Leesfragment: De huisgenoten

27 november 2015 , door Sarah Waters
| |

14 oktober verschijnt de nieuwe roman van Sarah Waters, De huisgenoten (The Paying Guests, vertaald door Nico Groen, Sjaak de Jong en Marijke Versluys). Wij publiceren voor. ‘“Het maakt niet uit,” zei Frances. “Hij wordt toch gauw weer dof, ben ik bang.” Maar met een resoluut: “Nee, ik wil hem niet bederven” zette mevrouw Barber de mand en het krat met planten neer om haar schoenen uit te doen. Ze liet vochtige voetafdrukjes op de boenwas achter. Ze droeg zwarte kousen, het zwartst bij de teen en de hiel, waar de zijde mooi trapsgewijs was verstevigd.’

Na schitterende romans die waren gesitueerd in de victoriaanse tijd en in de jaren veertig, richt bestsellerauteur Sarah Waters haar vizier in haar nieuwe boek op de jaren twintig. Alles is, na de EersteWereldoorlog, kapot. Kan er dan nog liefde bestaan?

Het is 1922, de situatie in Londen is gespannen. De mannen die op de slagvelden in Europahebben gediend, zijn gedesillusioneerd engetraumatiseerd. Velen van hen zijn werkeloos, arm en hongerig en eisen maatschappelijke verandering.

In Zuid-Londen, in een villa op stand in Camberwell, een groot, stil huis, beroofd van de heer des huizes, zijn zoons en zelfs van bedienden zien mevrouw Wray en haar alleenstaande dochter Frances zich genoodzaakt huurders in huis te nemen. De komst van Lilian en Leonard Barber, een jong echtpaar uit een ander milieu, zet de gang van zaken in devilla op zijn kop. Gevoelens laaien op en niemand die voorziet hoe ingrijpend en verwoestend de veranderingen zullen zijn. 

 

Deel I

I

De Barbers hadden gezegd dat ze om een uur of drie zouden komen. Het was alsof je klaarstond om op reis te gaan, dacht Frances. Zij en haar moeder hadden zich niet kunnen ontspannen, hadden de hele ochtend op de klok gekeken. Om halfdrie had ze weemoedig de ronde gemaakt, naar ze aannam voor de laatste keer; de moed die ze zich vervolgens had ingesproken was gaandeweg weggeëbd, en nu, om iets voor vijven, liep ze opnieuw door de spaarzaam ingerichte kamers, zonder enige affectie, luisterend naar haar eigen holle voetstappen en slechts in ongedurige afwachting van het moment dat de twee hun intrek zouden nemen en alles achter de rug zou zijn.
Aan een raam in de grootste kamer, tot voor kort haar moeders slaapkamer en nu de woonkamer van de Barbers, keek ze de straat in. Het was een lichte maar heiige middag; een vlagerige wind blies stof over de stoep en het wegdek. De statige huizen aan de overkant hadden iets van een zondagse saaiheid over zich, maar ja, dat hadden ze elke dag van de week. Om de hoek stond een groot hotel waar soms een taxi of een andere auto naartoe of vandaan reed en af en toe kwam er iemand een luchtje scheppen. Maar in het algemeen gesproken had Champion Hill aan zichzelf genoeg. De tuinen waren groot, de bomen groen. Je had geen idee, dacht ze, dat het armoedige Camberwell maar even verderop lag. Je had geen idee dat een paar kilometer naar het noorden het bruisende Londen lag, met al zijn verlokkingen.
Ze keek om omdat ze een voertuig hoorde naderen. Er kwam een bestelauto aanrijden. Dat waren ze toch niet? Ze had een kar verwacht, misschien zelfs dat de twee te voet zouden komen. Maar inderdaad, de auto kwam met afgrijselijk piepende remmen naast het trottoir tot stilstand en ze zag de drie inzittenden voorovergebogen naar haar opkijken, mevrouw Barber tussen haar man en de chauffeur in. Ze wist zich gevangen in de omlijsting van het raam, voelde zich te kijk staan, en stak glimlachend een hand op.
Dat is het dan, zei ze in zichzelf, de glimlach nog om haar mond.
Het was uiteindelijk toch iets anders dan klaarstaan om op reis te gaan; het was alsof je reis ten einde was en je de trein niet uit wilde. Ze trok zich los van het uitzicht en liep naar beneden, waar ze zo opgewekt mogelijk riep, in de richting van de salon: ‘Ze zijn er, moeder!’
Tegen de tijd dat ze de voordeur had opengedaan en in de portiek stond, waren de Barbers uitgestapt en druk bezig hun spullen uit de bestelauto te laden. Ze werden daarin bijgestaan door de chauffeur, een jongeman die nagenoeg hetzelfde gekleed ging als meneer Barber – sportjasje en gestreepte das – en net zo’n smal gezicht en zulk niet-gepommadeerd weekendhaar had, waardoor Frances even in onzekerheid verkeerde wie van beiden meneer Barber was. Ze had het echtpaar maar één keer eerder ontmoet, bijna twee weken geleden. Het was een natte avond in april geweest en hij was rechtstreeks van kantoor gekomen, in een mackintosh en met een bolhoed op.
Maar nu zag ze de rossige snor weer voor zich, de roodgouden gloed van zijn haar. De andere man was blonder. De echtgenote, die toen ingetogen en nogal onopvallend gekleed was geweest, had nu een met een franje afgezette rok en een karmozijnrode trui aan. De rok eindigde wel twee handbreedtes boven haar enkels. De trui was lang en zat absoluut niet strak, maar gaf toch haar rondingen prijs. Net als de mannen droeg ze niets op haar hoofd. Ze had kort, donker haar dat over de wangen naar voren krulde en in de nek was opgeknipt, als was het een ingenieus zwart kapje.
Wat zagen ze er jong uit! De mannen leken nog jongens, hoewel Frances meneer Barber tijdens zijn vorige bezoek op zes- of zevenentwintig had geschat, ongeveer haar leeftijd, en mevrouw Barber op drieëntwintig. Daar was ze nu niet meer zo zeker van. Eenmaal in de voortuin met het pad van platte stenen hoorde ze hen opgewonden en vrijuit praten. Meneer Barber had kennelijk de hutkoffer op zijn vingers gekregen die ze uit de auto hadden gesjord en nu op de grond stond te wankelen. ‘Lach niet!’ hoorde ze hem gespeeld verontwaardigd naar zijn vrouw roepen. Op dat moment herinnerde ze zich weer de ‘nette’ taal van hun lessen in welsprekendheid.
Mevrouw Barber pakte zijn hand. ‘Laat eens kijken. O, niets aan te zien.’
Snel trok hij de hand terug. ‘Nu nog niet, nee. Maar dat komt nog wel. Jezus, wat doet dat zeer!’
De andere man wreef langs zijn neus. ‘Denk erom.’ Hij had Frances bij het tuinhek gezien. De Barbers draaiden zich om en nog nalachend begroetten ze haar, waardoor ze – zeer ongemakkelijk – deelgenoot werd van de algemene vrolijkheid.
‘Daar bent u dan,’ zei ze terwijl ze zich aansloot bij het drietal op het trottoir.
‘Ja, daar zijn we! U ziet het wel, de straat gaat er meteen op achteruit,’ zei meneer Barber, nog steeds een beetje lacherig. ‘O, daar zorgen mijn moeder en ik al voor.’
Mevrouw Barber klonk oprechter. ‘Excuses dat we zo laat zijn, juffrouw Wray. De tijd vloog! U hebt toch niet op ons zitten wachten? Je zou haast denken dat we helemaal uit het noordelijkste puntje van Schotland moesten komen, hè?’
Ze kwamen uit Peckham Rye, een kilometer of drie verderop. Frances zei: ‘Soms duurt de kortste reis het langst, nietwaar?’
‘Zeker wanneer Lilian mee is,’ zei meneer Barber. ‘Meneer Wismuth en ik stonden al om één uur klaar… Dit is mijn vriend Charles Wismuth. Hij was zo vriendelijk ons de bestelauto van zijn vader te lenen.’
‘Jullie stonden helemaal niet klaar!’ riep mevrouw Barber uit op het moment dat meneer Wismuth breed lachend naar Frances stapte en haar een hand gaf. ‘Ze stonden níét klaar, juffrouw Wray, eerlijk waar!’
‘Toen jij nog met je hoeden bezig was, stonden wij al te wachten!’
‘Hoe dan ook,’ zei Frances, ‘u bent er nu.’
Misschien klonk ze een tikkeltje koel. Het drietal keek enigszins schuldbewust en meneer Barber liep met een blik op zijn gehavende knokkels terug naar de achterkant van de auto. Over zijn schouder ving Frances een glimp op van de inhoud: bolstaande koffers, een kluwen tafels en stoelen, bundels beddengoed en opgerolde vloerkleden, een koffergrammofoon, een rijshouten vogelkooi, een gebronsde asbak op een marmeren voet… Het idee dat al die spullen dadelijk haar huis binnen zouden worden gebracht en dat dit stel – een heel ander stel dan ze zich herinnerde, veel jonger en vrijpostiger – dat alles naar binnen zou dragen, zou neerzetten om er met hun tweetjes onbeschaamd een eigen plekje mee te creëren, bracht haar even in paniek. Waar was ze in vredesnaam aan begonnen? Het was alsof ze haar huis openstelde voor dievengespuis.
Maar wilden ze het huis aanhouden, dan zat er niets anders op. Met een vastberaden glimlach stapte ze op de bestelauto af om te helpen.
De mannen lieten het niet toe. ‘Geen sprake van, juffrouw Wray.’
‘Nee, heus, dat hoeft niet,’ zei mevrouw Barber. ‘Len en Charlie doen het wel. Zo veel is het trouwens niet.’ Waarop ze, tikkend tegen haar lippen, de spullen die zich om haar heen ophoopten in ogenschouw nam.
Frances herinnerde zich die mond weer. Het was een mond, zoals ze het voor zichzelf had geformuleerd, die meer buitenkant dan binnenkant leek te hebben. Anders dan de vorige keer was er wat kleur op aangebracht en de wenkbrauwen waren, merkte ze op, in model geëpileerd. Naast al het andere bracht dat modieuze een zeker onbehagen, maakte het dat ze zich een oude vrijster voelde, zo met haar opgestoken haar, haar hoekige postuur en een blouse die naar de mode van een al vier jaar voorbije oorlog in haar hooggesloten rok was gestopt. Ze zag mevrouw Barber met een kratje kamerplanten in haar handen, het hengsel van een raffiamand onhandig aan haar pols, en zei: ‘Laat me dan in elk geval die mand van u overnemen.’
‘O, het gaat heus wel!’
‘Nee echt, ik moet ook iets nemen.’
Ten slotte pakte ze de afzichtelijke staande asbak aan die ze meneer Wismuth net uit de auto zag pakken en liep ermee naar het huis, waar ze de deur openhield. Mevrouw Barber liep behoedzaam achter haar aan het trapje op.
Maar in de portiek, aarzelend, keek mevrouw Barber over de varens in haar armen heen de hal in en er verscheen een glimlach.
‘Het is nog net zo mooi als ik het me herinner.’
Frances draaide zich om. ‘Ja?’ Zij zag de schone schijn, zag de eigenhandig gerepareerde of weggemoffelde slijtage, de lege plek die de staande klok had achtergelaten toen ze hem een halfjaar eerder hadden moeten verkopen, de glimmend gepoetste gong die in geen jaren was geluid. Ze draaide zich weer om naar mevrouw Barber, die nog steeds stond te treuzelen op de drempel. ‘Toe,’ zei ze, ‘komt u toch binnen. U woont hier nu ook.’
De schouders van mevrouw Barber gingen omhoog, ze beet op haar lip en zette grote ogen op van stille opwinding. Omzichtig stapte ze de hal in, waar haar hak meteen op een losliggende tegel van de zwart-witte vloer terechtkwam en hem aan het wiebelen bracht. ‘O, hemeltje!’ giechelde ze gegeneerd.
Frances’ moeder verscheen in de deuropening van de salon. Misschien had ze vlak achter de deur moed staan verzamelen.
‘Welkom, mevrouw Barber.’ Met een lach op haar gezicht kwam ze naar hen toegelopen. ‘Wat een prachtige planten. Zijn dat geen blauwvarens?’
Mevrouw Barber manoeuvreerde het kratje en de mand zo dat ze haar een hand kon geven. ‘Ik vrees dat ik dat niet weet.’
‘Ik denk het wel. Blauwvarens… schitterend! U hebt het weten te vinden?’
‘Ja, en mijn excuses dat we zo laat zijn!’
‘Ach, dat maakt ons niet uit. De kamers lopen niet weg. We zullen thee voor u zetten.’
‘O, doet u vooral geen moeite.’
‘Maar thee hoort erbij. Wie verhuist wil thee, en dan is de theepot altijd onvindbaar. Laat u mij maar, dan kunt u met mijn dochter naar boven.’ Ze wierp een bedenkelijke blik op de asbak. ‘Help jij ook mee, Frances?’
‘Mevrouw Barber had haar handen vol, dus dat leek me alleen maar redelijk.’
‘O nee, u hoeft niet te helpen,’ zei mevrouw Barber. En opnieuw giechelend voegde ze eraan toe: ‘Dat verwachten we helemaal niet van u.’
Ze lacht wel veel, dacht Frances toen ze haar voorging naar boven. Op de brede overloop was het opnieuw even wachten. De deur links was dicht, die gaf toegang tot Frances’ kamer, de enige boven die haar en haar moeder nog toebehoorde. Maar de andere deuren stonden open en het licht van de late namiddagzon, verzadigd geel als het geel van een ei, viel via de beide kamers aan de voorkant van het huis bijna tot aan de trap. Daardoor zag je niet alleen de slijtplekken die in de kleden zaten, maar ook de boenwas op de vroegnegentiende-eeuwse plankenvloer waarop Frances zich die week een paar ochtenden lang had afgebeuld om hem weer de kleur van donkere karamel te geven. Mevrouw Barber wilde dan ook niet graag met haar hakken aan op de glanzende vloer komen. ‘Het maakt niet uit,’ zei Frances. ‘Hij wordt toch gauw weer dof, ben ik bang.’ Maar met een resoluut: ‘Nee, ik wil hem niet bederven’ zette mevrouw Barber de mand en het krat met planten neer om haar schoenen uit te doen.
Ze liet vochtige voetafdrukjes op de boenwas achter. Ze droeg zwarte kousen, het zwartst bij de teen en de hiel, waar de zijde mooi trapsgewijs was verstevigd. Van een afstand zag Frances, die even was achtergebleven, dat mevrouw Barber de grootste van de twee kamers binnenging en die met dezelfde goedkeurende opmerkzaamheid in zich opnam als even eerder de hal, met een glimlach bij elk oorspronkelijk detail.
‘Wat een prachtige kamer. Hij lijkt zelfs groter dan de vorige keer. We verdwalen er nog in, Len en ik. Bij zijn ouders, moet u begrijpen, hadden we eigenlijk alleen een slaapkamer. En hun huis is… Ach, anders dan dit.’ Ze liep naar het linkerraam, het raam waar Frances even eerder nog voor had gestaan, en hield een hand boven haar ogen. ‘En kijk de zon eens! De vorige keer dat we hier waren was het bewolkt.’
Uiteindelijk kwam Frances bij haar staan. ‘Ja, deze kamer krijgt de meeste zon. We wonen dan wel hoog, maar jammer genoeg is het uitzicht niet zo veel.’
‘Maar je ziet wel iets, tussen de huizen door.’
‘Tussen de huizen door, ja. En naar het zuiden, die kant op,’ – ze wees – ‘zie je de torens van Crystal Palace. Dan moet u iets dichter bij het glas komen. Ziet u ze?’
Heel even stonden ze vlak bij elkaar, mevrouw Barber met haar gezicht dicht bij het raam dat beslagen raakte door haar adem. Haar ogen met de zwarte wimpers zochten en vonden. ‘O, ja!’ Ze klonk opgetogen.
Maar toen deed ze een stap terug, stelde ze haar ogen in op dichterbij, en vertederd zei ze: ‘O, kijk Len nu. Zie hem eens foeteren. Wat is het toch een kriel!’ Ze tikte tegen het raam, riep en gebaarde. ‘Die pakt Charlie wel! Kijk de zon! De zón. Zie je hem? Zie je de zón!’ Ze liet haar hand zakken. ‘Hij hoort me niet. Geeft niet. Grappig om onze spullen daar te zien staan. En het oogt allemaal zo armoedig! Net een uitdragerij. Wat zullen uw buren wel niet denken, juffrouw Wray!’
Ja, wat zouden ze denken? Frances zag mevrouw Dawson van de overkant, wie nooit iets ontging, al zogenaamd met de knip van haar voorkamerraam worstelen. En daar had je meneer Lamb van huize High Croft lager op de heuvel, die even bleef staan en zijn ogen over de propvolle koffers liet gaan, over de kisten waar de verf vanaf was, de tassen, de manden en de vloerkleden die meneer Barber en meneer Wismuth voor het gemak op het lage bakstenen tuinmuurtje stapelden.
Ze zag beide mannen hem toeknikken en hoorde hen zeggen: ‘Hoe maakt u het?’ Hij aarzelde, kon hen niet plaatsen, misschien omdat de strepen op hun ‘clubdas’ hem in verwarring brachten. ‘We moesten maar even gaan helpen,’ zei Frances.
‘O, ik ga wel,’ was de reactie van mevrouw Barber.
Maar in plaats van naar beneden te gaan dwaalde ze het naastgelegen vertrek in en vandaar naar de achterste kamer, de kleine tegenover die van Frances, aan de andere kant van de trap. Voor Frances en haar moeder was het nog altijd de kamer van Nelly en Mabel, ook al hadden ze geen Nelly, Mabel of ander inwonend dienstmeisje meer sinds de munitiefabrieken hen in 1916 hadden weggekaapt. De kamer was nu een keuken, met een servieskast en een gootsteen, een gaslamp en een gasoven en een meter waar shillings in gingen. Frances, die eigenhandig het behang had geverfd, had de vloer hier gebeitst in plaats van in de boenwas gezet. De kast en de tafel met het aluminium blad had ze uit de bijkeuken naar boven gesjouwd op een dag dat haar moeder weg was en het dus niet had hoeven aanzien.
Ze had haar best gedaan er iets van te maken. Maar nu ze mevrouw Barber al redderend bezit zag nemen van de ruimte, zag bepalen wat waar moest komen, voelde ze zich vreemd overbodig, alsof ze haar eigen geest was geworden. Ongemakkelijk zei ze: ‘Goed, als alles in orde is, ga ik kijken hoe het er met de thee voor staat. Mocht er nog iets zijn, dan ben ik gewoon beneden. U kunt beter naar mij gaan dan naar mijn moeder en… O.’ Ze onderbrak zichzelf en grabbelde in haar zak. ‘Voor ik het vergeet, ik kan deze maar beter aan u geven.’
Ze haalde de huissleutels tevoorschijn; twee setjes, elk aan een eigen lint. Het kostte moeite ze te overhandigen, ze daadwerkelijk in handen te geven van die vrouw – dat meisje – die bijna volslagen onbekende die met een advertentie in de South London Press tot leven was gewekt. Maar mevrouw Barber nam de sleutel in ontvangst met een gebaar, een licht neigen van het hoofd, dat duidelijk maakte dat ze dit gewichtige moment naar waarde schatte. En onverwacht fijngevoelig zei ze: ‘Dank u, juffrouw Wray. Fijn dat u het allemaal zo mooi in orde hebt gemaakt. Ik weet zeker dat Leonard en ik hier gelukkig zullen worden. Daar ben ik vast van overtuigd.’ Waarna ze naar haar tas liep, de sleutels erin opborg en vervolgde: ‘En ik heb uiteraard ook iets voor u.’ Ze kwam terug met een gekreukte bruine envelop.
Het ging om twee weken huur. Achtenvijftig shilling: Frances hoorde de ponden al haast knisperen, de munten bijna rinkelen. Toen ze de envelop van mevrouw Barber aannam, zette ze een zo zakelijk mogelijk gezicht en met een zekere achteloosheid stopte ze hem in haar zak. Alsof iemand ook maar geloofde, dacht ze, dat het geld slechts een formaliteit was en niet de essentie, niet dat waar al dat armoedige gedoe eigenlijk om ging.
Weer beneden, op een moment dat de mannen hijgend een trapnaaimachine voorbij sjouwden, glipte ze de salon binnen, alleen om even naar het geld te kijken. Ze trok de lijmrand van de envelop los en… O, daar was het, het hele bedrag, helemaal echt, helemaal aanwezig, zo helemaal van háár dat ze het wel kon zoenen. Ze duwde de envelop weer in haar zak en bijna huppelend liep ze door de hal en het gangetje naar de keuken.
Haar moeder, aan het fornuis, tilde de ketel van de kookplaat met iets gekwelds dat ze altijd over zich had wanneer Frances haar alleen liet in de keuken. Dan was het alsof ze als passagier de machinekamer van een lijnschip met averij in was geduwd met de opdracht de meters in de gaten te houden. Frances had een vastere hand dan zij en kreeg de ketel aangereikt. Zelf begon ze het servies te verzamelen: melkkannetje, suikerpot. Nadat ze de drie kop-enschotels voor de Barbers en meneer Wismuth op het dienblad had gezet, pakte ze nog twee schoteltjes en aarzelde. Fluisterend vroeg ze Frances: ‘Zullen we erbij gaan zitten?’
Ook Frances aarzelde. Wat schreef de etiquette voor?
Ach, wat maakte het uit! Het geld was binnen. Ze trok haar moeder de schoteltjes uit handen. ‘Nee, laten we daar maar niet aan beginnen. Dan is het einde zoek. Wij blijven in de salon, zij mogen boven theedrinken. Ik doe er wel koekjes bij.’ Ze lichtte het deksel van het blik en stak haar hand erin.
Weer weifelde ze. Waren de koekjes echt nodig? Ze legde er drie op een schaaltje, zette het schaaltje naast de theepot, bedacht zich en nam het weer weg.
Maar terugdenkend aan die aardige mevrouw Barber, die zo voorzichtig over de boenwas was gelopen, terugdenkend aan die mooie hielen van haar kousen zette ze het schaaltje terug.

 

Copyright © Sarah Waters 2014
Copyright © Nederlandse vertaling Nico Groen, Sjaak de Jong en Marijke Versluys / Nijgh & Van Ditmar 2014

Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum