Leesfragment: De jacht op het sublieme

27 november 2015 , door Piet Gerbrandy
| | | |

14 november wordt Piet Gerbrandy's nieuwe essaybundel De jacht op het sublieme gepreresenteerd bij Athenaeum Boekhandel. Wij publiceren voor.

'De wereld past ons niet. Krijtend en hulpeloos spoelen we, om met Lucretius te spreken, als schipbreukelingen aan op het strand van het leven, gedurende enkele decennia dwalen we koortsachtig rond in een gebied dat we nooit zullen kennen, ten slotte vallen we jammerlijk uiteen en rotten we roemloos weg.'

Wat zoeken we in poëzie, dans en muziek? Waarschijnlijk gaat het om iets wat te vergelijken is met wat we ervaren als we door een overweldigend landschap lopen of in de greep raken van een verwoestende verliefdheid, kortom: wat sinds Burke en Kant bekendstaat als ‘het sublieme’.

In een twintigtal even grondige als meeslepende essays onderzoekt Piet Gerbrandy de erotische, religieuze en muzikale werking van literatuur, waarbij onder anderen Lucebert, Jan Arends en Gerard Reve voorbijkomen, maar ook Homerus, Horatius en Claudianus. 

 

Naakte strijdlust tegen het ontbrekende

Het vuur van Anneke Brassinga

De wereld past ons niet. Krijtend en hulpeloos spoelen we, om met Lucretius te spreken, als schipbreukelingen aan op het strand van het leven, gedurende enkele decennia dwalen we koortsachtig rond in een gebied dat we nooit zullen kennen, ten slotte vallen we jammerlijk uiteen en rotten we roemloos weg. Heel ons leven verlangen we er desperaat naar één te worden met wat ons begeerlijk omringt, onze geliefden, het landschap, ons voedsel, de zang van de merel, maar wij staan overal buiten en alles blijft ons ten diepste vreemd. Slechts de taal, die ons spreekt en even vervaarlijk woekert als klimplanten en sporen van zwammen, die zelf een ongrijpbaar natuurverschijnsel is, lijkt ons ertoe in staat te stellen een band met de wereld aan te gaan. Door vreemde dingen te zeggen, door uit ons onbegrepen innerlijk wonderlijke constructies van woorden op te diepen, hopen we lettergreep voor lettergreep deel te krijgen aan wat we als onbereikbaar beschouwden, maar wat in feite onze essentie uitmaakt. Het water, de stenen, het vlees, het vuur en het licht – we zijn het zelf. We zijn zelf de materie waarop we geen vat hebben. De meesten van ons moeten eerst gaan sterven om te leren zich over te geven aan de stroom, die geen betekenis heeft. Het verzet staken en gelukkig worden, geen taal meer behoeven, dat is slechts weinigen gegund.

Ik ben, zegt Anneke Brassinga in Bloeiend puin (2008), ‘hoezeer ook wenend om bonen in de krop gebroken, haaks op de gang geboren en haaks zal ik heengaan’. Mijn toekomst ‘is het graf en ik hoop er vermoeid aan te komen’. Zij zegt te lijden aan ‘wroeging dat schrijven tot op heden niet heeft geleid tot rijping en loutering maar veeleer de onmacht heeft doen aanwassen’. ‘Het zij zo dat iedereen als het erop aankomt een blind bevangene is in de toevalligheid van het eigene, al of niet binnen een ruimere werkelijkheid; als de mijne maar mag zijn die van de Naakte Strijdlust Tegen Het Ontbrekende.’ Brassinga is een dwarse geest die haar aanwezigheid in dit tranendal als een komische vergissing lijkt te zien. Nooit neemt zij iets voor kennisgeving aan, nooit zal ze iets op een alledaagse manier formuleren, en hoe groot haar hunkering naar liefde ook is, nooit zal ze zich voegen naar wat de wereld van haar verwacht.
Des te opmerkelijker is het laatste stuk uit Bloeiend puin, een aan haar overleden broer Peter opgedragen overpeinzing met de titel ‘Over droefgeestigheid’. Het opent als volgt:

Hoe komt het dat ik tegenwoordig zo opgewekt ben? Of heet het luchthartigheid, dit ongekende gebrek aan tristesse? Er is geen reden voor, mijn stervensuur nadert met rasse schreden omdat zulks nu eenmaal in de natuur der dingen besloten ligt, de tijd van leven glijdt me onder de voeten door en de afgrond kan elk ogenblik gaan gapen. En toch: het is alsof droefgeestigheid en zelfs weltschmerz geen deel meer uitmaken van mijn mentale habitus.

De opgeruimdheid bevreemdt haar, omdat ze radicaal veranderd lijkt te zijn: ‘Zo kende ik mezelf nog niet, tot nu toe.’ De oorzaak van de omslag ligt in het sterven van de broer. Ineens werd Brassinga een grote transparantie gewaar: ‘ik ontviel mijzelf ’. Droefgeestigheid en melancholie verloren hun zin en betekenis:

Het zoeken naar ophelderingen en ontraadselingen is gestuit op helderheid waarvan het raadsel me te machtig is. Ik ben ontwaakt uit de droom een mens te zijn die iets van het leven maken moet, ontwaakt tot het besef dat alleen wat niet te beseffen valt – omdat het onmenselijk is als werkelijkheid – waarheid bevat waar je niet omheen kan. Zoals een steen waarheid bevat: je krijgt er nu eenmaal geen voeling mee. Zolang je dat zou willen blijf je tegenover de dingen, zit je te reikhalzen om het domein van wat je kunt denken uit te breiden, om iets te bevatten.

Voor wie het werk van Brassinga kent zijn dit onthutsende passages. Vechtlust, geestige dwarsheid en grondeloze melancholie vormen de kern van alles wat zij de afgelopen vijfentwintig jaar aan het papier heeft toevertrouwd, en nu zou ze ineens een staat van onthechte helderheid hebben bereikt? Is dit stuk wel autobiografisch? Worden we niet listig op het verkeerde been gezet? En als ze meent wat ze zegt, hoe moet het dan verder met haar schrijverschap?
De tijd zal leren hoe het antwoord op de laatste vraag gaat luiden, maar dat Brassinga altijd naar verlichting op zoek is geweest, lijkt me evident. Haar weltschmerz was nooit van het dweperige type, maar steeds gericht op een verlossing, die zich hoogst zelden aandiende, en dan nog kort en onvolledig. Momenten van geluk en helderheid zijn echter al vanaf haar eerste bundel aan te treffen, doorgaans gekoppeld aan intense natuurervaringen of muzikale vervoering. En steevast is dat geluk gekoppeld aan een overgave aan de eeuwige kringloop van leven en dood. In Aurora (1987) staat dit kleine gedicht, dat in zijn compactheid de hele kosmos bevat:

Rock ’n roll

Schitterrozen, hemelluchters –
muziek tilt ons in cirkels, krullen
van schuim tegen stilstaand
gedruis. Vogel trekt
vloed mee naar de kust: zingende
vleugelslag van zee.

Het uitspansel is het plafond van een ballroom, sterrebeelden zijn bloemen van licht, dans is een branding, de branding een dans, de cyclische structuur van de muziek en de dans neemt de dansers op in een werveling tegen de achtergrond van een eeuwige kosmische ruis, de zee wordt een zingende vogel, vogeltrek verloopt met de regelmaat van de branding. Misschien introduceert de trekvogel een element van heimwee en verlangen, misschien dreigt er aan het slot een alles overspoelende vloedgolf, maar de spil van het gedicht is toch de swingende kringloop van natuur en leven, waarvan het gedicht zelf, omdat het zingt, omdat de enjambementen het voortstuwen, onderdeel is. ‘How can we know the dancer from the dance?’, vraagt Yeats.
De taal is een organisme dat zich slechts in beperkte mate laat sturen. De cyclus ‘Woorden’ uit Landgoed (1989) laat zien wat er gebeurt wanneer de klanken het voor het zeggen hebben en in een speelse orgie de hulpeloze betekenis met zich meesleuren, hetgeen uiteindelijk toch tot in een feest van ongekende betekenissen resulteert. Een fraai voorbeeld is een gedicht dat het woord ‘klauwier’ als uitgangspunt neemt. Het is de naam van een in Nederland nog slechts zelden waargenomen roofvogeltje, dat de merkwaardige gewoonte heeft zijn prooidieren aan doornstruiken vast te spietsen. ‘Klauwier, klauwieren. / Het water spiegelt ondoordringbaar. / Is het een werkwoord, een dier?’ Woord, handeling en vogel vallen hier samen. ‘Hij scheert laag over, tenen gestrekt / voor de greep. Zijn roep is droef in elke / gedaante.’ De vogel verschijnt, en dat is een mooie observatie, als een gemaskerde clown, maar als werkwoord ‘belichaamt hij de sprong van poes naar poëzie’. Volgt de beschrijving van een duttende kat die plotseling, als door de bliksem getroffen, opspringt. ‘Het klauwiert haar’, zegt Brassinga, en ‘dat is dichtkunst in bont gevangen, in natura / geroepen tot de jacht op het woord of / het ding, in van god gegeven drift.’ Poëzie is geweld.
Dat poëzie de taal geweld kan aandoen, blijkt geregeld wanneer Brassinga haar drang tot exuberant woordspel niet in de hand lijkt te hebben. Wat dat betreft bevindt ze zich echter in het eerbiedwaardig gezelschap van James Joyce, wiens Finnegans Wake immers geheel uit woordspelingen bestaat. Bij de verschijning van de Nederlandse vertaling door Bindervoet en Henkes sprak Brassinga een lofzang op het boek uit, die zelf van woordspel aan elkaar hangt. Mocht men van mening zijn dat het experiment van Joyce in onleesbare gekte is ontaard, dan legt onze dichter uit welk heilzaam effect deze rare tekst kan hebben: ‘Ik ken geen ander geschrift dat het brein zo mousserend doet opschuimen tot de meest klaarwakkere, volledig ontkurkte, woorddronkende taalflarden en verbale erupties die zich in een van helderheid bezwijmende geest maar kunnen baanbreken of beenbraken.’ Waanzin en luciditeit blijken voor Brassinga onverbrekelijk met elkaar verbonden te zijn.
Soms leidt de neiging tot woordspel tot tamelijk flauwe teksten, zoals een gedicht uit IJsgang (2006) waarin een zanglijster aan het woord is: ‘Waarop, hee broodje, dood beeft / hoed is geel dat dalle poes / uit de ruisende gruisbek mij ogenbal sprint.’ Meestal roept Brassinga’s bewust gekunstelde taal echter een rijkdom van subtiele beelden op. Ook wie het zogenaamde ‘Joodse bruidje’ van Rembrandt nooit gezien heeft, wordt door het eraan gewijde gedicht getracteerd op een visueel spektakel:

de ruiker van haar konen
rozen, zij is het blote fruit aan mij geopend,
ruigte van het toegedane, schoon ontluiken
in hoofs genegenzijn, o vroom beschuitje,
boterschaapje, vlam van dromerig verpozen en
de roze handen, roomsoezige blankte schuilend
onder inkarnate korenschoof van ’t grootste
bruidje

Poëzie is een natuurverschijnsel dat geboren wordt uit adem, hartslag, klanken, idiomatische uitdrukkingen en flarden literatuur, en maakt deel uit van dezelfde wereld als fruitbomen, schilderijen, Parijse boulevards, Mozart en oma’s kraantjeskan. Brassinga laat zich graag inspireren door wat andere kunstenaars aan de wereld hebben toegevoegd. In Timiditeiten staat een reeks gedichten bij foto’s van Freddy Rikken; menig gedicht probeert een muzikale ervaring in taal om te zetten, en in de prozaboeken lopen beschouwingen over bewonderde literatuur vaak naadloos over in natuurbeschrijvingen of persoonlijke ontboezemingen. Gedichten zijn van woorden en zinnen gemaakt, maar hoe nieuw de taal van een gedicht ook is, zij heeft altijd een geschiedenis. Citeren en alluderen zijn bij Brassinga tot een tweede natuur geworden, waarbij er geen principieel verschil bestaat tussen een verwijzing naar Gorter en het aanhalen van merelzang, een adagio van Beethoven of het ruisen van de branding.
In IJsgang staat een virtuoos gedicht waarin de kringloop der seizoenen en de eeuwige recycling van taal en literatuur met elkaar vereenzelvigd zijn. ‘Bladzucht’, dat is het zuchten van loof in de wind, maar ook het verlangen naar een nieuwe lente en de behoefte aan blanco of bedrukt papier. Het begint met de vervorming van het middeleeuwse lied ‘Gequetst ben ic van binnen’, zodat het verlies van de bladeren ook een vorm van liefdesverdriet wordt:

Ik ben gestroopt van zinnen
ik heb raking van binnen
ik blaak van drank het godsvenijn gestookt
puur uit m’n zelvers die dwarreling waren,
drink, om grondig in te nemen
een druk gespiegel aan de tenen
waardoorheen naar vloer van rotte nis
mijn rijk ik reik –

De boom die aan het woord is bedrinkt zich aan de plas tussen zijn wortels, waarin zijn eigen bladeren liggen te gisten, maar die ook de hemel weerspiegelt. Dood is de voorwaarde voor nieuw leven, dat hier ontstaat in een narcistische roes van woordspel, waarin het sacrale samenvalt met het profane en platvloerse: venijn vindt zijn oorsprong in God, degelijkheid staat gelijk aan een grondsmaak (‘grondig’), een nis in de kathedraal die het woud vormt blijkt verderf te herbergen (‘rotte nis’), en het koninkrijk der hemelen is de projectie van een hunkering (‘mijn rijk ik reik’). In de tweede strofe, die met haar acht regels de eerste gedeeltelijk spiegelt, wordt de val, de katabasis naar het binnenste der aarde, omgekeerd tot een tocht omhoog. Dit zijn de slotregels:

diep raakzaam klautert nipsel
vanuit zwartste ondergang omhoog;
het is mijn onbedongen aard
om uitspansels weerschijn terug te vangen.

Het zuipen is een behoedzaam, maar emotioneel ingrijpend (‘raakzaam’) nippen geworden, ondergang maakt opgang mogelijk, die een streven is opnieuw een hemel te construeren. Maar is dat uitspansel iets anders dan de boomkruin zelf, waardoorheen hoogstens een stukje van de sterrenhemel valt waar te nemen?
Wat we zien is wat we zijn, een vreemd samenstel van leegte en atomen, hetgeen impliceert dat we de wereld kunnen leren kennen door in onszelf af te dalen, en onszelf door de wereld te observeren. In een schitterend opstel over Proust (in Bloeiend puin) schrijft Brassinga: ‘Dat er waarheden te vinden zijn, via het lichaam, in de geest, dat een leven, hoe anders ook dan het zijne, iets te betekenen heeft, dat heeft zijn werk me wel geleerd.’ Gedurende je leven vorm je in het onderbewuste een reservoir van zintuiglijke indrukken, gevoelens en herinneringen, die door fysiek contact met de werkelijkheid soms ineens betekenis krijgen:

Wie kunstenaar is, volgens Proust, kan dus niet anders dan elk zogeheten realisme afzweren en de dagelijkse werkelijkheid triviaal noemen, omdat het immers gaat om de herschepping van de dingen zoals ze, materiaal geworden, zijn ingegaan tot het innerlijk en daar iets voortbrengen op de wonderlijke voedingsbodem van emotie, herinnering, fysieke sensatie en die welhaast buitenaardse wetten, die een ethiek vertegenwoordigen waar op aarde, in het menselijk handelen onderling, geen plaats voor is. Het gaat om een waarheid die in het maatschappelijke niet te verwezenlijken is, een heugenis, als het ware, uit een betere wereld.

Goede poëzie is weliswaar van taal gemaakt en als zodanig een constructie van de dichter, maar het zijn vaak toevallige gebeurtenissen, sensaties, indrukken, die het creatieve proces op gang brengen. Wanneer Brassinga op een zomernacht vanuit het raam van een Rotterdams hotel een smeulende peuk op straat gooit, komt deze voor de voeten van een toevallige passant terecht. ‘Hij kijkt op, ik kijk neer – we zwaaien. Het luchtravijn is gedicht.’ Conclusie: ‘Poëzie is toeval. Poëzie is doorgeven van het vuur.’ En na een bizarre ontmoeting met een onbekende postbode merkt ze op: ‘Poëzie is het onverhoedse. Poëzie is de raadselachtige urgentie, de glimp van het bodemloze melodrama.’ Maar juist dat wat het poëtische van dergelijke momenten uitmaakt, is niet vatbaar voor taal. Geschreven poëzie behelpt zich met een gebrekkig hulpmiddel, dat de werkelijkheid nooit kan weergeven. Daarom moet een gedicht iets zijn wat er nog niet was.
Niets is moeilijker dan een muzikale ervaring te herscheppen tot een gedicht. Bij de meeste dichters levert zo’n poging pretentieus geneuzel op, maar niet bij Brassinga, die erin slaagt een trio van Haydn op te roepen door er even fijnzinnige taalmuziek naast te zetten. Dit gedicht biedt niet alleen een geslaagde evocatie van Haydns verrukkelijke melodieën, maar ook een impressie van het Ierse landschap en een kernachtig essay over, onder veel meer, sterfelijkheid en luciditeit:

Haydn in Ierland – Trio in e

Vlucht, muze die parelend zucht, in merriehalzen bijt,
vuurvliegjes stampt uit hoeven, grote terts.
De drijfjacht scharminkelt kijkdoosklein door dreven,
het bochtenwerk vergt rimpelbuisobstakelbeveiligers:
greppels brekebeense pizzicatosprongen stremmend.
Een knipselzwarte mol met roze clownsklauwtjes
als gangmaker in onderwerelds smeulend veen.
Turf grijsvlammend, wit verteerd. Zijn graven spiegelt
wohltemperiert wandelen van fuga’s door de hemel,
innig als minnekozen voor de duizend en eerste keer.
Herfstig de nadagen der verlichting. Gemiezer
bij lage zon verlangt niets dan aarde, doorgloeid
erfstuk waar je regensoep in kookt. Als verblekende
lucht zo breekbaar dat oud servies in de porseleinkast
van je hoofd: schoonste scherven na het maal.

In dit gedicht gebeurt zoveel tegelijk dat het onmogelijk is er een parafrase van te geven, gesteld dat zoiets überhaupt zinvol is bij poëzie. De vlucht en de zucht van de muze uit de aanhef worden, via het rijm, getransformeerd tot de ‘verblekende lucht’ in de slotstrofe, de ‘schoonste scherven’ uit de laatste regel corresponderen met de parels uit de eerste, het bijten in de merriehalzen bereidt de erotiek in de tweede stofe voor. Centraal staat de mol, een grijnzende komediant die ook Lucifer of Hades is. Vuurvliegjes, brandende turf, doorgloeide aarde: er is nog warmte genoeg, maar het einde is nabij. Inderdaad, poëzie is doorgeven van het vuur.

 

Copyright © 2014 Piet Gerbrandy

MINDBOOKSATH : athenaeum