Leesfragment: De Kleenex Kronieken

27 november 2015 , door Neske Beks
| | |

In samenwerking met Recensieweb.nl richten we de schijnwerpers op Nederlandse prozadebuten. Deze maand vindt u op onze site uitgebreide leesfragmenten uit de debuten van Neske Beks, Eva Kelder, Jelle Noorman, André Platteel, Nina Polak en Jaap Robben. Op 18 april verschijnt het debuut van Neske Beks, De Kleenex Kronieken. Athenaeum.nl publiceert voor.

'Haar ogen doorboren mijn vel. Het is de blik die ik al jaren ken, al jaren voel. Een mengeling van oprechte nieuwsgierigheid, verbazing en afgrijzen. Het is een blik die alles te maken heeft met de bruine kleur van mijn vel, wat niet wil zeggen dat de blikkenwerper in kwestie zich daarvan bewust is.'

Priscilla Peeters, dochter van een Vlaamse vader en een Senegalese moeder die vlak na haar geboorte overleed, groeit op in de benauwende atmosfeer van het Belgische Mortsel Den Oude God. Midden in het dorp ligt een ingestorte brug als een open wond, een stille getuige van het friendly fire dat er op 5 april 1943 plaatsvond.
Niet ver van die brug woont Priscilla.

De Kleenex Kronieken is een met humor geschreven familie- en dorpskroniek.

Ergens onderweg in het leven had ik besloten dat mijn zwart-witte deux-pièces met krullerige ornamenten op de mouwen en boorden, het ideale sollicitatiepakje was. Maar dat ik er echt in geloofde, kan ik, als ik volkomen eerlijk ben tegenover mezelf, niet meer au sérieux nemen.

De bierfabriek ligt op de weg voorbij Den Oude God. In mijn pakje, van top tot teen afgeborsteld, neem ik de bus naar het industrieterrein waar mijn toekomst, zoals die van de meesten van mijn dorpsgenoten, verankerd ligt.
Twee tassen aan mijn schouder. Een kleine voor de portefeuille, lippenstift, Kleenex en andere accessoires die een jongedame van goede komaf zoal in haar handtas heeft. Een grote voor de nodige diploma’s en paperassen die een jongedame van goede komaf met sollicitatieaspiraties en andere hogere doelen in het leven zoal op zak heeft. Net echt, behalve de goede komaf dan. En misschien zouden mijn handtassen door een geoefend oog meteen herkend worden als soldekes van de C&A. Soit...

De buschauffeur geeft me mijn wisselgeld terug en weet zijn rochelende hoestbui net niet te onderdrukken.
‘Santé, meneer.’ Vijf natte franken in mijn handpalm.
De papieren zakdoekjes komen meteen van pas. De bomma zegt dat een jonge juffrouw altijd papieren zakdoekjes bij zich moet hebben. ‘Ge weet maar nooit waar ’t goed voor kan zijn.’
Ik bied de buschauffeur er een aan. Een ongemakkelijk gebaar uit beleefdheid en hij weigert resoluut. Goed opgevoed zijn kan gênant zijn.
Ik heb mijn handen in ieder geval nog niet goed en wel drooggeveegd of de chauffeur geeft blijk van grote ambities door zijn vehikel zo’n flinke gasstoot te geven dat ik het hele gangpad door vlieg en recht op de schoot van een dikke madam met een pak koeken terechtkom.
‘Sorry, Madam.’ Beteuterd kijkt ze naar haar verbrijzelde koeken.
‘’t Is nikske,’ liegt ze.
Ook haar reik ik een papieren zakdoekje aan.
Ik heb het mens wel vaker gezien. Toussaint had me verteld dat ze een boodschapper was tussen Leven en Dood. Meestal geloofde ik Toussaint op zijn woord, maar in dit geval achtte ik het ongeloofwaardig dat God of wie dan ook daarboven een dikke madam met koeken op ons zou afsturen als het op spirituele boodschappen aankwam.
Even twijfel ik, maar voor alle zekerheid ga ik toch maar twee banken achter haar zitten. Het bord dat de grens van Kontich aangeeft, glijdt langs mijn raampje. Waarom schrijf je Kontich met ch en niet gewoon met g? Klinkt zachter vind ik: kontig. Mijn eigen kont ploft neer op de kunstleren zetel achter de Madam. Tempo, denk ik, terwijl ik naar het blauwe cellofaan van mijn papieren zakdoekjes staar. Wat onze dorpsethiek betreft, heb ik een zonde begaan. Ik heb Tempo gekocht in plaats van Kleenex. Een daad van verzet.
Tempo, of ik kom te laat. Het is 9 uur 52 op mijn kwartshorloge en ik heb een afspraak om tien uur. Die vaststelling activeert mijn okselzweet. De Dikke Madam zet het cellofaantje van de koek tegen haar lippen en giet de kruimels in haar bakkes. Ik hoef dit niet te zien, denk ik. Maar ik kijk toch. Sterker nog: ik staar zonder enige gêne.
Ondertussen verglijdt de tijd naar 9 uur 54 en worden de okselnaden van mijn zwart-witte deux-pièces met iedere seconde vochtiger, zompiger, en de Dikke Madam doet zich in alle rust te goed aan het laatste restje kruimels. Ik zie hoe haar dikke tong langs het cellofaan heen en weer glijdt. Mijn ogen lijken in te zoomen op de kruimels en de roze puntjes van haar tong, die een smeuïge symbiose aangaan van vleselijkheid en volkoren graan. Ik hoef dit niet te zien, denk ik weer. Maar het lukt me niet mijn blik los te maken. Haar tong. Haar huigje. Haar kunstgebit.
Ons bomma had net zo’n gebit gekregen. Overdag was het te groot voor de ronding van het tandvlees van haar bovenkaak, waardoor het voortdurend probeerde een eigen leven te leiden, en was ze er vooral druk mee het ding in haar mond te houden. ’s Avonds rustte het in hetzelfde glas waarin ze me ’s ochtends versgeperste jus voorzette. Ik heb weleens gevraagd of het ook mo- gelijk zou zijn die jus in een ander glas geserveerd te krijgen. Maar ons bomma zwoer bij Dreft.

Halte Molenlei.
De bus stopt en de Dikke Madam haast zich waggelend naar de deur. Voor ze uitstapt kan ze het niet laten zich nog even naar me om te draaien. Haar bovenlip schuift naar boven en ontbloot haar hoekige tandjes. Ze lijkt een pekinees die naar me lacht, hoewel het moment net te kort is om te kunnen zeggen of het hier een glimlach of een bedreiging betreft. De deuren sluiten zich achter haar en omdat het mens nogal kort van stuk is, wordt ze meteen aan mijn oog onttrokken.
De bus rijdt verder en de protserige villa’s van Den Oude God glijden voorbij. De aanblik is me ondertussen zo vertrouwd dat hun wanstaltige schoonheid niet eens meer tot me doordringt. Alleen het beeld van de grijnzende vrouw blijft op mijn netvlies plakken.

Halte Brouwerij.
Als ik er flink de pas in zet lukt het me waarschijnlijk om één of twee minuten over tien aan te komen.

‘Uw afspraak van tien uur is gearriveerd, meneer,’ blaast de vrouw achter de onthaalbalie in de zwarte bakelieten telefoonhoorn. Op het gedeelte van de hoorn waar ze in spreekt glimmen vettige condensvlekken rondom de gaatjes. Ik denk aan de bacteriën die zich daar verschuilen. Een miljoenenleger van nare, kleine beestjes.
‘Meneer Liekens komt u zo halen, mejuffrouw.’ Het is drie over tien. Ik heb het min of meer gered en hier sta ik dan tegenover een vrouw die haar lippen nog leverroze durft te kleuren. Alsof dat nog niet genoeg zegt over haar gebrek aan gevoel voor mode, stel ik vast dat ze haar wangen tot pal boven haar jukbeenderen met dieprode blush heeft ingewreven.
Haar ogen doorboren mijn vel. Het is de blik die ik al jaren ken, al jaren voel. Een mengeling van oprechte nieuwsgierigheid, verbazing en afgrijzen. Het is een blik die alles te maken heeft met de bruine kleur van mijn vel, wat niet wil zeggen dat de blikkenwerper in kwestie zich daarvan bewust is. Als een moment later haar blik taxerend van mijn bovenlichaam naar mijn benen glijdt, weet ik dat ze net ontdekt heeft dat ik niet alleen een negerin ben, maar ook nog eens een negerin met niet bijster onaantrekkelijke benen.
Dat zou weleens bedreigend kunnen zijn.
Ik knik vriendelijk.

Meneer Liekens kijkt op een totaal andere manier naar me. Ik kijk ook op een totaal andere manier naar meneer Liekens. Meneer Liekens praat, maar zijn woorden dringen niet werkelijk tot mij door. Ze blijven hangen in een universum dat zijn wereld van de mijne scheidt. Ik kan hem niet horen. Ik kan meneer Liekens alleen maar zien, en dat heeft zo zijn nadelen.
Sommige mannen hebben zulk een dikke kont dat ik het niet kan nalaten er heel lang naar te staren, terwijl ik mij probeer voor te stellen hoe zo’n dikke kont er bloot uitziet. Dan zie ik voor me hoe deze man wellicht vanochtend in de vroegte zijn megakont in zijn micro- ruitjespantalon heeft gehesen, waarna hij zijn tas koffie drinkt, waarna hij kakdrang voelt. Dan zie ik voor me hoe hij zijn kont weer uit de pantalon wringt om het vlezige monster vervolgens op een wc-bril neer te planten, alwaar hij – Ik hoef hier niet aan te denken.
‘Het komt er eigenlijk feitelijk op neer dat onze klanten komen proeven, hier in ons degustatielokaal en dat u dan – mits u de vacante functie aangeboden zou krijgen natuurlijk – de pintjes tapt en hier en daar een babbeltje doet.’
Mijn diploma Onthaal en Publieke Relaties ligt pontificaal in het midden van het bureaublad van de man verwachtingsvol te glimmen in het plastic beschermkaftje.
Ik glim waarschijnlijk heel wat minder.
‘François Liekens’ staat in krulletters gegraveerd in het namaakgouden bordje dat op de rand van zijn bureau staat.
Liekens. Er zat vroeger een Liekens bij me in de klas. We zongen: Anneke Liekens, soep van kiekens, soep van vet, drie patatten op één vorket.
‘Vandaar eigenlijk feitelijk dus…’ Meneer Liekens spuugt zijn erbarmelijke zinnen naar me zonder me een moment aan te kijken. Sterker nog: hij heeft de godganse tijd zijn rug naar me toegekeerd. Ik ben meteen weer dankbaar voor mijn opvoeding. Zoiets zou ik nooit durven, zoiets zou ik nooit doen. Maar dat hij het wel doet, is nu alleen maar in mijn voordeel. Zijn aangezicht zou me toch weer op rare gedachten brengen.
‘...dat de representatieve kant van de functie zo’n enorme prioriteit geniet. Feitelijk komt dat erop neer dat wij het eigenlijk van groot belang achten dat onze meisjes proper gekleed zijn. Schoon gekleed zijn. Chic.’ De dikke kont draait een halve slag en het zo goed als kale achterhoofd wordt verruild voor een glimlachend vollemaansgezicht waarvan de kleur van de neus laat vermoeden dat de eigenaar regelmatig grote hoeveelheden alcohol tot zich neemt.
‘Feitelijk spreekt gij eigenlijk wel goed Nederlands voor een negerinneke, hè.’
Woorden als ‘feitelijk’ en ‘eigenlijk’ horen niet samen in een grammaticaal goed opgebouwde zin, denk ik. Maar ik zeg het niet, en glimlach.
Altijd blijven glimlachen heb ik geleerd op de opleiding Onthaal en Publieke Relaties, maar ik heb dat nooit echt hoeven leren, want glimlachen deed ik heel mijn leven al.
Liekens neemt mijn zwart-witte deux-pièces tevreden in zich op, en kijkt me zo enthousiast glimlachend aan, dat ik voor alle zekerheid de rok met de krullerige ornamenten subtiel naar beneden manoeuvreer. Geen bloot vlees in het bijzijn van deze man. ‘Soit...’ zou ons bomma zeggen, ‘ge moet natuurlijk ergens beginnen...’ Bonk. Meneer Liekens zet een enorme pint voor mijn neus neer. Op het glas staat ‘Alken Maes’ geschreven. Dat is een toverwoord in Den Oude God, want met Alken Maes gaan alle deuren open.
‘Hoe was het ook alweer?’ vraagt hij, terwijl hij mijn diploma naar zich toe trekt. ‘Ah, Priscilla. Gelijk de vrouw van Elvis natuurlijk!’ Zijn ogen proberen enige verwantschap met het jarenzeventigicoon te bespeuren.
Zonder resultaat.
Een lichte kotsbehoefte dringt zich op. Hoe vaak ik dit al niet heb aangezien. De verheugde sterretjes die in ogen verschijnen bij de herinnering aan Priscilla Presley met de daaropvolgende niet te verhullen teleurstelling dat ik niet lelieblank en blondgelokt ben, zoals Priscilla in haar Dallas-periode, maar koffiebruin met kroeshaar.
‘En skol, hè, Priscilla!’ proost meneer Liekens terwijl hij al zijn gele tanden bloot lacht om vervolgens de pint in één keer in zijn strottenhoofd te gieten. Bonk. Meneer Liekens zet het glas weer met een smak neer op het glazen bureaublad. Ik vind bier de smerigste alcoholische drank die een mens drinken kan, maar ben niet van zins dat hier te laten blijken.
‘Ad fundum!’ lach ik groentjes.
‘Ah, ge hebt er nog verstand van ook,’ zegt het padderige monster en bulderend galmt zijn gelach door de ruimte.
Verwachtingsvol kijkt meneer Liekens me aan. Ik vraag me af of ik hem vragen kan hoeveel zo’n job nou eigenlijk opbrengt. Kán ik dat wel vragen eigenlijk? Of staat dat ondankbaar? Hebberig misschien?
‘Allez komaan, laat ’s zien hoeveel verstand ge d’r eigenlijk feitelijk van hebt!’
Het vermoeden dat het hier gaat om een veredelde animeermeisjesbaan doorkruist alle ambities in mijn grote C&A-handtas en boort mijn hoop op een droomjob in de promotiewereld meteen de grond in.
Ik zet het glas aan mijn lippen en slik.
Mijn kwartshorloge zweeft schuin links voor me en vertelt me dat het tien voor elf is.
Ik slik.
Ik slik. En slik, en slik...
Een slokje voor de bomma, een slokje voor de papa, en een slokje voor Billie en Dédé die boven in den hemel zijn.
Ik slik nog een keer, het glas raakt leeg, ik ben er bijna. Meneer Liekens’ gezicht straalt als de ochtendzon boven Den Oude God en ik weet dat ik nu echt binnen ben.
Nog een slokje voor Toussaint, nee geen slokje voor Toussaint. Nog een slokje voor de bomma, opdat de dood nog wachten zal, en nog een laatste slokje voor mijn moeder die al lang en breed boven in de hemel is. Als ik uiteindelijk het glas met een grote plof op het bureaublad neerzet, weet ik, voel ik dat ik de job gekregen heb en dat er hier op dit moment en op deze plek nog te kiezen valt.
‘Proficiat mejuffer, hoe was het ook weer?’ Hij gluurt tersluiks naar mijn diploma.
‘Ik denk dat ons Brouwerij eigenlijk feitelijk er een heel goede zet mee doet u hier in dienst te nemen. Wat zeg ik? Ik ben er verdomme zeker van.’
Ik sta op en voel de duizeligheid mij overvallen. Ik wankel, maar daar is mijn redder in de persoon van Liekens die mij opvangt voor ik val. Goedkope aftershave slaat zich als een sjaal om mijn nekspieren en beelden van honderden dikke konten op wc-brillen dringen zich in lange rijen aan me op.
‘Vriendelijk bedankt, meneer Liekens, maar ik geloof eigenlijk feitelijk dat ik er toch liever van afzie. Bij deze,’ stotter ik nog. Waarna ik mijn twee handtassen grijp en met flinke vaart zijn kantoor verlaat. De gang door, voorbij de balie waar de blikkenwerpster me met opgetrokken wenkbrauwen gadeslaat.
Als de frisse buitenlucht me koud in het gezicht slaat, breek ik. En rest alleen een warme stroom die spatten op mijn schoenen maakt.
Al wat ik ingeslikt heb, wordt er in één grote geut uitgekotst. Papieren zakdoekjes. Waar zijn mijn papieren zakdoekjes als ik ze werkelijk nodig heb?
Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe François Liekens me van achter zijn vensterraam meewarig nakijkt.
Als een gevaarte dat ik ternauwernood heb weten te ontwijken, staat hij daar. Op veilige afstand, maar wat mij betreft nog iets te dichtbij. Ik steek mijn hand op en produceer een soort glimlach.
Goede opvoeding komt altijd van pas.

 

© 2014 Neske Beks
Auteursportret © Robert Land

Uitgeverij De Harmonie

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum