Leesfragment: De dyslectische-hartenclub

27 november 2015 , door Hanneke Hendrix
| |

Hanneke Hendrix staat met haar tweede roman De dyslectische-hartenclub op de longlist voor de BNG Nieuwe Literatuurprijs 2014. Wij publiceren een uitgebreid leesfragment. 'Vandersteen glipte weer door het gordijn. Ik zag een stukje raam. De lucht was helderblauw. Ergens aan de andere kant van het gebouw moest de zon schijnen. Ik dacht aan de laatste middag thuis op de boot. Het was een warme nazomerdag geweest. Ik had de hele dag op het dek gezeten en een boek gelezen. Ik weet niet meer welk boek. Gek hoe dat werkt, dan heb je uren een boek zitten lezen, een hele wereld voor je gezien en dan kun je er niets meer van herinneren. Niets. Zodat je niet eens aan iemand kunt vragen van: Hoe heet dat boek ook weer?'

Drie vrouwen met brandwonden delen een ziekenhuiskamer die onder voortdurende politiebewaking staat. Ze voelen zich bedreigd en schakelen hun bewaker uit. Er rest hen niets anders dan te vluchten.

'Wil je deze?'
Rechts naast me ging het gordijn op een kiertje. Een klein spichtig vrouwtje met een leesbril en een keurig coltruitje aan zwachtels hield mijn potlood omhoog. Ik knikte. Ze hield het potloodje met een geheven pink tussen haar lange dunne vingers alsof het een antiek Iers fluitje was. Een relikwie.
'Ben je een schrijver?' vroeg ze.
Ik schudde mijn hoofd. De vrouw zette het potlood even aan haar lippen en deed alsof ze een paar trekjes nam. Ze boog zich langzaam naar me toe, haalde het potlood uit haar mond en zei: 'Ik zou een moord doen voor een sigaret.'
Ik slikte.
'Ik weet dat je kunt praten', zei ze. 'Dus hou je maar niet van de domme. Die andere hier op de kamer praat ook al niet.'
Ze schuifelde naar me toe.
'Ja, ik heb het over jou ja!' riep ze over het gordijn heen naar de derde in de kamer.
Ze legde het potlood op mijn schoot. Ik schatte haar een jaar of vijftig. Ik weet eigenlijk nog steeds niet hoe oud ze is. Van Vandersteen had je het idee dat ze altijd al zo was geweest, alsof ze niet geboren was. Poef. Uit een wolkje van niks stond ze ineens daar, klopte haar kleren af en begon te lopen. Ze gaf me een stevige hand.
'Vandersteen', zei ze.
'Van Veen', zei ik.
'Ja, dat had ik al gehoord', zei ze. 'Die hier tegenover ons heeft geen naam.'
'O', zei ik.
Ik vroeg me af of ze gek was of dat ik aardig moest doen.
'Er staat "Vrouw X" op de status aan haar bed. Ik heb 'm uitgebreid zitten lezen. De verpleging weet ook niet wie het is. Die norse niet en die met die harde stem niet.'
'Is ze wel bij?' vroeg ik.
'Ze is zeker bij', zei Vandersteen. Daarna riep ze weer over het gordijn: 'Ze verstaat me prima!'
'We kunnen het verder uitstekend vinden', zei ze weer op normale toon. 'Zeg maar gerust dat het een meisje is. Wat zal ze zijn? Een jaar of twintig? Je kunt het niet zo goed zien. Ze is nogal verbrand.'
'Goh', zei ik.
'Zo te horen moet jij het ook niet echt van je uitgebreide vocabulaire hebben.'
Ik schraapte mijn keel en keek haar aan. Ik had ondertussen het potloodje van mijn schoot gepakt en friemelde er wat mee. Vandersteen had haar armen over elkaar gevouwen en keek me indringend aan. Niet op een vervelende manier, vriendelijk.
'Ligt u al lang hier?' zei ik uiteindelijk.
'Een weekje of wat. Twee, drie, vier, vijf. Ik hou het allemaal niet meer zo bij. In het ziekenhuis dan, hè? Op deze kamer pas net. Sinds gister.'
Aan de andere kant hoorde ik mevrouw X ademen, ze ademde steeds langzaam in door haar neus en blies dan in een korte stoot de lucht weer naar buiten.
'En zij?'
Ik wees voor me uit en ook al zag mevrouw X dat niet, ik deed het toch met wat schroom.
'Ze werd gisteren binnengerold. Gezelligheid op de kamer, dacht ik. Dácht ik. Niet dus. En nou ben jij d'r.'
'Ik lag eerst ook alleen op een kamer', zei ik.
'Vond je dat fijner?'
Ik haalde mijn schouders op.
'Op een gegeven moment word je te duur.'
'Ja', zei Vandersteen. 'En wat dacht je van die agent voor de deur?'
'Wie?' zei ik.
Ik had op de vorige kamer ook een agent voor de deur gehad, maar dat hoefde Vandersteen niet te weten.
'Een agent', zei Vandersteen. 'Met een snor. Die kwam er zitten toen ze de Bolle binnenreden.'
'De Bolle?' zei ik.
Vandersteen wees onder haar arm door naar het gordijn.
'Mevrouw X.'
'O', zei ik.
'En jij bent dus ook verbrand', zei Vandersteen. 'Dan zijn we met z'n drieën. De Bolle is er het ergste aan toe, die heeft het ook in haar gezicht. Maar ze is al aan de beterende hand. Bij jou valt het wel mee. Dat kan ik zo zien, ik heb jaren in dit ziekenhuis gewerkt. Hoe oud ben je? Ik kan het zo raden. Ik heb het altijd goed. Ik zeg vierendertig. Klopt dat? Ben je vierendertig?'
'Vindt ze dat niet vervelend?' zei ik. 'Dat u haar steeds "bolle" noemt?'
'Ze is toch bol?' zei Vandersteen. 'Ik kan het ook níét zeggen, maar dat verandert niets aan de situatie, nietwaar? Kijk, als ik jou "bol" zou noemen, dat zou gemeen zijn, want je bent niet echt bol, maar ook niet echt dun. Hoeveel weeg je?'
Ik mompelde wat.
'Zeventig kilo? Eenenzeventig?'
Ze schoof haar leesbril wat verder omhoog en bekeek me onderzoekend.
'Achtenzestig', zei ik snel.
'Zeventig dus', zei Vandersteen.
Ik wilde zeggen dat er niks van klopte, dat ze haar mond moest houden en dat ze terug in haar bed moest gaan.
'Als u het zegt', zei ik.
'Nu hebben we dus twee meisjes en een ouwe taart en een meneer met een snor voor de deur. Ik zeg: met de kandelaar in de bibliotheek door mevrouw Green.'
Vandersteen vertelde dat ze had geprobeerd om een sigaretje te roken, maar dat de agent haar er niet uit had gelaten. De man gaf geen antwoord op de vraag waarom.
'Ze kunnen u toch niet zomaar binnenhouden als u dat niet wilt?' zei ik.
Ik prutste weer wat aan het laken. Het gesloten gordijn maakte me benauwd, nu Vandersteen hier zo binnen bleef staan en ik zelf geen kant uit kon door die slang in mijn zij.
'Je bent een schatje', zei Vandersteen. 'Dat zie ik zo. En zeg in godsnaam jij. Ik krijg het gevoel alsof ik zojuist uit een sarcofaag ben komen stappen met m'n zwachtels.'
Vandersteen glipte weer door het gordijn. Ik zag een stukje raam. De lucht was helderblauw. Ergens aan de andere kant van het gebouw moest de zon schijnen. Ik dacht aan de laatste middag thuis op de boot. Het was een warme nazomerdag geweest. Ik had de hele dag op het dek gezeten en een boek gelezen. Ik weet niet meer welk boek. Gek hoe dat werkt, dan heb je uren een boek zitten lezen, een hele wereld voor je gezien en dan kun je er niets meer van herinneren. Niets. Zodat je niet eens aan iemand kunt vragen van: Hoe heet dat boek ook weer? Van die boer en die vrouw en dat afgelegen landgoed met die moord en die varkens. Maar ik weet het niet meer. Ik zie mezelf zitten, met een teen in het water, mijn broekspijpen opgerold, ik hou het boek vast en ik kan de letters bijna lezen, maar dan houdt het op. Alles blijft onscherp. De kaft is een zwart vlak, zwart als een oude bijbel.
'Nou', zei Vandersteen nadat ik haar weer het bed in had horen kruipen. 'Wel gezellig zo, met twee van die spraakwatervallen in de kamer. Ik denk dat we een kroeg moeten beginnen. Café Geduld noemen we die dan. Ik heb altijd al een kroeg willen beginnen met die naam. Want geduld …'
Ze wachtte even.
'Nou?'
Weer was het even stil.
'Geduld … Nou? Niet allemaal tegelijk, niet allemaal tegelijk.'
Ik twijfelde of ik iets zou zeggen.
'Nou? Iemand? Want geduld is een … schone zaak. Juist. Nietwaar? Nou? Nietwaar?'
Niemand zei ja.
Enkele minuten daarna hoorde ik Vandersteen zachtjes snurken.

Ik vroeg de hardpratende verpleegster om het gordijn voor me open te maken. Ze pakte de rand vast gaf me een knipoog.
'Kun je het wel aan?' riep ze. 'Niet dat de dames je straks tegenvallen!'
Ze lachte een luide tinkelende lach.
'Ik lig gewoon hier, hè', bromde Vandersteen.
Langzaam schoven de wieltjes door de rails. Ik zag een stukje muur, een opengeschoven groen-oranje gordijn en daarna zag ik buiten. Blauwe lucht en wat wolken. De zon scheen. Er vloog een vogel voorbij. Vandersteen zat rechtop in haar bed. Het hoofdeinde was tegen het raam van de ziekenhuiskamer aan geschoven. Als een twijgje onder een laken, met achter haar de zon, die een aureool om haar heen vormde. Ze had in één hand een roddelblaadje vast, met een foto van een prins die een vrouw kuste. Ze leek net een minigodje in al dat licht. Ik moest mijn ogen ervan dichtknijpen. Ze probeerde naar me te zwaaien, maar ontstak halverwege haar zwaaibeweging in een hoestbui.
'Dat is één!' riep de verpleegster.
Ik zwaaide naar Vandersteen, die al hoestend naar de zakdoekjes op het nachtkastje reikte. Het gordijn schoof verder en toen verscheen de Bolle. Een kolos onder een enorme berg dekens, ingepakt in een glimmend rood vel. Alsof iemand haar neus en oren eraf had geschroefd en haar gezicht met rode lak had overgeschilderd. De Bolle was een vesting, een burcht, een stuwwal, de Neeltje Jans of een combinatie van dat alles. Iemand had geprobeerd de vesting plat te branden, maar zo te zien was dat niet gelukt.
'Hoi', zei ik.
Ik zwaaide. Ze zwaaide terug. Ik probeerde niet te laten merken dat ik geschrokken was.
'Klaar', zei de verpleegster. 'Ben je blij?'
Ik knikte.
'Dan ben ik ook blij', zei de verpleegkundige. Ze verliet de kamer. Ineens zag ik hoe klein de ruimte was. De ontbijtkar paste maar net tussen het voeteneind van mij en de Bolle, gokte ik zo.
'Liggen we op een tweepersoonskamer?' zei ik.
'Dat liggen we', zei Vandersteen. 'Er zijn te weinig kamers met een eigen badkamer. Want anders moeten ze die gast voor de deur nog mee laten gaan naar de plee ook. Toen ik nog hier in dit ziekenhuis werkte moesten we ook weleens schuiven met alles. Niet heel handig, maar niks aan te doen. Maar het is wel fijn, hier aan het raam.'
De Bolle sloot haar ogen. Ze had haar handen gevouwen. Ik kon niet zien of ze sliep of dat ze bad.

[…]

 

©Hanneke Hendrix

Uitgeverij De Geus

MINDBOOKSATH : athenaeum