Leesfragment: De trip naar het morgenland

27 november 2015 , door André Klukhuhn
| |

In samenwerking met Recensieweb.nl richten we de schijnwerpers op Nederlandse prozadebuten. Deze maand vindt u op onze site uitgebreide leesfragmenten uit de debuten van Anne Eekhout, Michiel Heijungs, Roman Helinski en André Klukhuhn.

In februari verscheen André Klukhuhns fictiedebuut De trip naar het morgenland. Op Athenaeum.nl een uitgebreid fragment. 'Veel meer dan dat vage idee en onze reislust hadden Joris en ik niet gemeen. Hij: een innemende en artistieke vrijbuiter die weinig dingen serieus nam, tuk op meisjes en met een vader die zijn aanzienlijke kapitaal bij elkaar had geharkt met een Gooise groothandel in tuingereedschap. En ik: een ernstig en ijverig studerend koekoekskind uit een armoedig rood nest in een sombere Amsterdamse arbeiderswijk en eenkennig verliefd op het met haar Slavische gezicht en goudblonde haar onwerelds mooie wezen Elf.'

Een leefgemeenschap in het Amsterdam van de jaren zeventig. Twaalf hippies, onder wie zes vrouwen, vijf mannen en een kind, leven naar de nieuwe naoorlogse tijdgeest samen in een driekamerappartement in Amsterdam-Noord. Wat hen bindt is hun reislust en het verlangen naar een ideale wereld. Er hangt een constante sfeer van liefde en vrede door het vele gezamenlijk musiceren en het drugsgebruik.
Ze komen toevallig in het bezit van een Urker botter, waarmee ze besluiten een reis te ondernemen - een ‘magische’ reis naar het morgenland. Via de binnenwateren komen ze van Zeeland in België en Frankrijk terecht, om te eindigen in San Remo. Onderweg proberen ze in hun levensonderhoud te voorzien met optredens op dorpspleinen, het verkopen van zelfgefabriceerde schilderijen en sporadisch, als de nood hoog is, met diefstal van etenswaren. Maar met het toenemen van de welstand - er worden auto’s en paarden en huifkarren aangeschaft - veranderen ook de onderlinge verhoudingen in de commune en verschijnen de eerste barsten in de voordien zo hechte gemeenschap. Uiteindelijk zinkt de botter naar de bodem van de Middellandse Zee. De aanvankelijke vanzelfsprekende overeenstemming wordt meer en meer overschaduwd door misverstanden en onbegrip. Ook de commune lijkt af te stevenen op een definitieve schipbreuk.

1
De Uk

Toen Joris en ik nog hippies waren, met het haar tot halverwege de rug, speelden we samen vaak gitaar en bongo tussen de bloemenkinderen in het Vondelpark. De songs van Cat Stevens en Donovan stonden hoog op onze hitlijst, maar veruit favoriet was Bob Dylans ‘The Times They Are a-Changin’, want dat de tijden aan het veranderen waren, dat wisten we wel zeker. The Age of Aquarius was immers aangebroken, we hadden Reis naar het morgenland van Hermann Hesse gelezen, en de vraag was niet óf we zelf ook op weg zouden gaan naar een andere, betere wereld, maar het wachten was alleen op wanneer dat ging gebeuren. Waar dat morgenland te vinden was wisten we niet, maar wel dat we ernaar op zoek moesten, weg van de benauwde, materialistische en kleinburgerlijke wereld met zijn hete en koude oorlogen en zijn schrijnende armoede tegenover zo veel overvloedige rijkdom. En had de in oosterse wijsheid geïnteresseerde Hesse niet zelf geschreven dat het niet ging om het doel, maar om de reis ernaartoe, de weg, tao?
Veel meer dan dat vage idee en onze reislust hadden Joris en ik niet gemeen. Hij: een innemende en artistieke vrijbuiter die weinig dingen serieus nam, tuk op meisjes en met een vader die zijn aanzienlijke kapitaal bij elkaar had geharkt met een Gooise groothandel in tuingereedschap. En ik: een ernstig en ijverig studerend koekoekskind uit een armoedig rood nest in een sombere Amsterdamse arbeiderswijk en eenkennig verliefd op het met haar Slavische gezicht en goudblonde haar onwerelds mooie wezen Elf. Hoe verschillend Joris en ik naar aard en afkomst ook waren, als tweemanschap waren we boeiend genoeg om onze rond het dozijn leden schommelende woongroep gedurende een aan tal jaren in een driekamerwoning in Banne-Buiksloot bij elkaar te houden. Als bindende factor bracht hij voornamelijk zijn vrolijke humeur en natuurlijke charme in, terwijl ik het meer van mijn belezenheid en interessante verhalen moest hebben. Joris’ succes bij de meisjes stoorde me overigens niet in het minst, want ik had al jaren een symbiotische relatie met Elf, die ik had ontmoet toen we samen nog op het lyceum zaten.

Bij mijn aanmelding als nieuwe leerling voor de vierde klas van het lyceum was het eerste wat me opviel een mededelingenbord waarop de namen van het schoolbestuur voor het komende jaar vermeld stonden, met helemaal bovenaan: ‘Praeses – Elfrieda van Beeck’, en ik bleef gebiologeerd naar die naam staan staren. Gek genoeg was ik eigenlijk al verliefd voor ik wist om wie het ging, en toen ik ontdekte dat Elf en ik ook nog in dezelfde klas zaten was er helemaal geen houden meer aan. Ik had kort daarvoor een oude piano gekregen waarop ik mezelf leerde spelen, en toen er een schoolorkestje bleek te bestaan waar zij bij zong en dat een paar keer per week in de gymzaal van het lyceum repeteerde, heb ik mij overmoedig aangemeld als pianist. Vrijwel meteen al heb ik het risico genomen een blauwtje te lopen en haar – het was 19 januari 1959, de enige datum die ik nooit zou vergeten - gevraagd of ze een halfuurtje eerder op de repetitie wilde komen om samen met mij nog even iets door te nemen. Ik had het idee dat als ze zou weigeren ik aan een kansloze missie bezig was, maar dat ik er hoop uit mocht putten als ze het een goed idee vond en erop in zou gaan. Toen ze ja zei heb ik voor de gelegenheid een muziekstukje – mijn eerste en enige compositie voor pianosolo – ingestudeerd en haar, na dat met twee vingers en een paar fouten van de zenuwen voorgespeeld te hebben, in het schemerdonker van de gymnastiekzaal mijn liefde verklaard. Ik bleek het pleit gewonnen te hebben, want terwijl ik van wege mijn knikkende knieën quasinonchalant met één arm op de piano ondersteuning zocht, liep ze langzaam en zwijgend naar me toe. Die avond hebben we elkaar voor de eerste keer lang en innig gekust, waarbij onze zielen versmolten en de wereld veranderde in een schitterend, geluidloos vuur - werk dat onverminderd voortduurde tot de andere leden van het orkestje binnenkwamen om met de repetitie te beginnen. Sindsdien waren Elf en ik nagenoeg onafscheidelijk, liepen we hand in hand door het schoolgebouw, maakten we samen ons huiswerk en aten we geen boterham zonder elkaar niet eerst een hapje te hebben gegeven. Het lichamelijke verlangen gaven we kunstzinnig vorm door elkaar naakt te tekenen, terwijl we luisterden naar de liederen van Franz Schubert, waar we soms bij moesten huilen van ontroering bij het aanhoren van zo veel romantische smart. Op een enkel blad van het schetsboek waarin ik met houtskool en conté de spannende welving van Elfs buik en borsten probeerde vast te leggen is de spat van een traan nog terug te vinden. Onze wederzijdse liefdesverklaringen deden we bij voorkeur in de vorm van gedichten die we plechtig aan elkaar voorlazen:

Voor Elf

Een stil en wazig zweven in een wolk van kleuren
Deed de grens der aardsheid langzaam openscheuren;
De tijd stond stil en afstand ging verloren.

Een nieuwe wereld vaag nog en verward,
Ontvouwde zich voor ’t oog van ziel en hart
En met die wereld werd een nieuw geluk geboren.

Soms, als de drukte van de woongroep ons te veel werd en het me lukte me even van Elf los te maken, trokken Joris en ik er samen tussenuit zonder nadere aanduiding dan richting het zuiden. Tijdens een van die lifttochten werden we in Frankrijk een stukje meegenomen door een verzekeringsagent van middelbare leeftijd met een Citroën ds. Onder invloed van de nieuwe tijdgeest en zijn midlifecrisis was hij net gaan twijfelen aan de zin van zijn louter om status en geld draaiende bestaan, en op ons aanraden nam hij als remedie zijn eerste voorzichtige trekjes van onze joint. Hij bleek er zeer gevoelig voor te zijn en door zijn plotselinge nieuwe inzichten raakte hij zo van slag dat hij de macht over het stuur verloor en zijn ‘snoek’ met een sprong in de sloot langs de weg terechtkwam. De chauffeur en ik kwamen als door een wonder met een nat pak en de schrik vrij, maar Joris’ rechterbeen raakte zo ernstig bekneld dat hij door de politie uit het verkreukelde blik moest worden gezaagd. Gelukkig had ik de tegenwoordigheid van geest het restant van de joint meteen in het water te mikken, zodat de dampen bij de komst van de wetsdienaren al waren opgetrokken. Als het verband tussen het ongeluk en de wiet aan het licht was gekomen, hadden we daarvoor in Frankrijk zeker een jarenlange straf moeten uitzitten.
Als prettige bijkomstigheid bleek dat de verzekeringsagent er altijd naar had gestreefd niets aan het toeval over te laten en zichzelf goed had ingedekt tegen alle denkbare risico’s, zodat Joris aan het ongeval behalve een moeilijke gang ook een ruime financiële genoegdoening overhield. Het bezit van meer geld dan hoogst noodzakelijk vonden we weliswaar ongepast, maar als het toevallig in zo’n grote hoeveelheid op ons af kwam kon het, om blijvende besmetting te voorkomen, het best maar meteen weer worden uitgegeven en we besloten er een botter van te kopen. Niet mijn eerste keus met een naar eten en drugs hongerende woongroep op de achtergrond, maar tenslotte had Joris met zijn ongelukkige been het meeste recht op zeggenschap over de besteding van het geld. Zelf liep ik levenslang al mank door een aangeboren afwijking, zonder daar ooit enige financiële compensatie voor ontvangen te hebben.

Met de palingvisserij was het al een tijdje slecht gesteld, zodat er genoeg botters voor een redelijk bedrag in de aanbieding waren. Na een verkenningstocht langs verschillende vissersdorpen aan de oevers van het IJsselmeer – Marken, Volendam, Enkhuizen, Muiden, Spakenburg en Bunschoten – viel onze keus op de uk 334, een bejaarde botter uit Urk. Die boot straalde met het dapper wapperende zwarte vaantje in top, voor ons zichtbaar uit onder een goed en avontuurlijk gesternte te varen en beschikte bovendien over een tweecilinder deutz dieselmotor, zodat er ook mee gevaren kon worden als het niet of juist te hard waaide. Van boten en varen hadden we weliswaar geen benul, maar de jonge Urker, die zich voorstelde als Gait, maakte een zeer betrouwbare indruk. Hij had zo zijn eigen droom en wilde het van zijn vader geërfde familiebezit voor goed geld wel aan ons kwijt. Maar voor ons gaf de doorslag dat hij als lokkertje een spoedcursus zeezeilen bij de prijs had inbegrepen en daar hadden we inderdaad grote behoefte aan.
Zo kwam het dat Joris en ik op een zomerse zaterdag in de late jaren 1960, met onze zojuist verworven platbodem, onder gezag van de voormalige eigenaar, vol vertrouwen een nieuwe, wolkeloze horizon tegemoet voeren. Als beginnetje van ons zeemansleven probeerden we te ont houden wat het verschil is tussen een tui en een gei.

Gaits reusachtige lichaamsbouw was ons meteen al opgevallen. Met zijn goed geoefende en in weer en wind geharde tors was hij bij koersverandering van de botter in staat om in zijn eentje het roer om te gooien en de helmstok met zijn dijen klem te houden, het ene zwaard op te trekken, tegelijk het andere te laten zakken, het fokkentouw om de mast te halen en ondertussen het grootzeil overstag te laten gaan, en dat allemaal in het zeer korte tijdsbestek dat voor een dergelijke manoeuvre is vereist. Bij een iets te traag tempo van handelen zou het ene zwaard door de druk van het water zo stijf tegen de romp worden geperst dat er geen beweging meer in was te krijgen en het andere juist van de boot worden losgerukt. Met de perfecte opvoering van dat kunststuk, waar Joris en ik als we het probeerden na te doen met ons tweeën handen, kracht en tijd voor tekort kwamen, elkaar alleen maar in de weg liepen en Gait ons steeds uit de penarie moest helpen, oogstte hij onze mateloze bewondering. Verder aangewakkerd door het aangename weer ontstond daar op het open water van het IJsselmeer een vriendschap voor het leven tussen de stugge Urker en de twee uitgelaten Amsterdammers, wat gezien de gesloten volksaard van de voormalige eilandbewoners wel bijzonder mag heten. ‘Nouw jonges,’ zei Gait als we weer eens aan het dollen waren, ‘jelui zun me ur ’n paor.’ ‘Gait,’ zeiden we dan, ‘jij bent me d’r ook eentje,’ en dan sloegen we elkaar joviaal op de schouders, wat Joris en mij zowat een ontwrichting opleverde.

Na Gait als afronding van de zeilcursus aan het eind van de dag in de haven van zijn woonplaats te hebben afgezet en, reeds met enige weemoed, afscheid te hebben genomen, staken we voor het eerst op eigen kracht van wal. Later die avond meerden we af aan de verlaten IJsselkade van het nabijgelegen Hanzestadje Kampen, uitgeput maar voldaan het karwei zonder noemenswaardige problemen te hebben geklaard. Met gereefde zeilen wiegde de botter op het zacht klotsende water, het hout kraakte, de touwen kreunden en er hing een voor nieuwbakken varensgezellen bedwelmende geur van algen, wier, teer en dieselolie. De meeuwen klaagden hun leed en wielden hun hypnotiserende spiralen in het roze zwerk boven de donkere contouren van de oude herenhuizen langs de kade. Onze laatste wiet inhalerend zonken we ruggelings uitgestrekt op het voordek steeds verder weg in dat betoverende cliché en neurieden tweestemmig Donovans ‘Jersey Thursday’. Ondanks mijn pijnlijk opgerekte spieren, de open blaren op mijn handen, een paar schrijnende schaafwonden en een verzwikte enkel, moest ik toegeven dat mijn aanvankelijke aarzeling onterecht was geweest en Joris het met zijn keuze voor het waterleven bij het rechte eind had gehad.
‘Out of sight, man,’ vatte ik mijn laatste oordeel over de situatie samen.
‘Yeah man, too much,’ beaamde Joris in onze hippe codetaal, want in normaal Nederlands was zo’n kosmische ervaring met geen mogelijkheid adequaat uit te drukken. We verkeerden in de mooiste roes sinds tijden, en zo ingedut kon Kampen niet zijn of er moest zelfs hier op een zaterdagavond wel een uitgaansgelegenheid voor de plaatselijke jeugd zijn te vinden waar we, na alle loomheid en vermoeienis van ons afgeschud te hebben, onze ontdekking van een nieuwe, vrije wereld vol zon, water, wind en wolken wat uitbundiger zouden kunnen vieren.

 

Copyright © 2014 André Klukhuhn

MINDBOOKSATH : athenaeum