Leesfragment: De derde persoon

31 augustus 2014 , door Thomas Heerma van Voss
| |

4 september verschijnt de verhalenbundel De derde persoon, door Thomas Heerma van Voss. Wij publiceren voor uit het verhaal ‘Het weerzien’.

Een student die vanuit zijn kamer de bezoekers van een massagesalon bekijkt, een verliefde twintiger op bezoek bij een wildvreemde internetkennis, een zoon in vertwijfeling bij zijn vader allen dromen van oprecht menselijk contact, maar stuiten op praktische bezwaren.

Thomas Heerma van Voss gunt ons in De derde persoon een blik in de gehavende levens van zijn personages. Ze staan aan de zijlijn en zijn zich daar op een vaak pijnlijk geestige manier ook van bewust. In deze verhalenbundel worden grote onderwerpen met een zekere lichtheid aangesneden. Heerma van Voss schreef met De derde persoon een opmerkelijk volwassen bundel, een proeve van een veelzijdig talent.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit zijn roman Stern.

 

Het weerzien

Als ik thuiskom van mijn werk, anderhalf uur later dan gebruikelijk, heeft Claire de tafel al gedekt. Ze zet twee koekenpannen neer en serveert spaghetti bolognese, en pas nadat ik mijn eerste hap heb genomen, zegt ze: ‘Ik moet je iets vertellen.’
Ik zag de bezorgdheid al in haar ogen toen ik binnenkwam, maar ik dacht: eerst eten, haar onrust verdwijnt vanzelf wel.
‘Natalja komt hierheen,’ zegt Claire. Aan de toonloze, helder gearticuleerde manier waarop ze spreekt hoor ik dat ze de woorden heeft ingestudeerd. ‘Ze belde net. Gisterochtend vroeg is ze gaan liften uit Moskou en iets na tienen wordt ze afgezet bij de Warschauer Straße. Ze wil het land in, naar een paar oude vriendinnen, maar vanavond komt ze niet verder dan Berlijn. Ik heb haar gezegd dat ze vannacht hier kan logeren.’
‘Hier?’ vraag ik. ‘In ons appartement, bedoel je? Ik ken haar helemaal niet.’
‘Je kent haar best.’
‘Welnee, ik heb die vrouw nog nooit gezien. Kan ze geen hotel boeken?’
‘Ze heeft nauwelijks geld, dat weet je toch?’
‘Kennelijk wel genoeg om op vakantie te gaan.’
‘Toe, ik heb je laatst toch gezegd dat ze huwelijksproblemen heeft? Ze wil Moskou even uit en kent verder niemand hier. Als jij mij zou vragen of een vriend hier kon blijven slapen, zou ik daar altijd mee instemmen.’
‘Maar ik heb geen Russische vrienden. En ik ken niemand van boven de veertig die nog lift.’
Natalja. Kom nou, zo’n naam wens je niemand toe. Wat heeft ze hier te zoeken, in mijn woonplaats, mijn straat, mijn huis? Zij was degene die Claire, toen die als verlegen meisje uit de provincie begon met studeren, zomaar aansprak in een café. Een aangeschoten, zesentwintigjarige vrouw met Russische ouders en een vlotte babbel. Wil je wat drinken; hoe heet je; wat doe je hier in Berlijn? Ze bouwden een vriendschap op, intiemer dan veel relaties of familiebanden. Bijna elke dag waren ze samen. Natalja had geld vanwege een erfenis, en ze trakteerde Claire op diners, buitenlandse reizen en met alcohol doordrenkte nachten. Officieel werkte ze voor een Russisch telecombedrijf, in de praktijk hing ze voornamelijk aangeschoten rond in cafés. Ze schonk Claire cadeaus: bloemen en horloges, boeken en kettingen. Tijdens een van hun laatste gemeenschappelijke vakanties schreef ze Claire zelfs een uitvoerige brief – echt waar, een brief aan degene die naast haar zat, hoe verzin je het?
Toen wij jaren geleden begonnen af te spreken, zei Claire niets over deze vriendschap. Ze loog niet, maar zorgde er gewoon voor dat Natalja nooit ter sprake kwam. Daar is ze goed in, onderwerpen omzeilen. Of eigenlijk: de indruk wekken dat ze niet bestaan. Tot ik die brief op een dag tegenkwam. Drie zomers geleden inmiddels, we woonden net samen. De brief lag in de onderste lade van haar nachtkastje. Ik zocht naar eczeemzalf en zag ineens: Mijn lieve, dierbare vriendin. Het handschrift was nog kitscheriger dan de aanhef. Onder aan de brief zag ik voor het eerst die naam staan: Liefs, je Natalja, omgeven door allemaal x’jes.
Met grote stappen, zonder de rest van de brief te lezen, liep ik naar de keuken. ‘Wie is Natalja?’ vroeg ik, wapperend met het papier als een advocaat met een bewijsstuk. Claire en ik hadden het weleens over eerdere verkeringen gehad, vroegtijdig gestrande liefdes, een enkele serieuze relatie. Nu doemden in mijn hoofd levendige beelden op van een verzwegen lesbisch verleden. ‘Wat heeft dit te betekenen?’
Tot mijn verbazing keek Claire geen moment betrapt of geschrokken. Heel kalm vertelde ze over Natalja, hoe die in haar leven was verschenen en hoe ze vervolgens halsoverkop in Moskou een gezin had gesticht; een echtgenoot, een zoon, een luxueus koophuis vlak bij het Kremlin. Claire somde de gegevens droogjes op. Nu en dan dacht ze even na voor ze verder praatte, maar ze raakte nergens ook maar een beetje in paniek. ‘Die brief is heel oud,’ zei ze. ‘Echt, niets om je druk over te maken. Het was vroeger gewoon een goeie vriendin van me. En zulke taal is typisch Natalja, die leeft heel erg in het moment.’
Ik haastte me terug naar onze slaapkamer. Daar deed ik iets wat niet bij me past, of wat ik in elk geval niet had zien aankomen: ik las de brief. Misschien kwam het doordat Claire zo laconiek had gereageerd. Misschien was ik gewoon te nieuwsgierig naar wat er na die onbeholpen aanhef zou volgen en tot die overvloed van x’jes zou leiden. Maar helaas kon ik het merendeel van de woorden niet lezen door dat potsierlijke priegelhandschrift. Als ik het goed begreep, ging het voor een deel over Claires uiterlijk. Ik las woorden als ‘parelwitte huid’, ‘zinderende kledingkeuze’ en ‘krachtige vrouwengestalte’. Nu heb ik weinig verstand van taal, poëzie begrijp ik eigenlijk nooit, maar toch verkeerde ik in de geruststellende zekerheid dat dit het werk was van een aanstelster. Een eenzame romantische geest, die het contact met de werkelijkheid al lang geleden verloren was. Aan het einde van de brief meende ik zelfs een metafoor te herkennen over de bladeren aan een boom en het verstrijken van de tijd.
Hoe dan ook, het stoorde me weinig en ik vergat deze amateurschrijverij moeiteloos. Tot er meer brieven kwamen. Vermoedelijk schreef ze Claire al langer, ik had eerder buitenlandse postzegels voorbij zien komen, alleen meende ik dat die van Claires familie afkomstig waren. Gewoon onschuldige woordjes uit verre vakantieoorden – het gaat goed in de rimboe, liefs van je moeder; prachtige gebouwen hier in Azië, tot bij het kerstdiner. Nu herkende ik plotseling Natalja’s handschrift. En ik merkte het ook aan Claire wanneer haar Russische vriendin had geschreven, zelfs als de envelop mij nog helemaal niet onder ogen was gekomen. Ze werd onrustig tijdens het eten en leek geen moment naar me te luisteren.
Soms zat ik ’s avonds naast haar in de woonkamer, de afstandsbediening op mijn schoot, een glas wijn binnen handbereik, en wat ik ook deed of probeerde, ze reageerde nauwelijks. Alsof ik niet bestond. Alsof onze tijd samen, onze kennismaking, onze afwachtende eerste afspraakjes, onze wel erg vroege verhuizing naar de grote stad, onbeduidend werden verklaard. Voordat ze mij kende ging ze veel met Natalja om, nu hield die Russin haar nog steeds bezig, en als je er goed over nadacht, was er in de vijf jaar dat ik haar kende niets wezenlijk veranderd. Kinderen heeft Claire helaas nooit gewild. Inmiddels is ze achtendertig, net als ik. We zijn niet getrouwd en delen geen auto of bankrekening en de huur van ons appartement kunnen we ieder moment opzeggen. Als wij nu uit elkaar zouden gaan, is er binnen een maand niets tastbaars dat ons nog bindt.
Wat het allemaal extra pijnlijk maakte, was dat ik niet wist of Claire terugschreef. Of ze meeging in Natalja’s sentimentele geneuzel. De hele correspondentie werd voor me verborgen gehouden. Ik ving hooguit een glimp op van de binnenkomende brieven. Veel kussen, je Natalja xxx zag ik eens onder een volgeschreven A4’tje staan – alweer dat je Natalja, kon dat mens niet iets originelers verzinnen? – en voor ik de rest van het blaadje kon lezen, griste Claire het weg. Moest ik daar iets uit afleiden? Betekenden die kruisjes hetzelfde als volle zoenen, of was het uitsluitend amicaal? Wellicht had ik ernaar moeten vragen en diende ik de aard van deze verdwenen vriendschap tot in het kleinste detail te onderzoeken. Maar als er echt iets was wat ik moest weten, leek het me logischer dat Claire dat uit zichzelf zou vertellen. Alleen zei ze niets.
‘We kunnen nog langs de avondwinkel om wodka in te slaan,’ zeg ik, terwijl ik mezelf een tweede portie spaghetti opschep.
‘Doe niet zo kinderachtig. Vanaf morgen heb je geen last meer van haar. Toe, je kunt toch wel één avond je best doen?’
Ik knik en kauw traag op mijn eten. ‘Waar moet ze eigenlijk slapen?’ vraag ik dan, mijn mond nog halfvol.
‘We hebben geen gastenbed.’
‘Ze is geen gast. Ze is een vriendin die op bezoek komt. En ze kan prima op de stretcher.’
‘Bedoel je dat gammele ding dat opgevouwen in onze slaapkamer staat en dat we eigenlijk allang hadden moeten weggooien?’
‘Overdrijf toch niet zo. Er kan best iemand op slapen.’
Ik neem de laatste happen spaghetti. Claire staat op en begint de afwasmachine in te ruimen. Behalve mijn bord ruimt ze alles op. Ze boent de tafel, haalt een lapje over het aanrecht, kamt haar blonde haar, pulkt een etensrest tussen haar voortanden vandaan. Iedere beweging heeft iets zenuwachtigs dat ik niet van haar ken. Ik wil haar vragen of ze bij me komt zitten, maar net op dat moment pakt ze haar jas en zegt: ‘Ik ga. Anders laat ik haar wachten.’
Volgens mij vertrekt ze nu veel te vroeg, maar ik zwijg. Ze vraagt nog of ik mee wil naar het station, maar aan haar stem hoor ik dat ze al weet dat ik zal weigeren.
Met een glas rode wijn ga ik in de woonkamer op mijn vaste fauteuil zitten, licht verzakt en met stoffen bekleding. Mijn oog valt op een appartement aan de overkant van de straat, twee verdiepingen hoger dan het onze. Er brandt fel licht. Ik zie een stelletje zitten dat ik nooit eerder heb gezien, in eenzelfde soort keuken als de onze. Tussen hen in, aan het hoofd van de tafel, zit een baby. Tenminste, ik meen een kinderstoel te ontdekken, met een klein lijfje boven de tafel. Wat doet die baby daar, waarom besteden de ouders zo weinig aandacht aan het kind, of aan elkaar? Minuten verstrijken, er verandert niets. Toch blijf ik kijken. De aanwezigheid van de baby intrigeert me. Ik begrijp niet waarom die niet gewoon in bed ligt. Af en toe lijkt hij (of zij) geluid te maken, dan kijkt een van de twee die kant uit, maar vervolgens gebeurt er niets, de vader aait alleen na een tijdje over het babyhoofd naast hem. Ik schenk meer wijn in en blijf kijken. Eigenlijk wil ik slapen, de werkdag heeft fysiek veel van me gevraagd, maar dan denkt Claire vast dat ik me terugtrek vanwege Natalja.
Zouden ze elkaar al gevonden hebben? Zouden ze nu naast elkaar lopen, bij de spoorlijnen vandaan, de Warschauer Straße door, naar het Görlitzer Park, waar ’s weekends zo graag kinderen spelen? Zouden ze net zo stil zijn als het stel aan de overkant, of juist levendig in gesprek? Vermoedelijk het laatste. Ik heb er geen hard bewijs voor, maar het kan bijna niet anders of Claire en Natalja hebben de afgelopen jaren ook veel met elkaar getelefoneerd. Toen ik afgelopen herfst met griep thuiszat, heb ik de Russin zelfs gesproken. Nietsvermoedend en in een halfslaap nam ik op, waarna ik aan de andere kant van de lijn hoorde: ‘Is Claire er ook?’
De woorden werden paniekerig uitgesproken. Alsof ze dit nummer al vaak had gebeld en het niet bij haar was opgekomen dat hier ook een man woonde. Ik begreep meteen dat deze hoge, gejaagde stem bij dat poëtische prulletje hoorde.
‘Claire is niet thuis.’ Bij het uitspreken van die woorden voelde ik een zeldzame trots opkomen, vast aangewakkerd door de koorts. ‘Maar ik zie haar straks. Zoals iedere avond, we horen namelijk bij elkaar. We leven samen. Dus: kan ik iets doorgeven?’
‘Nee, dat hoeft niet,’ zei ze vrijwel accentloos.
‘Echt niet? Kom, ik schrijf het zo op. Je belt toch niet zomaar? Wat is je naam?’
Een tijdje bleef het stil. Ik hoorde gekraak, geritsel, nog meer gekraak. Toen zei de stem: ‘Ik bel later wel terug.’

[...]

 

Copyright © 2014 Thomas Heerma van Voss

MINDBOOKSATH : athenaeum