Leesfragment: De gewichtlozen

27 november 2015 , door Valeria Luiselli
| |

Deze week verschijnt het romandebuut van Valeria Luiselli, De gewichtlozen (Los ingrávidos, vertaald uit het Spaans door Merijn Verhulst). Wij publiceren voor. ‘In dit grote huis heb ik geen vaste plek om te schrijven. Op mijn werktafel liggen luiers, autootjes, transformers, babyflesjes, rammelaars, spullen die ik nog niet heb kunnen thuisbrengen. De ruimte wordt ingenomen door minuscule dingen. Ik loop de woonkamer door en ga met mijn computer op schoot op de bank zitten. Het middelste kind komt de woonkamer binnen: Wat doe je, mama? Ik schrijf. Gewoon een boek aan het schrijven? Gewoon aan het schrijven.’

'Waar gaat je boek over, mama? Het gaat over spoken. Is het spannend? Nee, maar wel een beetje verdrietig. Waarom? Zijn ze dood? Nee, ze zijn niet dood. Nou, dan zijn het ook geen spoken. Nee, het zijn eigenlijk ook geen spoken.' De gewichtlozen, Valeria Luiselli's eerste roman, is het verhaal van een jonge redactrice in New York, die research doet naar het merkwaardige leven van Gilberto Owen - een Mexicaanse dichter die bijna een eeuw eerder in dezelfde metropool woonde en werkte. Maar hoe dieper ze in diens leven en werk duikt, hoe meer parallellen er tussen de twee blijken te zijn. Zo veel, dat hun verhalen uiteindelijk in elkaar lijken op te gaan.

Na het internationale succes van Valse papieren maakt Valeria Luiselli met deze bijzondere roman de hooggespannen verwachtingen helemaal waar.

'Onopgesmukt, vreemd en wondermooi. Een buitengewoon nieuw literair talent.' The Telegraph
'Het portret van een kunstenaar als jonge vrouw - van een schrijfster zoals er geen ander te vinden is.' Francisco Goldman
'Valeria Luiselli's debuutroman is prachtig, en in de vele manieren waarop hij te lezen is vang je als lezer een glimp op van waar de allermooiste literatuur toe in staat is.' Alejandro Zambra

 

Het middelste kind maakt me wakker:
Mama, weet jij waar de muggen vandaan komen?
Nou, waar komen ze vandaan?
Uit de douche. Overdag zitten ze in de douche en ’s nachts komen ze tevoorschijn om ons te steken.

*

Alles begon in een andere stad, in een ander leven, een leven voor dat van nu maar na dat andere. Daarom kan ik dit verhaal niet opschrijven zoals ik dat zou willen – alsof ik nog altijd daar, en alleen maar die andere persoon was. Ik vind het moeilijk om over de straten en de gezichten te schrijven alsof ik ze nog elke dag voor me zie. Ik weet niet goed wat de werkwoordtijden zijn die ik moet gebruiken. Jong, dat was ik in ieder geval, en ik had sterke, smalle benen.

(Ik had dit verhaal graag willen beginnen zoals Hemingways A Moveable Feast eindigt.)

*

In die stad woonde ik helemaal alleen in een bijna leeg huis. Ik sliep weinig. Ik at slecht en zonder al te veel variatie. Ik leefde eenvoudig, routineus. Ik werkte als lector en vertaalster bij een kleine uitgeverij die zich tot doel had gesteld ‘buitenlandse pareltjes’ te redden die vervolgens niemand kocht – omdat we ze per slot van rekening in het diepe wierpen, midden in een eilandcultuur waar vertalingen als onrein worden gezien. Maar ik hield van mijn werk en geloof dat ik een tijd lang mijn best heb gedaan. Daarbij: op de uitgeverij mocht gerookt worden. Van maandag tot woensdag zat ik op kantoor; de donderdag en de vrijdag waren bestemd om research te doen in de bibliotheek. Elke maandag was ik vroeg ter plekke, met een kartonnen beker koffie en goede zin. Ik groette Minni, de secretaresse, en daarna mijn chief editor, de enige editor van de uitgeverij, maar wel mijn chief. Hij heette White. Ik ging aan mijn bureau zitten, rolde een sigaret van halfzware tabak en werkte tot het begon te schemeren.

*

In dit huis wonen twee volwassenen, een baby en het middelste kind. We zeggen dat hij de middelste is, want hoewel hij de oudste van de twee is, vindt hij het veel fijner als we hem ons middelste kind noemen. En hij heeft gelijk. Hij is de oudste, maar nog klein, dus noemen we hem onze middelste.
Een paar dagen geleden stapte mijn echtgenoot op een dinosaurusskelet terwijl hij de trap afliep en daarop volgde een catastrofe. Kreten, gejammer, een aardbeving: de dinosaurus viel niet meer te repareren. Nu is de T-Rex niet meer te redden, zei het middelste kind tussen twee snikken door. Soms hebben we de indruk dat we twee paranoïde Gullivers zijn, dat we de hele tijd op onze tenen lopen om niemand wakker te maken, om niet op iets belangrijks, op iets breekbaars te stappen.

*

In de winter woedden er fikse stormen. Maar ik droeg dan toch een minirok omdat ik jong was. Ik schreef brieven naar mijn bekenden waarin ik ze vertelde over mijn wandelingen, over mijn benen die ik in grijze kousen had gestoken; over mijn lichaam gehuld in een rode jas met diepe zakken. Ik schreef brieven over de koude wind die diezelfde benen streelde en vergeleek de ijskoude lucht met de stoppels van een slecht geschoren baard, alsof ik met de lucht en een paar grijze benen die de straten afliepen literair materiaal in handen had. Wanneer iemand lange tijd op zijn eentje woont, is de enige manier om te constateren dat hij nog bestaat het in een syntaxis vatten van zijn activiteiten en dingen en die met anderen delen: dit gezicht, dit wandelende skelet, deze mond, deze schrijvende hand.

Tegenwoordig schrijf ik ’s nachts, wanneer de kinderen slapen en ik mag roken en drinken en voor frisse lucht de ramen tegen elkaar open zet. Vroeger schreef ik de hele tijd, op elk moment, omdat alleen mijn lichaam me toebehoorde. Mijn benen waren lang, sterk en smal. En alleen ik besliste erover aan wie of wat ze toekwamen; aan wie dan ook, aan het schrijven.

*

In dat appartement stonden slechts vijf meubels: een bed, een eettafel, een boekenrek, een bureau en een stoel. Het bureau, de stoel en het boekenrek sloten eigenlijk pas later aan. Toen ik hier kwam wonen stootte ik alleen maar op een bed en op een uitklapbare aluminium eettafel. Er was ook een badkuip. Maar ik weet niet of die als meubel aangemerkt mag worden. Beetje bij beetje raakte de ruimte bewoonbaar, maar bijna altijd met voorwerpen die op doorreis waren. De boeken van de bibliotheek kwamen me in het weekend opzoeken, in een hoog opgetaste stapel naast het bed, en verdwenen op maandag weer, wanneer ik ze mee naar de uitgeverij nam om er leesrapporten over uit te tikken.

*

Een stille roman, om de kinderen niet wakker te maken.

*

In dit grote huis heb ik geen vaste plek om te schrijven. Op mijn werktafel liggen luiers, autootjes, transformers, babyflesjes, rammelaars, spullen die ik nog niet heb kunnen thuisbrengen. De ruimte wordt ingenomen door minuscule dingen. Ik loop de woonkamer door en ga met mijn computer op schoot op de bank zitten. Het middelste kind komt de woonkamer binnen:
Wat doe je, mama?
Ik schrijf.
Gewoon een boek aan het schrijven?
Gewoon aan het schrijven.

*

Romans zijn van de lange adem. Dat vinden romanschrijvers althans. Niemand weet precies wat het betekent, maar ze zeggen het allemaal: van de lange adem. Ik heb een baby en een middelste kind. Ze laten me niet ademen. Alles wat ik schrijf zal – kan – alleen maar van de korte adem zijn. Van weinig lucht.

*

Soms kocht ik wijn, al was de fles dan meestal dezelfde avond nog leeg. Brood, sla, kaas, whisky en koffie, in die volgorde, gingen iets langer mee. En iets langer dan elk van die vijf dingen: de olie en de sojasaus. Maar pennen en aanstekers, bijvoorbeeld, kwamen en gingen als pubers die eventjes hun te veel aan wilskracht en hun absolute autonomie wilden tonen. Ik wist dat het niet goed was vertrouwen te schenken aan de spullen in huis; dat wanneer we gewend zijn aan de stilzwijgende aanwezigheid van het een of andere voorwerp het stuk gaat of verdwijnt. Mijn banden met de personen die me omringen werden altijd gekenmerkt door die twee manieren van discontinuïteit: ze braken of gingen in rook op.
Het enige uit die periode dat nu nog voortleeft zijn de echo’s van enkele gesprekken, een handvol terugkerende ideeën, gedichten die ik mooi vond en die ik steeds opnieuw heb gelezen tot ik ze vanbuiten kende. Al het overige is van later datum. Mijn herinneringen aan dat leven hebben niet veel omhanden. Het zijn steigers, structuren, lege huizen.

*

Ik ga ook een boek schrijven, deelt het middelste kind me mee terwijl we de avondmaaltijd klaarmaken en wachten tot zijn vader van kantoor terugkeert. Zijn vader heeft geen kantoor, maar wel veel werkafspraken en soms zegt hij daarom: Ik moet even naar het kantoor. Het middelste kind zegt dat zijn vader in het kantorium werkt. De baby zegt niets, maar op een dag zal hij pa-pa zeggen.
Mijn echtgenoot schrijft filmscripts, maar ook televisiereclames en soms gedichten. Hij denkt dat hij de vitaliteit die je nodig hebt voor het schrijven van goede gedichten al is kwijtgeraakt – daarom bergt hij het bruine boekje waarin hij ze schrijft altijd op in een kistje met een slot.
Hoe gaat je boek dan heten? vraag ik onze middelste.
Er komt op te staan: Papa komt altijd kwaad thuis van zijn kantorium.

*

In ons huis valt vaak het licht uit. Geregeld moeten we de stoppen dan vervangen. Dat is een recent aangeleerd woord in ons dagelijks vocabulaire. Het licht valt uit en de middelste zegt: Onze stoppen zijn er alweer mee gestopt.
Ik geloof niet dat er stoppen te vinden waren in dat appartement, in die andere stad. Nooit heb ik de meterkast gezien, nooit viel het licht uit, nooit heb ik een peertje vervangen. Het waren allemaal tl-lampen: die gingen eeuwig mee. Een Chinese student woonde achter de ramen in een gebouw tegenover het mijne. Hij studeerde tot diep in de nacht onder zijn eigen fletse lamp; ook ik las tot diep in de nacht. Om drie uur ’s nachts, met oosterse precisie, ging het licht van de woonkamer uit. Hij deed het licht van de badkamer aan en, vier minuten later, weer uit. Het licht van zijn slaapkamer deed hij nooit aan. Zijn intieme rituelen voerde hij in het donker uit. Ik hield ervan me de Chinees voor te stellen: dat hij zich uitkleedde voor hij onder de lakens kroop, dat hij zich betastte, of hij het onder de deken deed of staand naast zijn bed; hoe de eikel van deze Chinees eruitzag; of hij ergens aan dacht of naar mij keek, terwijl ik in mijn keuken hem voor me zag. Zodra zijn nachtelijke ceremonie voorbij was deed ik mijn licht uit en verliet het appartement.

*

We houden ervan ons voor te stellen dat er in dit huis een spook is dat ons gezelschap houdt, dat ons observeert. We zien hem niet, maar we hebben het idee dat hij een paar weken na de verhuizing bij ons is ingetrokken. Ik was acht maanden zwanger en heel dik. Ik kon me bijna niet bewegen. Ik schoof als een zeeleeuw over de planken vloer. Ik wijdde me aan het uitpakken van dozen vol boeken, door ze in alfabetische torens op te stapelen. Mijn man en de middelste zetten ze vervolgens in de pas geverfde boekenrekken. Het spook duwde de torens om. De middelste heeft hem tot Metgeengezicht gedoopt. Het spook opent deuren en sluit ze weer. Hij steekt het fornuis aan. Dit is namelijk een huis met een enorm fornuis en veel deuren. Mijn echtgenoot vertelt het middelste kind dat het spook een balletje tegen de deur laat stuiteren, en onze middelste besterft het van de angst en verbergt zich meteen in de armen van zijn vader, tot deze zweert dat het maar een grap was. Soms wiegt Metgeengezicht de baby als ik zit te schrijven. Zij en ik vinden het allebei niet eng, terwijl we weten dat het menens is. Zij is de enige die hem ziet, ze glimlacht in de leegte met al het charisma dat ze heeft. Spoedig zal haar eerste tandje doorkomen.

*

Om acht uur ’s avonds fietst de tamalverkoper door onze buurt. Dan haasten we ons voor een half dozijn zoete tamals naar buiten. Alhoewel: ik niet – van op de drempel fluit ik hem toe, met twee vingers in mijn mond, en mijn man rent de straat op om hem in te halen. Wanneer hij weer binnen is en de tamals openknipt, zegt hij: Ik ben getrouwd met iemand die kan fluiten. Ook lopen er geregeld buren langs ons raam, ze begroeten ons. Hoewel wij de buren zijn die hier het laatst kwamen wonen, is iedereen vriendelijk voor ons. Iedereen kent elkaar. ’s Zondags eten ze samen in de gedeelde binnenhof. Ze nodigen ons uit, maar we sluiten ons niet aan bij het feestmaal; we groeten ze vanuit het raam van de woonkamer en wensen hun een fijne zondag. Het is een woonblok vol oude huizen, die allemaal een beetje vervallen zijn of op het punt staan in verval te raken.

*

In die andere buurt kende ik niemand. Gewoonlijk kwam ik alleen maar thuis om te eten, me te wassen en te lezen; bijna nooit om er de nacht door te brengen. Ik hield er niet van zonder gezelschap in mijn appartement te slapen. Het was een zevende verdieping. Ik stelde mijn huis liever aan verre vrienden beschikbaar en zocht naar andere kamers, beschikbaar gestelde fauteuils en gedeelde bedden om de nacht door te brengen. Ik heb veel mensen een reservesleutel van mijn huis gegeven. En op hun beurt gaven anderen mij weer hun reservesleutel. Gulheid? Nee. Het waren gewoon wederzijdse diensten.

*

Op vrijdag, maar niet op elke vrijdag, kwam Moby. Hij was de eerste die mijn sleutels kreeg. Onze wegen kruisten elkaar bijna altijd in de deuropening. Ik ging de deur uit om naar de bibliotheek te gaan; hij keerde terug om zich te wassen, omdat hij in zijn eigen huis, dat in een dorpje op anderhalf uur van de stad stond, geen warm water had. Aanvankelijk bleef hij niet slapen en ik weet ook niet waar hij dan wel sliep, maar hij waste zich in mijn badkuip en als wederdienst nam hij een plant voor me mee of maakte een stoofpotje en zette dat in de koelkast. Hij liet briefjes achter die ik ’s avonds vond wanneer ik voor mijn avondeten thuiskwam: ‘Ik heb je shampoo gebruikt, dank je, M.’
Moby werkte doordeweeks in de stad. Hij verkocht vervalste oude boeken die hij zelf in zijn eigen thuisdrukkerij maakte. De gegoede intellectuelen uit de buurten aan de zuidkant van de stad kochten ze voor onwerkelijke prijzen. Hij maakte ook unieke exemplaren van Amerikaanse klassiekers na in even unieke uitgaven. (Het is opzienbarend hoe geobsedeerd gringo’s zijn wat unieke dingen betreft.) Hij had een geïllustreerde editie van Leaves of Grass, een in potlood geschreven manuscript van Walden en op band opgenomen essays van Ralph Waldo Emerson, voorgedragen door zijn Poolse grootmoeder. Maar het merendeel van zijn schrijvers waren ‘schrijvers uit Ohio uit de jaren twintig en dertig’. Dat was zijn niche. Hij had een theorie ontwikkeld over de ultraspecialisatie die voor hem leek te werken. Uiteraard had hij die zelf niet ontwikkeld maar Adam Smith, maar hij vond dat het zijn theorie was. Ik zei hem: Dit is de theorie van de naalden van Adam Smith. En Moby antwoordde daarop: Ik heb het over American Poets. Het boek dat hij op dat moment probeerde te verkopen heette Can We Hold Hands Out There? Hij had tien exemplaren en gaf me er eentje van. Het was van een heel slechte dichter, die uit Cleveland, Ohio kwam, net als Moby.
Soms liep hij voor hij naar zijn dorp terugkeerde nog even mijn appartement binnen om zich te wassen. Dan aten we de kliekjes van wat hij op vrijdag gemaakt had. We hadden het over de boeken die hij verkocht had; we hadden het over boeken in het algemeen. En op zondag bedreven we soms de liefde.

*

Mijn man leest een paar van deze paragrafen en vraagt me wie Moby is. Niemand, zeg ik, Moby is een personage.

*

Maar Moby bestaat.

[...]

 

Copyright © Valeria Luiselli
Copyright Nederlandse vertaling © 2014 Merijn Verhulst en Uitgeverij Karaat, Amsterdam
Copyright auteursportret © Zony Maya

MINDBOOKSATH : athenaeum