. Hij is lang en mager, heeft een donkerbruine huid, ronde ogen en een doordringende blik. Hoewel hij al tegen de vijftig loopt, is hij nog steeds vrijgezel.
'Welkom, bruidspaar in spé!' begroette hij ons zoals altijd. Hij wierp een vluchtige, kritische blik op onze papieren en maakte af en toe een opmerking. Nadat hij ons het concept had teruggegeven, vroeg hij: 'Wanneer kunnen we jullie feliciteren?'
Hoewel ik zijn bemoeienis met het privéleven van zijn werknemers slechts zie als zijn manier van omgaan met het personeel, word ik er onrustig van, net als van zijn ogen. En toch ben ik op hem gesteld.
'We hebben nog geen oplossing voor ons probleem gevonden.'
'Er is altijd een oplossing', zei hij neerbuigend.
Ik wilde protesteren, maar hij viel me in de rede: 'Je moet die mislukkelingen niet napraten.'
Ik werd kwaad en vroeg hem: 'Wat is volgens u de oplossing dan?'
'Je moet hem in ieder geval niet bij anderen zoeken', antwoordde hij met een provocerend lachje.
Onderweg naar mijn bureau bekroop me het gevoel dat hij me opzettelijk als een slappeling had voorgesteld, omdat Randa erbij stond. Die gedachte bleef in mijn hoofd zeuren tot het tijd was om naar huis te gaan. Terwijl we ingepakt in onze dikke jassen naar de Nijlstraat liepen, zei ik tegen Randa: 'Ik krijg de zenuwen van die man.'
'Ja, ik ook', antwoordde ze, terwijl ze de kraag van haar jas nog wat strakker om haar ranke hals trok.
'Het is een onaangename man, die zich vriendelijker voordoet dan hij is.'
'Inderdaad.'
'Denk jij dat er een oplossing is voor ons probleem, iets waar we nog niet aan hebben gedacht?'
Ze moest even nadenken. Toen zei ze: 'Ik vertrouw op God. We denken ten onrechte dat alles altijd zo zal blijven als het nu is.'
'Maar de tijd gaat zo snel, Randa.'
'Dat is misschien wel zo, maar liefde vergaat niet', antwoordde ze met een glimlach.

Randa Soelaimaan Moebarak

Terwijl ik de trap naar ons appartement op loop, blijft Alwaan voor zijn eigen deur wachten, alsof hij er zeker van wil zijn dat ik mijn huis heelhuids bereik. Bij het afscheid kreeg ik een verstrooid kusje van hem, alsof hij er niet bij was met zijn gedachten. Dat komt natuurlijk door die vervloekte directeur. Waarom moest hij hem zo provoceren? Hij is de hele dag van slag geweest. Dat begrijp ik best, maar waarom heeft hij geen vertrouwen in mij? We hebben zo al genoeg zorgen.
Het ruikt naar moeloechiyya in huis. Ik krijg altijd trek van de geur van moeloechiyya. Vader zit in zijn stoel te slapen. Ik geef hem een kus op zijn voorhoofd. Zijn oogleden trillen en hij glimlacht vertederd naar me. Wat ben je toch mager en zwak geworden, vader! Die ellendige reumatiek ook! Moehtasjemi bey, de grootvader van mijn verloofde, is tien keer zo sterk als jij, hoewel hij tien jaar ouder is. Mamma roept dat het eten klaar is. Ik ben dol op moeloechiyya, maar mamma is niet te spreken over mijn eetlust.
'Magere mensen hebben geen weerstand tegen ziektes', zegt ze. En dan zeg ik op mijn beurt dat overgewicht net zo schadelijk is voor je gezondheid.
En dan zegt zij weer: 'Wat een eigenwijze dochter heb ik toch! Als ik rechts zeg, zegt zij links.'
Mamma is dik en dat is ze al heel lang. Ze bidt zittend op de bank. Dat is de reden waarom ik zo voorzichtig ben met eten. Vroeger waande ze zich steenrijk met haar salaris van vijfentwintig pond per maand, en misschien was dat ook zo in die legendarische jaren waar iedereen het over heeft. Maar vandaag de dag stelt dat inkomen niets meer voor, zelfs niet als je pappa's pensioen en mijn loon erbij optelt. Mijn vader doet zijn kunstgebit in en begint langzaam te kauwen. Hij gebruikt het alleen als hij eet. Ondertussen klaagt hij over de kou. Mijn gescheiden zus Sana, met wie ik mijn slaapkamer deel, komt ook aan tafel. Ze volgt een secretaresseopleiding bij een privé-instituut, in de hoop dat ze een baan zal vinden en van niemand meer afhankelijk hoeft te zijn. Na het eten ga ik even op bed liggen.
Mijn gedachten gaan terug naar die zielloze kus van zoeven. Het bevalt me niet. Ik zie het als een belediging. Als het nog een keer gebeurt, zal ik hem duidelijk maken dat hij me alleen nog mag kussen, als hij zo veel van me houdt dat niets hem meer van zijn liefde kan afleiden. Wat rest ons nog behalve de liefde? Ik bekommer me om hem alsof ik zijn moeder ben en hij mijn verwende, opstandige zoon. Ach, had hij maar de kans gehad om ingenieur te worden! Dan was hij nu de held in plaats van het slachtoffer van de infitaah geweest. En hij is ook nog het slachtoffer van 5 juni, de dag waarop we onze verslagen held voorgoed hebben verloren. Hij is in de war en weet niet meer wat hij moet denken. Hoelang blijft hij taxichauffeurs nog met de nek aankijken omdat hij zichzelf beter vindt dan hen? Waarom? Wanneer zal hij zichzelf eindelijk eens met een kritische, objectieve blik kunnen beoordelen? Misschien is het mijn rol en mijn taak om daarvoor te zorgen, maar in dat geval vrees ik voor het enige wat ons nog overblijft: onze liefde. Ik hou van hem, en liefde is nu eenmaal niet rationeel te verklaren. Ik wil hem hebben, met hart en ziel. Maar hoe? En wanneer?
Mijn zus is uit liefde getrouwd, met een jongen uit een familie van grootgrondbezitters. Ze wilde na de middelbare school niet doorstuderen en nam genoegen met het lot van huisvrouw en echtgenote. Maar ze had geen geluk en de liefde is uitgedoofd. Zoals altijd kreeg de andere partij de schuld van alles. Maar mijn zus heeft een wispelturig en prikkelbaar karakter. Om het minste of geringste barst ze uit als een vulkaan. Wie kan dat verdragen? Dat verklaart waarom ik nooit meer boos word, net zoals ik probeer niet te veel te eten. Wanneer zal dat vervloekte geluk ooit bereikbaar worden? Hoelang zal de schoonheid nog bestand zijn tegen de grillen van deze woelige tijden? Niet lang meer. Kennelijk ben ik in slaap gevallen, want ik heb gedroomd. 's Middags ben ik opgestaan, ik heb de kat geaaid en toen heb ik tegelijkertijd het middag- en het avondgebed verricht. Met dank aan mamma, die verantwoordelijk is voor mijn religieuze opvoeding. Dat kun je van pappa niet zeggen … Toch is mamma, ondanks het leeftijdsverschil en pappa's atheïsme, gelukkig met hem. Ik herinner me nog goed hoe ik hem vroeger ter verantwoording riep:
'Pappa, waarom vast je niet, zoals wij?'
Dan zei hij lachend: 'Zover is het al gekomen, dat de dochter haar vader terechtwijst!'
'Ben je niet bang voor God?'
'Het komt door mijn zwakke gezondheid, lieve schat. Je moet je niet laten misleiden door uiterlijke schijn.'
'Maar waarom bid je dan niet, pappa?'
'Ach … Dat vertel ik je nog weleens als je groot bent.'
Bij mijn verloofde thuis gaat het heel anders. Zijn grootvader, zijn vader en zijn moeder bidden en vasten allemaal. En ondertussen is het atheïsme van mijn vader net zo duidelijk aan hem te zien als zijn ouderdom en zijn ziekte. Hij zegt nooit iets waaruit zijn twijfel blijkt, maar zijn gedrag spreekt boekdelen. Als hij een woede-uitbarsting heeft, vervloekt hij de islam. Soms vraagt hij God om vergeving, om mamma en mij een plezier te doen, maar het zijn slechts holle frasen, net zo nietszeggend als de leuzen die de machthebbers over ons uitstorten. We leven in een tijdperk van leuzen. Om misselijk van te worden. Zelfs onze overleden held heeft zich er schuldig aan gemaakt. Tussen de leuze en de waarheid gaapt een diepe afgrond, en we zijn allemaal in die afgrond gevallen. Maar hoe zit het met de man van wie ik hou? Is hij gelovig? Is hij politiek geëngageerd? Is hij een activist, zoals Alia Samieh en Mahmoed al-Mahroeki? Ach, wat maakt het uit. Hij is mijn grote liefde, en dat is genoeg. De rest ligt in Gods handen. Hij is altijd op zoek naar iets wat verloren is. Pas als we een oplossing hebben voor ons probleem, zal hij tot rust komen. Nu probeert hij het onmogelijke en klampt hij zich vast aan illusies.
Eensgezind zitten we in de woonkamer: mijn zieke, oude, ongelovige vader, mijn moeder met haar overgewicht, die zich altijd zorgen maakt om anderen, Sana met haar frustraties, die zich nergens meer thuis voelt, en ik met mijn probleem dat nooit zal worden opgelost. Op het eerste gezicht hebben mijn ouders gedaan wat ze konden. Maar wat een desillusie is het geworden! Ondertussen voel ik hoe ze me bestoken met hun onuitgesproken vragen. Wat kunnen we nog verwachten, na een verloving van elf jaar? Is er dan echt geen sprankje hoop?
'Die wacht al zo lang dat ze straks weduwe wordt als ze nog verloofd is', zegt Sana met haar hoge, schelle stem. 'Bemoei je met je eigen zaken', bijt ik snibbig van me af. En mamma zegt: 'Je moet hem er wel aan blijven herinneren, Randa. Straks vergeet hij nog dat hij met je verloofd is.'
'Er gaat geen minuut voorbij zonder dat we aan onze zorgen denken. Ik hoef hem er heus niet aan te herinneren', zeg ik en ik voeg er vinnig aan toe: 'Ik ben volwassen. Ik heb in alle vrijheid mijn weg gekozen. Ik zal nergens spijt van krijgen.'
'Inderdaad, Randa is een volwassen vrouw en verantwoordelijk voor haar eigen leven', bevestigt mijn vader geïrriteerd, waarop mijn moeder bedroefd verzucht: 'Hoeveel goede partijen zijn we niet al misgelopen!'
Mijn trots begint me parten te spelen.'Ik ben geen slavin die op de markt te koop wordt aangeboden.'
'Hoe kun je mij van zoiets verdenken? Ik ben je moeder!
Trouwens, ik ben zelf op de traditionele manier getrouwd en dat is gelukkig goed afgelopen.'
'Elke generatie heeft zijn eigen manier, mamma. En de mijne overtreft alle andere in het ongeluk.'
Mijn vader moet lachen. 'Ooit was er een tijd waarin mensen honden, katten, ezels en kinderen aten, en uiteindelijk begonnen ze zelfs elkaar op te vreten.'
'Laten we hopen dat wij iets meer geluk hebben dan de mensen in de tijd van de kannibalen …' merk ik bitter op. Dan roept mijn vader, in een poging de stemming wat op te vrolijken: 'Ophouden, nu! De serie begint.'
De titelsong, waar ik altijd graag naar luister, verlost me even van mijn worsteling. Deze muziek geeft me de kracht om mijn liefste tot leven te wekken. Hij doemt op uit het niets en gaat naast me zitten. Ineens verander ik in een dromerig wezen, dat alles van het huwelijksleven begrijpt. Ik veeg snel een traan weg, want ik wil me niet laten kennen. Zou ik zonder hem kunnen leven?
'Die soapacteurs boffen maar, die hebben altijd meteen een oplossing voor hun problemen', zegt mamma.

 

© Nagieb Mahfoez
© Nederlandse vertaling, 2014 Djûke Poppinga

Uitgeverij De Geus

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum