Leesfragment: De lieve vrede

27 november 2015 , door Geertje Kindermans
| |

In samenwerking met Recensieweb.nl richten we de schijnwerpers op Nederlandse prozadebuten. In juli en augustus vindt u op onze site uitgebreide leesfragmenten uit de debuten van Frank Gunning, Fieke Gosselaar, Ru de Groen en Geertje Kindermans.

21 augustus verschijnt Geertje Kindermans, De lieve vrede. Wij publiceren voor: ‘Ze zeggen wel dat als je een probleem hebt de oplossing zich vanzelf aandient, maar daar geloof ik niet in. Voor hetzelfde geld sta je op zo’n moment aan het begin van een periode vol ellende. Maar in dit geval kwam de oplossing wel uit de hemel vallen. Of om precies te zijn: hij kwam uit een plantsoentje. “Ik kan anders best een kamer gebruiken.” Arie zat op een bankje aan de rand van een stadsparkje met een hijgende hond aan zijn voeten. Hij had me in mezelf horen praten en knikte gretig.’

Op een dag komt Vieze Arie op bezoek bij Lotte. Hij gaat zitten, blijft de hele dag en ook na het eten vertrekt hij niet. De dagen daarna evenmin. Eigenlijk is Lotte zich er niet eens van bewust dat ze hem kende, maar Vieze Arie neemt alles wat hij krijgen kan, en Lotte kan geen nee zeggen. Zo dringt hij steeds dieper haar leven binnen. Lotte begint zich te realiseren dat haar hele leven een opeenvolging is van dingen die haar leven binnendringen zonder dat ze er iets tegen lijkt te kunnen doen.

De lieve vrede is het verhaal over de strijd om een eigen leven op te bouwen. Een leven vrij van Arie, maar ook vrij van de besluiteloosheid waarin Lotte leeft, van haar achtergrond en van haar moeder.

Geertje Kindermans is psycholoog en journalist en verbonden aan De Psycholoog, tijdschrift van de beroepsvereniging. Ze rondde de Schrijversvakschool Amsterdam af. Ze blogt en twittert onder het pseudoniem Flopke.

 

1

Vieze Arie kwam zo geleidelijk in mijn leven als de muren van mijn kamer geel werden. Lange tijd heb je het niet in de gaten of denk je dat het de lichtval is, maar op een dag is het onherroepelijk en weet je: zo kan het niet langer, hier zou je eigenlijk iets aan moeten doen.
Ik geloof dat we bij elkaar op school zaten, maar zeker weet ik dat niet. Ik kende hem in ieder geval van gezicht en wist hoe ze hem noemden.
Later zag ik hem in de Batterij. Ik stond aan het ene uiteinde van de bar, hij aan het andere en hij zwaaide enthousiast. Ik wist eigenlijk niet eens zeker of het naar mij was, maar ik wuifde terug. Dat je bij Arie over zoiets onzeker kon blijven, kwam waarschijnlijk omdat je niet precies wist waar hij naar keek.
Ons eerste gesprek voerden we in het jongerencentrum, Oblomov. Het was op een concert van D.A.F. Hoewel… een gesprek kun je het amper noemen, het was meer dat we een tijdje tegenover elkaar stonden, hij bewoog zijn mond, ik gebaarde wat terug, tot ik uiteindelijk in zijn oor schreeuwde dat ik hem niet kon verstaan in die herrie; we stonden pal voor de boxen. Joviaal stak ik mijn hand in de lucht en keerde me naar het podium. Alsof dat het teken was, werd de achtergrondmuziek uitgezet en verschenen de mannen van D.A.F. op het toneel. We schoven met zijn allen dichter naar het podium. Als een ambtenaar aan het begin van zijn werkdag ging Görl achter zijn apparatuur staan, boog zich over de knoppen en zette ‘Der Mussolini’ in. Daarop begon Gabi als een robot te dansen. Ook wij deden wat er van ons verwacht werd: we veranderden in een springende, joelende massa, de sfeer zat er meteen in.
Op het concert heb ik Arie verder niet meer gezien. Ik ontmoette hem pas een paar maanden later weer, op een feest in een kraakpand. Het was een goed feest. Opeens zag ik hem staan.
‘Hé, jij hier,’ zei ik.
‘Jaaa,’ giechelde hij.
Vieze Arie had zo’n brede grijns op zijn gezicht, of hij het leven een grote grap vond. Misschien nam hij iedere ochtend bij het ontbijt een puntje spacecake, of anders was hij het type dat geen wiet nodig had om stoned te zijn. Hij giechelde in ieder geval om nagenoeg alles.
‘Goh,’ zei ik en knikte.
Op dat moment zag ik Gerjanne en snel nam ik afscheid. Eigenlijk wilde ik liever niet met Arie gezien worden. Op een of andere manier kleefde er iets aan hem. Niet dat hij dik was, maar hij had een spekkige huid. Hij was niet gebruind, maar eerder smoezelig, zonder vuil te zijn. En zijn haar was niet vet, maar ook weer niet schoon. Mogelijk kreeg het vuil geen grip op hem, net zomin als wij dat kregen. Misschien dat we daarom als vanzelf afstand hielden.
Arie woonde ergens in de stad. Op een dag liep ik te tobben over een prachtige kamer, zo eentje waarvan je normaal gesproken alleen kunt dromen. Het ging om de woonkamer van een achttiende-eeuws pand, met een geornamenteerd plafond en een eigen balkon. Het ongelofelijke was dat ik die ruimte kon krijgen, maar dan moest ik wel meteen ja zeggen, want de vorige bewoner was plotseling vertrokken. Niemand had het zien aankomen, hoewel hij zijn vertrek indirect had aangekondigd door de afgelopen maanden zijn huur niet te betalen. Die nacht hadden zijn huisgenoten wat gerommel gehoord en de volgende dag stond de kamer leeg. Daarom werd zo snel mogelijk een nieuwe bewoner gezocht.
Ik wilde wel, heel graag zelfs, en ik was al gekeurd maar ik woonde ook nog ergens anders. Aangezien ik geen geld had om voor twee kamers huur te betalen, liep ik over straat en vroeg me hardop af hoe ik zo snel mogelijk aan een huurder voor mijn oude kamer kon komen.
Ze zeggen wel dat als je een probleem hebt de oplossing zich vanzelf aandient, maar daar geloof ik niet in. Voor hetzelfde geld sta je op zo’n moment aan het begin van een periode vol ellende. Maar in dit geval kwam de oplossing wel uit de hemel vallen. Of om precies te zijn: hij kwam uit een plantsoentje.
‘Ik kan anders best een kamer gebruiken.’
Arie zat op een bankje aan de rand van een stadsparkje met een hijgende hond aan zijn voeten. Hij had me in mezelf horen praten en knikte gretig.
‘Bedoel je…’ zei ik. ‘Je wilt mijn kamer?’
‘Jaja,’ zei Arie en schoof onrustig op het bankje heen en weer.
‘Morgen, bedoel ik? Letterlijk morgen?’
Arie bleef doorknikken en wreef in zijn handen. Hij had er zin in.
Ik gaf hem mijn adres en verplaatste mijn gewicht van mijn ene been naar mijn andere en weer terug, alsof ik niet wist wat me nu te doen stond. Maar dat wist ik wel. Ik hoefde niet door te lopen naar de stad om op een terrasje mijn gedachten te ordenen en te zoeken naar een oplossing die er toch niet was. Niks terrasje, ik kon me nu omdraaien en naar huis gaan. Ik had het opeens razend druk.
‘Tof,’ zei Arie.
Hij hoefde de kamer niet te zien, die was vast in orde, hij kwam morgen wel langs om de sleutel op te halen als ik er eentje kon missen.
Ik pakte zijn hand en voelde een diepe dankbaarheid, die overging in een gevoel van warme vriendschap. Daar leek het tenminste op, maar het kon onmogelijk komen door die jongen op dat bankje, met dat vettige lange haar en die te warme jas, die daar zo’n beetje zat te grinniken. Toch bleef ik zijn hand vasthouden.
‘Echt tof, Arie. Echt,’ zei ik. ‘Zie je morgenochtend om half tien.’
Half tien, ik riep maar wat, ik stond nooit vroeg op. Maar de volgende ochtend hield ik me aan mijn eigen afspraak en ook Arie had het letterlijk genomen, stipt om half tien belde hij aan. Grinnikend liep hij door het huis en nam de sleutel in ontvangst. En zo stond ik al vroeg de muren van mijn nieuwe kamer te witten. Nog dezelfde week verhuisde ik.
Ook Arie bleek voortvarender dan hij eruitzag. Toen ik een dag later mijn laatste spullen kwam ophalen, was hij al in mijn kamer getrokken. Hij had het er reuze druk mee. Om niet te achterhalen redenen had hij zijn matras en kleren op het gemeenschappelijke balkon gegooid, waarna het flink was gaan regenen. Hij had de boel naar binnen gehaald en had het matras op de overloop met een föhn proberen te drogen. Met zo’n kleine haarföhn ging dat niet snel. Daarom had hij het ding tegen het matras aan gezet, dan kon hij ondertussen iets anders gaan doen en zo was er een gat in het matras gebrand, hij wees er giechelend naar. Ondertussen was hij bezig te veel kleren in de centrifuge te proppen, een apparaat dat nog van mijn oma was geweest en dat ik wilde ophalen. Het was er een die het overtollige water uit de kleren zwiert, dat via een opening onderaan in een opvangbakje stroomt.
Hij schakelde het in. Behalve dat hij het opvangbakje er niet onder zette, begon het ding bonkend te grommen.
‘Hij zit te vol,’ zei ik.
‘Zo gaat het wel,’ zei hij.
Hij probeerde de machine in bedwang te houden en keek naar het stroompje dat aarzelend uit de opening onder aan de trommel op de grond begon te lopen. Ik greep naar het bakje dat in de douchecabine stond, maar dat was niet meer nodig. Met een knal viel het apparaat stil. Vol interesse boog Arie zich eroverheen. Ik bleef even staan met het opvangbakje in mijn hand, maar aangezien Arie volledig in de machine opging – hij trok aan het snoer en begon haar van alle kanten te bekloppen – zette ik het weer terug waar ik het gevonden had en trok de deur achter me dicht.
Ik ben best een twijfelaar, maar soms is het ook voor mij duidelijk dat ik niets meer kan toevoegen.

2

Na die verhuizing zag ik Arie lange tijd niet meer, niet op straat, niet in het café, niet in het winkelcentrum. Zelden kwam ik nog langs mijn oude huis, maar als ik erlangs liep, waren de gordijnen gesloten. Het was alsof hij van de aardbodem was verdwenen. Het werd zomer, herfst en winter en aan het eind van die winter belde hij aan.
Ik wist niet eens dat ik hem mijn adres had gegeven, maar hij stond er, met de hond naast zich. Het beest zat onder de modder en er kwam een raar piepgeluid uit zijn borstkas. Vergeleken bij de hond zag Arie er patent uit. En hij keek er vrolijk bij.
‘Hallooo,’ zei hij en zwaaide.
‘Dag,’ zei ik.
Achteraf heb ik me nog vaak afgevraagd hoe het gebeurde, maar waarschijnlijk stonden we zwijgend tegenover elkaar; ik in de hal onder aan de trap, hij buiten op de stoep. Dat begon steeds vreemder te voelen en daarom deed ik wat me onvermijdelijk leek, ik zette een stap opzij.
‘Kom binnen,’ zei ik.

Arie was op mijn stoel geploft, ik ging in de schommelstoel zitten. De hond, die aan Aries voeten lag, produceerde een piep op het ritme van zijn ademhaling.
‘Wat is dat gepiep?’ vroeg ik.
We waren eerlijk gezegd nogal stil.
Arie pakte de rol koekjes die ik naast hem had gelegd en maakte die open. ‘Zijn hart,’ zei hij. ‘Daar zit een gaatje. Tenminste, vlak ernaast zit een gaatje.’ Hij haalde een koekje uit de rol en gooide het naar de hond, die het onmiddellijk opschrokte, waarbij het gepiep overging in gefluit.
‘Dat klinkt ernstig,’ zei ik.
Arie grinnikte en ging verder met de rol koekjes. ‘Uiteindelijk is het dodelijk, maar het kan nog wel even duren.’ Hij gooide nog een koekje naar de hond, die het opschrokte en Arie meteen weer smekend aankeek.
‘Misschien moet hij dan juist wel gezond eten,’ zei ik.
Arie haalde zijn schouders op en begon weer een koekje uit de verpakking te peuteren.
‘En je moet ze trouwens ook niet allemaal aan hem geven,’ zei ik harder. ‘Het zijn mensenkoekjes.’
Verschrikt bestudeerde Arie het pak en daarna keek hij naar mij.
Zo luchtig mogelijk liet ik erop volgen: ‘Ik wil ook nog, bedoel ik.’
Arie grijnsde en peuterde geduldig verder. Toen hij weer een koekje te pakken had, gaf hij het met een gul gebaar aan mij.
Hij had rouwranden onder zijn nagels. Letterlijk al zijn nagels waren zwart, alsof hij daar zorgvuldig in was geweest.
Hij boog zich weer over de rol. ‘Maar eh… hoe heet het…’ begon hij. Geconcentreerd prutste hij door. Lange tijd bleef het stil, ik dacht dat hij was vergeten dat hij iets wilde zeggen, maar opeens ging hij verder. ‘Ik heb een oproep gekregen.’ En met een vette grijns: ‘Jij ook? Heb jij een oproep gekregen?’
‘Een oproep?’ vroeg ik. ‘Nee, waarvoor?’ Ik legde het koekje naast me neer.
‘Van de sociale dienst.’
Ik had geen speciale brieven van de dienst ontvangen, het was juist lekker rustig geweest de afgelopen tijd.
‘Dat je moet komen, omdat je niet gesolliciteerd hebt?’
Van mij mocht hij inmiddels alle koekjes hebben, ik hoefde ze niet meer.
‘Ik moet langskomen,’ zei hij. ‘Om over mijn sollicitatie-inspanningen te praten. En ik moet mijn afwijzingsbrieven meenemen.’
De grijns was van zijn gezicht verdwenen. Hij had geen brieven geschreven en ook geen andere sollicitatie-inspanningen gedaan waarover hij de dienst kon inlichten.
We werden allemaal weleens opgeroepen en als je helemaal geen afwijzingen had waren er een paar mogelijkheden, waarvan De Mol de snelste was. De Mol was een boekhandel en de eigenaar, die De Mol heette, was een aardige kerel. Het was algemeen bekend dat je daar terechtkon als je acuut in de problemen zat. Een half jaar eerder was ik er langsgegaan. De Mol zat achter zijn bureautje een van zijn eigen boeken te lezen, hij sloeg het nauwelijks open, zodat de rug niet knakte en hij het later weer in de winkel kon terugzetten. Toen ik hem vertelde dat ik de sociale dienst mijn afwijzingen moest laten zien, legde hij onmiddellijk zijn boek opzij, pakte een vel officieel De Mol-briefpapier en schreef dat hij me bedankte voor de getoonde interesse in zijn winkel, maar dat hij op dit moment geen functie voor me had.
Ik wist niet of Arie weleens een boek kocht, maar de boekhandelaar was erg links en gul met zijn afwijzingen.
‘Ben je al naar De Mol geweest?’
Arie knikte.
‘Hij zei dat het op een gegeven moment niet meer zo geloofwaardig is. Dat ik het ook eens ergens anders moet proberen.’ Na een korte stilte vroeg hij: ‘En weet je wat het is?’ Nu had hij een koekje te pakken, dat hij bezorgd zelf begon op te eten. ‘Die afspraak bij de dienst was al geweest. Dus toen ik belde om dat te zeggen…’ Hij nam weer een hap en kauwde er lang op. ‘Die afspraak had ik dus niet mogen vergeten, zeiden ze. Maar dat was het niet, ik was hem niet vergeten, ik wist niet dat ik hem had. Omdat ik mijn post dus niet openmaak.’ Hij legde uit hoe pinnig de vrouw aan de telefoon was geweest, hij had daar helemaal niets van begrepen.
Nu mocht ik die mensen van de sociale dienst ook niet. Ze gingen er wel heel erg van uit dat je de hele dag niets anders deed dan achter je bureau sollicitatiebrieven te zitten schrijven. Maar als je een paar van zulke brieven de deur hebt uit gedaan en je krijgt per omgaande alleen maar afwijzingen, dan gaat de lol er wel een beetje van af. Er was gewoon geen werk, dat wisten ze bij de sociale dienst natuurlijk best. Het waren absoluut niet mijn vrienden, maar Arie was weer het andere uiterste. Hij legde omstandig uit dat hij niet snapte wat die mensen van hem moesten. Hoe konden ze denken dat hij al die brieven las die ze hem stuurden? Hij mocht toch zeker zelf wel uitmaken wat hij las? Zijn hoofd was toch niet van hen? En of hij in zijn eigen huis zijn post openmaakte ging hen geen fluit aan. Ze hadden zelfs niets te maken met de diploma’s die hij had gehaald.
Nou viel er wat dat betreft niet veel te weten: Arie had geen diploma’s, maar dan ook echt helemaal niks.
Hij vond in ieder geval dat ze niet zo moesten zeuren, ze konden gewoon zijn uitkering overmaken, dat geld hoefden ze heus niet uit eigen zak te betalen.
Ondertussen was het zeven uur geworden, ik begon honger te krijgen en Arie zag er niet uit of hij vanzelf zou vertrekken, dus ik gaf een hint.
‘Ik denk dat ik zo maar eens ga koken,’ zei ik.
Arie knikte afwezig.
‘Jij zult toch ook nog moeten eten.’
Weer knikte Arie en toen was het stil.
‘Dan ga ik naar de keuken,’ zei ik.
Arie keek me aan.
‘Eet je mee?’
Het was eruit voor ik er erg in had.
Arie schoot rechtop en hij knikte levendig. Als iemand zo intens blij is, lijkt het of dat met een vonkje op je overspringt, mijn kruin tintelde ervan. Even was hij zijn zorgen over de sociale dienst vergeten en dat kwam door mij.

[...]

 

© Geertje Kindermans 2014

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum