Leesfragment: De oorsprong van onze politiek 2. Orde en verval

27 november 2015 , door Francis Fukuyama
| | |

De nieuwe Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek 2. Orde en verval (Political Order and Political Decay: From the Industrial Revolution to the Globalisation of Democracy, vertaald door Robert Vernooy), verschijnt 11 december. Wij publiceren voor. ‘Landen waar de democratie voorafging aan de staatsvorming hebben veel grotere problemen gehad met het realiseren van goed bestuur dan de landen die een moderne staat hebben geerfd uit de tijd van het absolutisme. Staatsvorming na de komst van de democratie is wel mogelijk, maar vereist dikwijls de mobilisatie van nieuwe sociale actoren en krachtig politiek leiderschap. Dit was het verhaal van de Verenigde Staten.’

Het eerste deel van De oorsprong van onze politiek werd drie jaar geleden met groot enthousiasme ontvangen: ‘Gezaghebbend, getuigend van een indrukwekkende visie, een levenswerk laat deel twee maar komen,’ schreven de kranten, van de Volkskrant tot en met The Washington Post. Inmiddels is het zo ver. Het tweede deel, Orde en verval, gaat verder waar het eerste ophield: bij de Franse Revolutie.

Fukuyama laat zien hoe sterke, onafhankelijke politieke instituties ontstonden en hoe belangrijk het is dat die ter verantwoording geroepen worden. Hij schrijft over de gevolgen van corruptie en over de manieren waarop die te bestrijden valt; over de erfenis van kolonialepolitiek in Latijns-Amerika, Afrika en Azië, en hij probeert uit te leggen waarom staten mislukken.

Van de zo noodlottig afgelopen Arabische lente tot de gridlock in de Amerikaanse politiek: de democratie heeft het moeilijk. Een goed functionerende staat komt niet zonder moeite tot stand: De oorsprong van onze politiek 2 laat op overtuigende wijze zien, met oog voor detail maar zonder de grote lijn ooit uit het oog te verliezen, wat de sleutels voor succes zijn.

N.B. Voor ons besprak ook Misha Velthuis deel één van De oorsprong van onze politiek. Lees zijn recensie op Athenaeum.nl.

 

Na de Revolutie: de opzet van dit boek

In Boek 1 werd de opkomst van de staat, de rechtsorde en democratische verantwoording getraceerd tot aan de Amerikaanse en de Franse revoluties. Deze revoluties markeerden het moment waarop alle drie de instellingen – wat wij de liberale democratie noemen – wel ergens in de wereld tot stand waren gekomen. In dit deel zal de dynamiek van hun onderlinge wisselwerking getraceerd worden tot aan het begin van de eenentwintigste eeuw.
Het raakvlak tussen de twee boeken staat ook voor het begin van een derde revolutie die nog grotere gevolgen had: de Industriële Revolutie. De lange continuïteiten zoals die in het eerste deel zijn beschreven, lijken te suggereren dat samenlevingen verstrikt zijn in hun historische verleden, waardoor hun keuzen voor toekomstige vormen van politieke orde beperkt zijn. Dit was een onjuiste interpretatie van het evolutionaire verhaal dat in dat deel werd verteld, maar impliciet historisch determinisme gaat nog minder op als de industrialisatie eenmaal op gang komt. De politieke aspecten van ontwikkeling zijn op complexe manieren nauw gerelateerd aan de economische, sociale en conceptuele dimensies. Deze relaties zullen het onderwerp van het volgende hoofdstuk zijn.
In die samenlevingen waar zij plaatsvond leidde de Industriële Revolutie tot een enorme toename van het groeitempo in de productie per hoofd van de bevolking, een verschijnsel dat enorme sociale gevolgen had. Door de aanhoudende economische groei veranderde het tempo in alle dimensies van ontwikkeling. Tussen de voormalige Han-dynastie in de tweede eeuw v.Chr. en de Qing-dynastie in de achttiende eeuw traden er nauwelijks veranderingen op in het fundamentele karakter van het Chinese boerenleven en de aard van het Chinese politieke bestel; in de daaropvolgende twee eeuwen traden er veel meer veranderingen op dan in de voorgaande twee millennia. Dit snelle tempo waarin veranderingen optreden zet zich voort in de eenentwintigste eeuw.
In het eerste deel van dit boek zal ik mij concentreren op die delen van de wereld die als eersten deze revolutie doormaakten, Europa en Noord-Amerika, waar de eerste liberale democratieen verschenen. Ik zal proberen om de volgende vraag te beantwoorden: waarom worden aan het begin van de eenentwintigste eeuw sommige landen zoals Duitsland gekenmerkt door moderne, relatief niet-corrupte regeringen, terwijl landen zoals Griekenland en Italie nog steeds geplaagd worden door clientelistische politiek en wijdverbreide corruptie? En hoe komt het dat Engeland en de Verenigde Staten, die in de negentiende eeuw een door vriendjespolitiek geteisterde publieke sector hadden, konden veranderen in modernere, op verdienste gebaseerde bureaucratieen?
Zoals we zullen zien, is het antwoord te vinden in enkele vanuit een democratisch oogpunt ontmoedigende aspecten. De modernste hedendaagse bureaucratieen waren die welke door autoritaire staten waren gevestigd omwille van de nationale veiligheid. Zoals we in Boek 1 hebben gezien, gold dit voor het oude China; het gold ook voor Pruisen (het schoolvoorbeeld van modern bureaucratisch bestuur en de latere vereniger van Duitsland), dat zijn zwakke geopolitieke positie moest compenseren door de totstandbrenging van een efficient staatsbestuur. Aan de andere kant ontwikkelden vroeg gedemocratiseerde landen een clientelistische publieke sector voordat er een modern bestuur tot stand kwam. Het eerste land waarvoor dit gold waren de Verenigde Staten, tevens het eerste land dat in de jaren twintig van de negentiende eeuw alle blanke mannen kiesrecht verleende. Het gold ook voor Griekenland en Italie, waar om verschillende redenen nooit een sterke, moderne staat tot stand kwam voordat zij het kiesrecht openbraken.
De volgorde is derhalve van heel groot belang. Landen waar de democratie voorafging aan de staatsvorming hebben veel grotere problemen gehad met het realiseren van goed bestuur dan de landen die een moderne staat hebben geerfd uit de tijd van het absolutisme. Staatsvorming na de komst van de democratie is wel mogelijk, maar vereist dikwijls de mobilisatie van nieuwe sociale actoren en krachtig politiek leiderschap. Dit was het verhaal van de Verenigde Staten, waar het cliëntelisme werd overwonnen door een alliantie van onder andere zakenlieden wier belangen waren geschaad door slecht openbaar bestuur, westelijke boeren die zich verzetten tegen corrupte spoorwegbelangen en stedelijke hervormers afkomstig uit de nieuwe midden- en beroepsklassen.
Er is een andere potentiële reden voor spanning tussen democratie en een sterke, competente staat. Staatsvorming moet uiteindelijk steunen op het fundament van een natie, dat wil zeggen op de totstandkoming van een gemeenschappelijke nationale identiteit die meer loyaliteit afdwingt dan banden met een familie, stam, regio of etnische groep. Een natie borrelt soms op vanuit de basis, maar is ook vaak het product van machtspolitiek – ja, zelfs van vreselijk geweld, wanneer verschillende groepen ingelijfd, verdreven, samengevoegd, verhuisd of ‘etnisch gezuiverd’ worden. Net als in het geval van modern openbaar bestuur komt een sterke nationale identiteit vaak het best tot stand onder autoritaire omstandigheden. Democratische samenlevingen zonder sterke nationale identiteit hebben dikwijls veel moeite om het eens te worden over een overkoepelend nationaal verhaal. Veel vreedzame hedendaagse liberale democratieën profiteren in feite van langdurig geweld en een autoritair bewind in eerdere generaties, dat ze voor het gemak maar zijn vergeten. Gelukkig is geweld niet het enige pad naar nationale eenheid. Een identiteit kan ook worden gewijzigd om tegemoet te komen aan machtspolitieke realiteiten of ontstaan rondom ruimdenkende ideeën, waardoor het weren van minderheden uit de nationale gemeenschap wordt geminimaliseerd.
In deel II van dit boek wordt ook ingegaan op de opkomst, of het niet opkomen, van moderne staten, maar in de context van een nietwesterse wereld die grotendeels door de Europese mogendheden is gekoloniseerd en overweldigd. Hoewel er in samenlevingen in Latijns- Amerika, het Midden-Oosten, Azië en Afrika inheemse vormen van sociale en politieke organisatie zijn ontstaan, werden zij vanaf het eerste moment van contact met het Westen plotseling geconfronteerd met een heel ander systeem. In vele gevallen werden deze samenlevingen veroverd, onderworpen en geknecht door de koloniale machten, die inheemse volken uitroeiden door oorlog en ziekten en hun land koloniseerden met vreemdelingen. Maar zelfs als er geen fysiek geweld aan te pas kwam, ondermijnde het bestuursmodel dat de Europeanen meenamen de legitimiteit van traditionele instellingen en stortte het vele samenlevingen in een schemergebied waar ze noch authentiek traditioneel, noch met succes verwesterd waren. In de niet-westerse wereld is het daarom niet mogelijk om te spreken over de ontwikkeling van instellingen zonder te refereren aan vreemde of geïmporteerde instellingen.
Er is in de loop der jaren een aantal theorieën naar voren gebracht omtrent de reden waarom instellingen zich in verschillende delen van de wereld anders hebben ontwikkeld. Sommigen hebben betoogd dat ze bepaald werden door de materiële geografische en klimatologische omstandigheden. Economen hebben betoogd dat extractieve industrieën zoals mijnbouw, of landbouw in de tropen waarbij vanwege schaalvoordelen de voorkeur wordt gegeven aan grote plantages, de uitbuiting van slavenarbeid in de hand hebben gewerkt. Naar men zei, gingen deze economische productiewijzen gepaard met autoritaire politieke systemen. Gebieden die zich leenden voor kleine boerenbedrijfjes werkten daarentegen democratie in de hand door de rijkdom gelijker over de bevolking te verdelen. Als een instelling eenmaal was gevormd, werd zij ‘ingekapseld’ en hield zij stand ondanks veranderingen, waardoor de oorspronkelijke geografische en klimatologische omstandigheden minder relevant werden.
Maar de geografie blijft slechts een van de vele factoren die politieke effecten bepalen. Het beleid van koloniale mogendheden, hoe lang ze de dienst uitmaakten, en het soort middelen dat ze in hun koloniën investeerden hadden allemaal belangrijke gevolgen voor de postkoloniale instellingen. Op elke generalisatie omtrent het klimaat en de geografie zijn belangrijke uitzonderingen: het kleine Midden-Amerikaanse land Costa Rica had een typische ‘bananenrepubliek’ moeten worden, maar is vandaag de dag een redelijk goed bestuurde democratie met een bloeiende export en een vitale ecotoeristische sector. Argentinië daarentegen was gezegend met net zo’n geografie en klimaat als Noord-Amerika en is toch een instabiel ontwikkelingsland geworden, dat wordt geplaagd door militaire dictaturen, enorme schommelingen in de economie en populistisch wanbestuur.
Uiteindelijk verhult geografisch determinisme de vele manieren waarop de mensen in gekoloniseerde landen macht hebben uitgeoefend; ondanks buitenlandse overheersing speelden zij een cruciale rol bij het inrichten van hun eigen instellingen. De op dit moment succesvolste niet-westerse landen zijn juist die welke vóór hun contact met het Westen de best ontwikkelde inheemse instellingen hadden.
De complexe redenen voor de verschillende ontwikkelingstrajecten zijn het duidelijkst te zien in het contrast tussen Sub-Saharisch Afrika en Oost-Azië, de slechtst en best presterende regio’s ter wereld wat betreft economische ontwikkeling in de afgelopen halve eeuw. Vóór het contact met het Westen heeft Sub-Saharisch Afrika nooit sterke inheemse staatsinstellingen ontwikkeld. Toen de Europese koloniale mogendheden aan het eind van de negentiende eeuw begonnen met de ‘wedloop om Afrika’ ontdekten ze al snel dat hun nieuwe koloniën amper iets opbrachten voor hun eigen bestuurskosten. Engeland reageerde daarop met een beleid van ‘indirect bestuur’, wat van de Engelse kant een minimale investering rechtvaardigde in de totstandbrenging van staatsinstellingen. De vreselijke koloniale nalatenschap was dus eerder een kwestie van verwaarlozing dan van inmenging. In tegenstelling tot landen waarin politiek meer geïnvesteerd werd, zoals India en Singapore, gaven de koloniale mogendheden geen sterke instellingen door, en zeker geen ‘absolutistische’ die hun volk op elk niveau konden beheersen. Het was eerder zo dat in samenlevingen met zwakke staatstradities de gevestigde instellingen ondermijnd werden, terwijl ze er amper moderne voor in de plaats kregen. De economische ramp die zich daar in de generatie na de onafhankelijkheid voltrok was hier het gevolg van.
Dit in schrille tegenstelling tot Oost-Azië. Zoals we hebben gezien, heeft China de moderne staat uitgevonden en heeft het ’s werelds oudste traditie wat betreft gecentraliseerde bureaucratie. Die traditie heeft China doorgegeven aan buurlanden zoals Japan, Korea en Vietnam. Door deze sterke staatstraditie kon Japan zelfs volledig ontkomen aan kolonisatie door het Westen. In China stortte de staat ineen en werd de traditie ernstig op losse schroeven gezet door de revoluties, oorlogen en bezettingen in de twintigste eeuw, maar na 1978 is het land in een modernere vorm hersteld door de Communistische Partij. In Oost-Aziatische samenlevingen zijn effectieve openbare instellingen de basis van economisch succes geweest. Aziatische staten waren gegrondvest op goed opgeleide technocratische bureaucratieën, die genoeg autonomie hadden gekregen om de economische ontwikkeling te sturen. Daarbij werden de vormen van vergaande corruptie en roofzuchtig gedrag vermeden waardoor regeringen in andere delen van de wereld werden gekenmerkt.
Latijns-Amerika bevindt zich ergens tussen deze extremen. Ondanks het bestaan van grote precolumbiaanse rijken hebben zich in deze regio nooit sterke staatsinstellingen ontwikkeld zoals in Oost-Azië. De bestaande politieke structuren werden vernietigd door veroveringen en ziekten en vervangen door gemeenschappen van kolonisten die de autoritaire en mercantilistische instellingen met zich meenamen die destijds in Spanje en Portugal gangbaar waren. Het klimaat en de geografie stimuleerden de ontwikkeling van exploiterende landbouw en extractieve bedrijven. Hoewel op dat moment het merendeel van Europa ook autoritair was, speelden in de Latijns-Amerikaanse hiërarchieën ook ras en etniciteit een rol. Deze tradities bleken erg hardnekkig, zelfs in landen als Argentinië, waar het klimaat, de geografie en de etnische samenstelling evenals in Noord-Amerika gelijkheid in de hand hadden moeten werken.
De sterk uiteenlopende resultaten van de huidige ontwikkelingen in Sub-Saharisch Afrika, Latijns-Amerika en Oost-Azië werden dus ten zeerste beïnvloed door de aard van de inheemse staatsinstellingen voorafgaand aan hun contact met het Westen. De landen die eerder sterke instellingen hadden konden die na een periode van verstoring weer herstellen, terwijl die waarvoor dat niet gold bleven aanmodderen. De koloniale mogendheden hadden een enorme impact door het invoeren van hun eigen instellingen, met name daar waar dit gepaard ging met de komst van grote aantallen kolonisten. Op dit moment zijn de minst ontwikkelde delen van de wereld die welke geen sterke eigen staatsinstellingen hadden of waar kolonisten deze hadden meegenomen.
Terwijl in de delen I en II de ontwikkeling van de staat wordt behandeld, zal in deel III van dit boek worden ingegaan op een controlerende instelling, namelijk democratische verantwoording. Dit deel is beduidend korter dan de delen I en II. Niet omdat ik democratie minder belangrijk vind dan andere aspecten van politieke ontwikkeling. Het is een weerspiegeling van het feit dat er de laatste generatie veel aandacht is besteed aan democratie, democratische transities, het falen van de democratie en de kwaliteit van de democratie. Tijdens de derde golf van de democratie die aan het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw begon werd het aantal electorale democratieën over de hele wereld meer dan verdubbeld. Het is dus heel begrijpelijk dat er veel wetenschappelijke aandacht aan dit verschijnsel is besteed. Lezers die meer willen weten over deze meer recente ontwikkelingen worden verwezen naar de vele uitstekende boeken die over dit onderwerp zijn geschreven.
In plaats van mij te concentreren op de derde golf zal in deel III nader worden ingegaan op de ‘eerste golf’, de periode van democratische expansie die zich na de Amerikaanse en Franse revoluties voornamelijk in Europa heeft voltrokken. Ten tijde van het Weense Congres in 1815, dat een einde maakte aan de Napoleontische Oorlogen, kon geen enkel Europees land een electorale democratie worden genoemd. In 1848 braken er in vrijwel ieder land op het vasteland van Europa revoluties uit, en dat jaar is dan ook wel vergeleken met de Arabische Lente in 2011. Hieruit blijkt wel hoe moeilijk de weg naar werkelijke democratie is. Nog geen jaar na de revolutionaire opleving was vrijwel overal de oude autoritaire orde hersteld. Het kiesrecht werd in de daaropvolgende decennia slechts heel langzaam opengebroken. In Engeland, de bakermat van de oudste parlementaire traditie, werd pas in 1929 het algemeen kiesrecht voor volwassenen ingevoerd.
De verbreiding van de democratie staat of valt bij de legitimiteit van het idee democratie. Voor een groot deel van de negentiende eeuw geloofden vele ontwikkelde en welmenende mensen dat de ‘massa’ domweg niet in staat was om verantwoordelijk met het kiesrecht om te gaan. De opkomst van de democratie had dus veel te maken met de verbreiding van opvattingen dat alle mensen gelijk waren.
Maar ideeën bestaan niet in een vacuüm. Vandaag de dag leven wij in een wereld van mondiale, zich verbreidende democratie dankzij de ingrijpende veranderingen die de Industriële Revolutie in gang heeft gezet. Deze gaf de aanzet tot een explosieve economische groei die het karakter van de samenleving drastisch veranderde door nieuwe klassen te mobiliseren: de bourgeoisie of middenklasse en de nieuwe industriële arbeidersklasse. Toen die zich van zichzelf als groep bewust werden, gingen ze zich politiek organiseren en eisten ze het recht om deel te nemen aan het politieke systeem. Uitbreiding van het kiesrecht was doorgaans een kwestie van de mobilisatie van onderaf van deze nieuw opkomende klassen, wat dikwijls gepaard ging met geweld. Maar in andere gevallen waren het de oudere elites die democratische rechten voorstonden om hun eigen politieke lot te verbeteren. De timing van de verbreiding van de democratie in verschillende landen hing derhalve af van de veranderende relatieve positie van de middenklasse, de arbeidersklasse, de grootgrondbezitters en de boeren. Met name daar waar de oude landbouworde steunde op grote landeigenaars die afhankelijk waren van slavenarbeid, verliep de transitie naar een democratie moeizaam. Maar in vrijwel alle gevallen was de opkomst en ontwikkeling van een middenklasse beslissend voor de verbreiding van de democratie. De democratie in de ontwikkelde wereld werd gewaarborgd en stabiel toen de industrialisering leidde tot ‘middenklassensamenlevingen’, dat wil zeggen samenlevingen waarin een flinke meerderheid van de bevolking zichzelf als lid van de middenklasse beschouwde.
Afgezien van economische groei is de democratie wereldwijd ook gestimuleerd door de globalisering zelf, het wegvallen van belemmeringen voor het verkeer van ideeën, goederen, investeringen en mensen over internationale grenzen. Instellingen die zich in het ene deel van de wereld eeuwenlang hebben ontwikkeld, kunnen in een heel ander deel worden ingevoerd of aangepast aan plaatselijke omstandigheden. Dit suggereert dat de evolutie van instellingen in de loop van de tijd steeds sneller is gegaan en dat dit waarschijnlijk ook zo zal blijven.
Deel III besluit met het oog op de toekomst. Als een brede middenklasse inderdaad van belang is voor het voortbestaan van de democratie, wat zal dan het gevolg zijn van de verdwijning van middenklassenbanen door de voortschrijdende technologie en globalisering?
In het vierde en laatste deel van dit boek zal worden ingegaan op de kwestie van politiek verval. Alle politieke systemen zijn mettertijd onderhevig aan verval. Het feit dat moderne liberaal-democratische, door een markteconomie ondersteunde instellingen zich ‘geconsolideerd’ hebben is geen garantie dat ze eeuwig zullen voortbestaan. Institutionele starheid en herpatrimonialisering, de twee krachten die bijdragen tot verval en die in Boek 1 uitgebreid zijn besproken, doen zich ook in de hedendaagse democratieën voor.
Beide processen voltrekken zich op dit moment in de Verenigde Staten. Institutionele starheid neemt de vorm aan van een verzameling regels met resultaten die algemeen als slecht maar toch als in wezen onveranderlijk worden beschouwd. Hiertoe behoren het Kiescollege, het systeem van de voorverkiezingen, diverse beslissingen van de Senaat, het systeem van campagnefinanciering en de hele nalatenschap van een eeuw aan Congresmandaten, hetgeen al met al een wijdvertakte overheid heeft opgeleverd, die niettemin bepaalde elementaire functies niet en andere slecht vervult. Zoals ik in deel IV zal betogen, zijn veel van de oorzaken van dit disfunctioneren bijproducten van het Amerikaanse controlesysteem zelf, dat dikwijls slecht ontworpen wetgeving oplevert (te beginnen met begrotingen) alsook een ondoordachte overdracht van het gezag tussen het Congres en de uitvoerende macht. De diepgaande Amerikaanse rechtstraditie betekent bovendien dat de rechtscolleges zich inmengen in de beleidsvorming of het dagelijks bestuur op een manier die weinig parallellen heeft in andere ontwikkelde democratieën. Theoretisch zou het mogelijk zijn om veel van deze problemen op te lossen, maar de meeste beschikbare oplossingen zijn niet eens bespreekbaar omdat zij zich voor Amerikanen te ver van hun bed bevinden.
Het tweede mechanisme van politiek verval – herpatrimonialisering – blijkt uit de overname van grote delen van de Amerikaanse overheid door goed georganiseerde belangengroepen. Het oude negentiendeeeuwse probleem van het cliëntelisme (dat bekendstond als het patronagesysteem), waarbij individuele kiezers privileges kregen in ruil voor hun stem, werd grotendeels geëlimineerd door de hervormingen tijdens de Progressive Era (1890-1920). Maar het heeft nu plaats gemaakt voor een systeem van gelegaliseerde uitwisseling van schenkingen, waarbij politici reageren op georganiseerde belangengroepen die collectief niet-representatief zijn voor het hele volk. In de loop van de laatste twee generaties is de rijkdom sterk geconcentreerd geraakt in de Verenigde Staten en heeft economische macht invloed in de politiek kunnen kopen. Het Amerikaanse controlesysteem schept vele mogelijkheden voor machtige belangengroepen die in Europese parlementaire systemen veel minder prominent zijn. Hoewel velen van mening zijn dat het hele systeem corrupt is en steeds onrechtmatiger, is er geen duidelijke hervormingsagenda om er iets aan te doen binnen de parameters van het bestaande systeem.
Een vraag voor de toekomst is of deze problemen karakteristiek zijn voor alle liberale democratieën of alleen voor die van de Verenigde Staten.
Ik wil nu al meteen aangeven op welke onderwerpen in dit boek níét zal worden ingegaan. Het is niet bedoeld als een bondige geschiedenis van de laatste twee eeuwen. Wie iets wil leren over de oorzaken van de Wereldoorlogen of de Koude Oorlog, de bolsjewistische of de Chinese Revolutie, de Holocaust, de gouden standaard of de oprichting van de Verenigde Naties, zal verder moeten zoeken. In plaats daarvan heb ik gekozen voor bepaalde onderwerpen binnen het brede veld van de politieke ontwikkeling die naar mijn mening relatief onderbelicht of niet goed begrepen zijn.
Dit boek concentreert zich op de evolutie van politieke instellingen binnen individuele en niet-internationale samenlevingen. Het is duidelijk dat nationale staten door de huidige mate van globalisering en de onderlinge afhankelijkheid van staten veel minder het monopolie hebben op het aanbod van openbare voorzieningen (als ze dat ooit al hadden). Vandaag de dag zijn er heel veel internationale instanties, non-gouvernementele organisaties, multinationale ondernemingen en informele netwerken die diensten leveren die van oudsher met overheden geassocieerd werden. Voor veel waarnemers verwijst het woord ‘bestuur’ naar dat soort overheidsdiensten dat wordt geleverd door andere instanties dan traditionele overheden. Het is tevens vrij duidelijk dat de bestaande structuur van internationale instellingen ontoereikend is om te zorgen voor adequate samenwerking met betrekking tot allerlei grote problemen, van de drugshandel tot aan financiële regelgeving en klimaatverandering. Ook dit zijn allemaal heel belangrijke onderwerpen, waar ik in dit boek echter niet uitvoerig op in zal gaan.
Dit boek kijkt om en probeert te verklaren hoe de bestaande instellingen zijn ontstaan en zich in de loop der tijd hebben ontwikkeld. Hoewel er onder de noemer politiek verval wordt verwezen naar een aantal problemen waardoor moderne politieke systemen geplaagd worden, zal ik geen specifieke aanbevelingen doen wat oplossingen betreft. Ik heb weliswaar een groot deel van mijn leven doorgebracht in de wereld van het openbaar bestuur, waar naar heel specifieke oplossingen voor beleidsproblemen wordt gezocht, maar in dit boek wordt gestreefd naar een analyse op het niveau van hun diepere systemische oorzaken. Voor een aantal van de problemen waarmee wij nu geconfronteerd worden, zijn misschien wel helemaal geen echt goede beleidsoplossingen. Zo ook ga ik niet speculeren over de toekomst van de verschillende soorten politieke instellingen die hier worden besproken. Ik zal mij vooral concentreren op de vraag hoe we hier zijn gekomen.

[...]

 

© 2014 Francis Fukuyama
© 2014 Nederlandse vertaling Robert Vernooy

Uitgeverij Atlas Contact

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum