Leesfragment: De opkomst en ondergang van grootmachten

27 november 2015 , door Tom Rachman
| |

Op 10 juni verschijnt Tom Rachmans De opkomst en ondergang van grootmachten, vertaald door Tjadine Stheeman en Onno Voorhoeve. Wij publiceren voor. 'Caergenog – in Wales, net over de grens met Engeland – was een dorp met een paar honderd inwoners dat al eeuwenlang kon bogen op twee kroegen: de ene boven aan Roberts Road en de andere onderaan. […] World’s End was altijd de minste populaire van de twee geweest (wie had er nu zin te slempen met uitzicht op de zerken van het kerkhof?) en de pub moest aan het einde van de jaren zeventig voorgoed zijn deuren sluiten.’

Niemand weet precies hoe Tooly Zylberberg eigenaar is geworden van het noodlijdende boekwinkeltje World's End in de heuvels van Wales. De Russische immigrant Humphrey leert haar schaken, maar is dat zijn enige rol? Hoe zit het met Sarah, die uit het niets opduikt in Tooly's leven, en net zo snel weer verdwijnt? En wie is Venn, de obscure maar charismatische man die iedereen een stapje voor lijkt te zijn? Met De opkomst en ondergang van grootmachten schaart Tom Rachman zich tussen de allergrootste auteurs van dit moment en zet hij een fenomenale literaire puzzeltocht neer die drie decennia en diverse continenten omspant en langs alle excentrieke personages voert die ooit hebben bijgedragen aan de opvoeding van Tooly Zylberberg. 

‘Een formidabele debuutroman over de teloorgang van een kwaliteitsdagblad en de complexe, onvolmaakte persoonlijkheden die het maken. De schrijver heeft een verfijnd gevoel voor dialoog. Je hoort de personages bekvechten, roddelen, smeken.’ de Volkskrant *****
‘Hoe vaak gebeurt het dat je tijdens het lezen van een roman het gevoel hebt dat de personages echt bestaan – dat ze, ook als je het boek dichtslaat, gewoon verder leven? Bij De onvolmaakten is dat zo.’ NRC Handelsblad

  

2011

Zijn potlood zweefde boven het verkoopboek, dook bij elke steeds boudere bewering die hij deed omlaag naar de bladzij, waarbij de potloodpunt rakelings over het papier scheerde, trok dan als een stuntvliegtuig op om even later weer neer te storten als hij zijn woorden kracht bij wilde zetten, zodat er een constellatie van allengs vagere puntjes rond de enige boeking van die ochtend was ontstaan: de verkoop van een tweedehands exemplaar van Landslakken van Groot-Brittannië door A.G. Brunt-Coppell (prijs: £ 3,50).
‘Neem nou de Revolutie,’ riep hij vanuit het voorste gedeelte van de boekwinkel. ‘De Fransen zien die heel anders dan wij. Zij leren niet op school dat het een complete chaos was en er een schrikbewind aan de macht was. Voor hen was het juist iets positiefs. En dat kun je ze niet kwalijk nemen. De bestorming van de Bastille? De Verklaring van de Burgerrechten?’
Wat hij met zijn betoog aangaande de Fransen en hun opstandige geest wilde zeggen was dat, tja, het was niet duidelijk wat Fogg eigenlijk precies wilde zeggen. Hij was iemand die tijdens het praten zijn mening vormde of misschien pas achteraf, waardoor hij genoodzaakt was oeverloos uit te weiden om zijn denkbeelden te pakken te krijgen. Praten was voor hem een ontdekkingsreis; anderen dachten daar niet per se hetzelfde over.
Zijn stem weergalmde tussen de boekenkasten, over de drie treden omlaag naar het achterste gedeelte van de winkel, waar zijn werkgeefster, Tooly Zylberberg – in een tweedjasje, bemodderde spijkerbroek en regenlaarzen – probeerde te lezen.
‘Hmm,’ antwoordde ze met een beduimelde biografie van Anna Boleyn opengeslagen op haar schoot. Ze had Fogg best kunnen vragen zijn mond te houden, en dat had hij ook gedaan, maar hij vond niets heerlijker dan zijn mening over allerlei gewichtige zaken ventileren, als de autoriteit die hij beslist niet was. Door die eigenschap nam Fogg haar voor zich in, vooral omdat achter zijn hoogdravende redevoeringen een grote onzekerheid schuilging – elke keer als zij met een tegenargument kwam, bond hij onmiddellijk in. Arme Fogg. Haar genegenheid voor hem stelde Fogg in staat erop los te kleppen, maar maakte lezen onmogelijk.
‘Want de uitvinder van de guillotine was tenslotte een arts,’ ging hij verder, terwijl hij boeken op de planken zette en af en toe snel met zijn duim langs de pagina’s ritste zodat hij verlekkerd de geur van oud papier kon opsnuiven, waarna hij het boek op zijn bestemde plek schoof.
Hij ging de drie krakende treden af, liep onder het bord geschiedenis-natuur-poëzie-krijgskunde-dans door naar een verlaagd gedeelte dat ook wel bekend stond als de gelagkamer. De boekwinkel was vroeger een pub geweest, en de gelagkamer was de plek waar natgeregende klanten hun sokken voor de open haard te drogen hingen. Die haard was inmiddels dichtgemetseld, maar aan de muur hingen nog een tang en een blaasbalg. Het geheel werd vrolijk omlijst door groen-rode Welshe vlaggetjes en aardewerk bierpullen in de vorm van ouwe mannetjes. Op een eiken tafel lagen fotoboeken over de streek en in de hoge wandkasten stonden dichtbundels en de verzamelde werken van Shakespeare, waarvan de bladzijden loszaten en de rode banden zo verschoten waren dat je goed moest kijken of het om King Lear of Macbeth ging. Deze eerbiedwaardige personages, die nu nog op de overvolle planken sluimerden, konden elk moment omlaagstorten en op de schommelstoel terechtkomen waar Tooly op een geruite plaid zat. Die deken kwam ’s winters goed van pas als de radiatorkachels zich sputterend aan hun taak zetten om er even later de brui aan te geven.
Ze streek over haar korte zwarte haar, waarvan de uiteinden om haar gaatjesloze oorlelletjes krulden; achter haar oor had ze een grijs potlood gestoken. De pocket die ze voor haar gezicht hield was bedoeld om Foggs interrupties te ontmoedigen, maar achter die dekmantel kon ze nauwelijks een glimlach onderdrukken om de ronddravende Fogg en de zichtbare moeite die het hem kostte zijn mond te houden. Hij beende om de tafel, met zijn handen in zijn zakken, liet het kleingeld daarin rinkelen. (Er vielen constant muntstukken door de gaten in zijn zakken langs zijn been zijn schoen in. Aan het einde van de dag trok hij zijn schoen uit – waarbij de sok ook half uit ging – en schudde vervolgens een klein fortuin in zijn hand.)
‘Het zou hun betamen ferm op te treden in Afghanistan,’ zei hij. ‘Dat zou hun betamen.’
Ze liet het boek zakken en keek hem aan, waarop Fogg meteen wegkeek. Hij was achtentwintig, slechts een paar jaar jonger dan zij, maar het leek wel of ze nog eens achtentwintig jaar van elkaar verschilden. Tijdens hun gesprekken gedroeg hij zich als een schuchtere puber, maar verloor zich altijd weer snel in zijn gezwollen prietpraat. Tijdens zijn redevoeringen speelde hij vaak met een koperen vergrootglas, dat hij als een monocle voor zijn oog hield, zodat het een monsterlijk groot blauw oog werd, totdat hij de moed verloor, de loep liet zakken en het weer een klein knipperend oog werd. Fogg zag er altijd, op welk uur van de dag ook, uit of hij net door een brandalarm was gewekt, het haar op zijn achterhoofd platgedrukt van het kussen, ontbrekende knopen halverwege zijn shirt of knopen die in het verkeerde knoopsgat zaten, zodat de klanten hun best moesten doen niet stiekem te gluren naar het blote stuk borst dat er onbedoeld doorheen piepte. De achterzakken van zijn cargobroek, waarin hij altijd zijn duimen haakte tijdens het oreren, waren gescheurd; de witte veters van zijn leren schoenen waren grijs geworden en de manchetten van zijn loshangende gestreepte overhemd rafelden; hij had de geprononceerde sleutelbeenderen en de afgetekende ribben van iemand die bij de lunch een broodje ham naar binnen propt en pas om drie uur ’s nachts weer trek krijgt. Foggs onverschillige stijl van kleden was niet zo onverschillig als die leek, maar bedoeld om Caergenog te laten zien dat hij anders was dan de rest van de inwoners: een mondaine stedeling, al druiste zijn afkomst, zijn hele leven eigenlijk, regelrecht tegen zo’n typering in.
‘Het zou hun betamen?’ vroeg Tooly glimlachend.
‘Wat ze zich moeten realiseren,’ ging hij verder, ‘is dat we niet goed weten wie de tegenstanders zijn. De vijand van mijn vriend hoeft niet mijn…’ Hij boog zich voorover om het omslag van haar pocket te bekijken. ‘Ze had dertien vingers.’ ‘Hè?’
‘Anna Boleyn. De vrouw van Hendrik de Achtste. Had dertien vingers.’
‘Zo ver ben ik nog niet. Bij mij heeft ze er nog tien.’ Tooly stond op, de lege stoel schommelde, en begaf zich naar het voorste gedeelte van de winkel.
Het liep tegen het einde van de lente, maar de wolken boven Wales trokken zich weinig van de seizoenen aan. Het plensde al de hele ochtend zodat ze niet haar dagelijkse wandeling door de heuvels had kunnen maken, al was ze wel naar de priorij gereden waar ze in haar auto had zitten genieten van de roffelende regen op het dak. Miezerde het nog steeds?
‘We hebben de grabbelton toch wel binnengehaald, hè?’ Ze doelde op een ton met restanten waaruit voorbijgangers iets van hun gading mochten halen (voorgestelde bijdrage £ 1 per boek). Het probleem was niet het grabbelen – de meeste mensen stopten inderdaad het geld in de afgesloten bus – maar de regenbuien, die de pest waren voor de boeken. Zodoende waren ze doorgewinterde luchtkijkers geworden, die de wolken taxeerden en de ton steeds naar binnen en naar buiten sleepten.
‘We hadden hem niet eens buiten gezet.’
‘O nee? Vergeetachtigheid heeft zo zijn voordelen.’
Ze stond bij de kassa door de etalage naar buiten te turen. Van de luifel vielen bruine regendruppels. Leek wel wat op. ‘Koffie,’ zei ze.
‘Heb je zin in koffie?’ Fogg greep elke kans aan om bij het Monna Lisa Café cappuccino te gaan halen, vooral vanwege de Estlandse barista die hij probeerde te versieren. Aangezien Tooly liever haar eigen thee zette, zat er voor Fogg niets anders op dan zelf de ene beker koffie na de andere te nuttigen. Tooly had ontdekt dat hij verliefd was op de barista omdat hij opeens zoveel naar de wc moest, wat haar de opmerking ontlokte dat zijn cappuccino-complot wel invloed had op het juiste orgaan maar niet op de goede manier.
‘Ben zo terug,’ zei hij, waarmee hij een halfuur bedoelde, en duw de met zijn schouder de deur open; het belletje tinkelde terwijl hij Roberts Road op sjokte.
Ze ging zelf ook de winkel uit en keek naar het parkeerterrein van de kerk aan de overkant van de straat, waar haar oude Fiat 500 helemaal in zijn eentje stond. Ze rekte luidruchtig haar armen uit, als een kat die wakker wordt, en uitte een klein kreetje. Er fladderden twee vogels van het kerkdak op, hun klauwen uit, vechtend om een nest. Wat waren het eigenlijk voor vogels? Maar ze zwenkten al weg.
Caergenog – in Wales, net over de grens met Engeland – was een dorp met een paar honderd inwoners dat al eeuwenlang kon bogen op twee kroegen: de ene boven aan Roberts Road en de andere onderaan. De hooggelegen pub heette Butcher’s Hook, zo genoemd naar de wekelijkse veemarkt die vroeger aan de overkant werd gehouden, terwijl de laaggelegen pub, tegenover de kerk en de rotonde, de naam World’s End droeg, een verwijzing naar zijn ligging aan de rand van het dorp. World’s End was altijd de minste populaire van de twee geweest (wie had er nu zin te slempen met uitzicht op de zerken van het kerkhof?) en de pub moest aan het einde van de jaren zeventig voorgoed zijn deuren sluiten. Het pand stond jarenlang leeg, dichtgespijkerd en vernield, totdat een echtpaar – gepensioneerde docenten van de universiteit van Bristol – het opkocht en er een tweedehandsboekwinkel in vestigde.
De basis van hun businessplan was dat de winkel kon meeprofiteren van het jaarlijkse literatuurfestival in het nabijgelegen Hay-on- Wye, en het elfdaagse evenement bleek inderdaad klanten op te leveren voor World’s End. Helaas bleek het gunstige effect op de overige 354 dagen van het jaar verwaarloosbaar. Na tien jaar gingen de Mintons op zoek naar iemand die de zaak wilde overnemen, al bleven ze zelf eigenaar van het zeventiende-eeuwse pand van hout en natuursteen dat ze helemaal hadden opgeknapt, waaronder de melkglazen caféruiten, de smeedijzeren toog en de pensionkamers boven. Op een advertentie op het mededelingenbord in het dorp – dat bijna geheel in beslag werd genomen door een aankondiging voor een optreden van de Harlech Jeugdfanfare – kwam geen reactie. Evenmin op de daaropvolgende kleine annonce in The Abergavenny Chronicle. Ook de ongeïnteresseerde pogingen van Ron, een kauwgum kauwende makelaar, hadden geen resultaat. Hun laatste hoop was een advertentierubriek in een klein literair blaadje waarvan een gekreukeld exemplaar in 2009 op een perron in Lissabon terecht was gekomen, waar Tooly het had opgeraapt. In de advertentie stond ‘Ter overname aangeboden: boekwinkel.’
Toen Tooly ging kijken, zeiden de Mintons eerlijk dat ze met verlies draaiden en dat de zaak sinds hun komst elkaar jaar minder opbracht. Het enige pluspunt wat meneer Minton had kunnen bedenken was dat ‘het wellicht interessant is voor iemand die veel van lezen houdt. Met wat jeugdig elan en zo zou jij het misschien beter doen dan wij, in financieel opzicht. Maar rijk word je er niet van.’
Tooly gaf hun de vraagprijs, £ 25.000, voor de winkel inclusief de voorraad van tienduizend boeken. Het echtpaar ging terug naar Bristol en ze kwamen overeen dat Tooly een lage maandelijkse huur zou betalen voor de winkel, met inbegrip van woonruimte boven de zaak en gebruikmaking van de rammelende paarse Fiat.
Voor Tooly was het wel even wennen om van de ene dag op de andere eigenares van duizenden boeken te zijn. In de hele winkel, van voor naar achter, stonden hoge boekenkasten met in de bovenste regionen de stoffige, verbolgen winkeldochters. Aan de muren hingen ingelijste prenten: een negentiende-eeuwse wereldkaart, een stadsgezicht van Constantinopel, een tekening van Edward Gorey van een schurk met een mooi dik boek in zijn handen waarvan hij de rechtmatige eigenaar zojuist van een rots had geduwd. Boven het tafereel stond een citaat van John Locke:

Boeken zijn mijns inziens verderfelijke waar en besmetten eenieder die ermee omgaat… met een akelige, venijnige ziekte. Drukkers, binders, verkopers, en anderen die in boeken handelen en eraan verdienen zijn doorgaans zeer eigenaardige, immorele lieden die er geheel eigen praktijken op nahouden, zonder zich iets aan te trekken van het algemeen nut of de gangbare eerlijkheid die de rest van de mensheid verbindt.

Tegen de boekenkasten stond een trapleer dat Tooly altijd naar Bergsport verplaatste en dat Fogg – die haar grapje niet doorhad – steeds weer bij Franse Geschiedenis terugzette. Achter elke rij boeken ging nog een rij met evenveel exemplaren verscholen, een schaduwboekhandel. De vloer was bezaaid met onuitgepakte dozen, zodat het meer klauteren dan lopen was door de winkel, en het damasten tapijt was bedekt met een laag kattenharen, die ooit hadden toebehoord aan Cleopatra, een reeds lang verscheiden huiskat.
Ter aanduiding van de verschillende afdelingen hadden de Mintons kartonnen bordjes aan de planken bevestigd, waarop het onderwerp in kriebelige cursiefletters stond als het door meneer Minton was opgeschreven, en in grote krulletters met verduidelijkende tekeningetjes als mevrouw Minton aan het werk was geweest. Je had de gebruikelijke afdelingen: Bomen, Planten, Paddestoelen & Schimmels; Koken & Recepten, maar ook bijzondere (steevast in het kriebelige handschrift van meneer Minton), zoals Kunstenaars Die Hun Wederhelft Slecht Behandelden; Geschiedenis: de Saaie Feitjes; en Boeken Die Je Niet Hebt Gelezen Maar Beweert Van Wel. Tooly had de meeste boeken in haar winkel niet gelezen en pretendeerde dat ook niet. Maar geleidelijk aan begon ze zich thuis te voelen tussen al die boeken, mede dankzij het aangename gezelschap van Fogg, die er al sinds zijn middelbare schooltijd werkte. De Mintons hadden hem gestimuleerd weg te gaan uit Caergenog en literatuurwetenschap te gaan studeren. Maar in plaats daarvan bleef hij met cappuccino aan komen zetten.
Deze keer had hij er ook eentje voor Tooly meegenomen, omdat hij niet meer wist wat ze had gezegd. Hij ging op zijn barkruk aan de toog zitten, klikte met de muis de computer tot leven, schakelde in op een livestream-uitzending van BBC Radio 4, waar de presentator net zijn luisteraars angst aanjoeg over de moderne wereld, de wet van Moore aanhaalde, cloud computing, de turingtest en de achteruitgang van de hersenen.
‘Tegenwoordig heeft men op elke smartphone,’ beweerde de presentator, ‘toegang tot het gehele arsenaal aan menselijke kennis.’
‘Ze zouden een apparaatje moeten bedenken,’ zei Fogg, die het geluid zacht zette, ‘dat alles opslaat wat je ooit hebt meegemaakt.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Daar wil ik mee zeggen… tja, wat ik eigenlijk zeggen? Ja, kijk: aangezien de computers steeds beter en sneller worden, zal het niet lang duren – zelfs heel goed denkbaar, gebiedt de eerlijkheid me te zeggen – dat iemand een apparaat uitvindt waarin alles wat je meemaakt wordt opgeslagen. Als kind krijg je het al geïmplanteerd, in de vorm van een chip of zo. En dan hoef je je nooit meer druk te maken over vergeten wachtwoorden of te kibbelen over wat er precies is gebeurd. Bij een rechtszaak kun je gewoon je geheugenchip eruit halen en die aan de rechter laten zien.’
‘En als je oud bent,’ viel Tooly hem bij, ‘kun je de leukste fragmenten opnieuw bekijken.’
‘Wij gaan dat nog meemaken, hoor, de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat dat slechts een kwestie van tijd is.’ Elke keer dat Fogg iets voor de hand liggends opmerkte, zoals ‘het is slechts een kwestie van tijd’ (en wat was dat nou niet?) leukte hij het op met ‘gebiedt de eerlijkheid me te zeggen’.
‘Wat gebeurt er met die geheugenchip na je dood?’ vroeg Tooly. ‘Die bewaren ze,’ antwoordde hij. ‘Dan kunnen toekomstige generaties zien wat hun overgrootouders uitspookten en erachter komen wat voor mensen het waren.’
‘Maar dat geldt niet voor degenen die leefden toen het apparaatje nog niet was uitgevonden – zoals wij. Dan worden wij het equivalent van de prehistorische mens. Denk je ook niet? We worden uitgewist, “samen met generaties mieren en bevers raken we in de vergetelheid”,’ zei Tooly, een zinnetje citerend van een auteur wiens naam haar was ontschoten.
Fogg krabde over zijn blonde stoppelbaardje en keek omhoog naar het bewerkte plafond alsof daar generaties mieren en bevers naar beneden tuurden in afwachting van zijn repliek. ‘Maar onze toekomstige voorouders zouden misschien op een of andere manier onze herinneringen kunnen terughalen,’ zei hij. ‘In de toekomst wordt het vast mogelijk dat mensen naar het verleden kunnen terugreizen en dingen opslaan die al gebeurd zijn.’
‘Nu draaf je door. Ik zou je bij de afdeling Sciencefiction moeten zetten. Hoe dan ook, als elke seconde van je leven zou worden opgeslagen, werd het gewoon te veel. Niemand zou tijd hebben om een geheugenchip met alle gebeurtenissen van a tot z door te ne - men – je zou je hele leven bezig zijn met alleen maar kijken naar het verleden. Op een gegeven moment geef je het op en moet je maar hopen dat je hersenen de belangrijke dingen opslaan. En dan zijn we weer terug bij af.’
Ze verdween een gangpad in, laverend langs dozen boeken. Tooly had een typische manier van lopen, eerst zette ze haar tenen neer en dan wikkelde ze haar voet via de bal langzaam af naar de hiel. Ze bleef staan, voeten naar buiten, rug recht, kin omlaag, strenge taxerende blik die warmer werd terwijl ze hem toelachte, haar ogen die als eerste begonnen te stralen, de lippen die een weinig weken. Ze liep het krakende trappetje af naar de gelagkamer, ging in de schommelstoel zitten en pakte de pocket over Anna Boleyn weer op.
‘Wat ik me afvroeg,’ zei Fogg, die spelend met het boekhoudpotlood achter haar aan liep, ‘of je paard nou moet leren waarderen of dat het een genetisch bepaalde voorkeur is.’
Ze lachte om deze karakteristieke Foggiaanse verandering van onderwerp.
‘Hoewel ik denk,’ ging hij verder, ‘dat de Fransen pas tijdens de Napoleontische Oorlogen zijn begonnen met het eten van merries, hengstveulens en ander paardenvlees toen de veldtocht naar Rusland was mislukt en ze zich moesten terugtrekken, toen het zo bitter koud was en de mondvoorraad bijna op. Het enige wat ze nog hadden waren paarden, dus werden die tot maaltijd verwerkt. En zo is de Franse gewoonte van het paardenpeuzelen ontstaan.’
‘In die tijd zijn de Fransen trouwens ook kikkers gaan eten, waarop de kleinere soldaten naar het slagveld reden,’ zei ze. ‘Hoeveel mooier zou het leven zijn geweest als de Fransen op doorregen runderen bij de Russische grens waren aangekomen.’
‘Je kunt niet op runderen rijden,’ zei Fogg in alle ernst. ‘Niet te doen. Een jongen op mijn school, Aled, heeft het eens geprobeerd en het is gewoon niet te doen. En een koe op het slagveld is natuurlijk helemaal onmogelijk. Wat je wel moet beseffen is dat de Fransen…’
De ruis van Fogg kalmeerde haar. Ze had geen zin om nog meer te lezen over de onfortuinlijke Anna Boleyn. Ze wist al hoe dat verhaal afliep.

 

© 2014 Tom Rachman
© 2014 Nederlandstalige uitgave: Tjadine Stheeman & Onno Voorhoeve en Agathon, onderdeel van samenwerkende uitgeverijen Meulenhoff Boekerij

Uitgeverij Agathon

MINDBOOKSATH : athenaeum