Leesfragment: De val van Jakob Duikelman

27 november 2015 , door Anne-Marieke Samson
| | |

In samenwerking met Recensieweb.nl richten we de schijnwerpers op Nederlandse prozadebutenDeze maand vindt u op onze site uitgebreide leesfragmenten uit de septemberdebuten van Thierry Baudet, Emma Curvers, Bregje Hofstede, Anne-Marieke Samson, Olivier Willemsen en Femke van Zeijl.

23 september debuteert Anne-Marieke Samson met De val van Jacob Duikelman. Wij publiceren voor. 'Hij had het goed uitgedacht, zijn plan om te vertrekken zonder gezien te worden. Hij wist precies hoe hij het moest aanpakken, want had het anderen vaak genoeg zien doen. Volgens de aanwijzingen op het lijstje, dat hij ’s ochtends voor zichzelf had opgesteld, was hij stilletjes het kantoor uit geslopen. Niemand groeten, stond daarop. Niet langs Jeroens kamer lopen. Computer en licht aanlaten in je kamer.'

Jakob Duikelman slijt de stoffige dagen van zijn ambtenarenbestaan op zijn saaie ministerie, afdeling 3F: oorlogsmisdaden. Het leven is zinloos en waarom moet het zin hebben? Dat zegt Jakob regelmatig tegen wie het maar wil horen. Maar als Jakob verneemt dat hij niet lang meer te leven heeft, houdt hij dat angstvallig geheim voor zijn mooie Thaise vrouw Mai en zijn puberdochter Disi. Terwijl hij zich een weg baant door zijn strakgespannen web van leugens, raakt Jakob onverwacht in conflict met een Nigeriaanse ronselaar van kindsoldaten.

 

I

Jakob Duikelman

Daar staat hij. Zijn handen in de zakken, turend in de verte, tikkend met zijn voet op de maat van de muziek. Hij neuriet zachtjes mee met zijn favoriete deuntje: de intro van Hey Joe. Tiew da tiewdidiew daa. Ta da-da-dada. Jakob Duikelman vindt Jimi Hendrix de beste gitarist ooit. Hij heeft al zijn elpees.
Tussen de forensen staat hij diep weggedoken in de opstaande kraag van zijn jas. Te wachten op de trein die maar niet komt, schijnbaar diep in gedachten verzonken. Wie hem daar ziet staan zou misschien niet denken dat er in Jakob weinig anders omgaat dan paniek. Want aan Jakobs uiterlijk valt meestal weinig af te lezen.
In de glanzende ruit van de wachtruimte van het station bestudeert hij zijn spiegelbeeld, zijn onopvallende, magere postuur. Zijn grote zwarte bril, die toch weer een beetje scheef is gaan staan. De donkerblauwe pet, die hem iets onsympathieks geeft, maar waardoor het minder opvalt dat zijn slapen weer wat kaler zijn geworden de laatste tijd. En uit zijn jas steken de kromme benen van een oude man. Hij gaat maar wat rechter staan. Want oud is hij nog lang niet, Jakob Duikelman. Hij heeft wat tegenslagen gehad, maar oud, nee, dat is hij nog lang niet.

Jakob pakt zijn telefoon uit zijn zak en trekt een handschoen uit. De koelte van het schermpje tegen zijn vingertop stelt hem enigszins gerust. Hij wacht op het laadbalkje van een medisch forum waarop hij zich gisteren in een discussie heeft gemengd. Een kapotte lip die telkens openspringt, heeft iemand tips? Jakobs reactie is inmiddels verwijderd, ziet hij. Al zijn er zeventien reacties op gekomen. Enge man, leest Jakob. Niets van aantrekken, hoor. Het is vast geen kanker. Gewoon een koortslip of zo. Jakob glimlacht. Wat een kansloze mensen hangen er toch online, denkt hij. Uitkeringstrekkers, werklozen. De nuttelozen van het web. Vermiste jongens, leest hij op Facebook. Een moeder vraagt of iemand haar zoons heeft gezien, van wie sinds een kleine week niets meer is vernomen. Sommige ouders gaan er heel ver in de moord op hun kinderen te ontkennen, schrijft Jakob. Kijken hoe lang het blijft staan. Het is een dunne scheidslijn tussen een reactie die mag blijven en een reactie die wordt verwijderd, weet Jakob. Jakob is een koorddanser op die lijn.

Vanmiddag is hij wat eerder weggegaan van kantoor. Zo geruisloos en onopvallend mogelijk. Hij had het goed uitgedacht, zijn plan om te vertrekken zonder gezien te worden. Hij wist precies hoe hij het moest aanpakken, want had het anderen vaak genoeg zien doen.
Volgens de aanwijzingen op het lijstje, dat hij ’s ochtends voor zichzelf had opgesteld, was hij stilletjes het kantoor uit geslopen.
Niemand groeten, stond daarop. Niet langs Jeroens kamer lopen. Computer en licht aanlaten in je kamer. Hoorn van de haak leggen, stoel naar de deur draaien, zodat het zou lijken of hij een telefoontje had onderbroken om iets op te zoeken in het archief. Jas pas aantrekken in lift.
Alles gaat voorspoedig, schoot het door hem heen toen hij op het metalen knopje met de pijl naar beneden drukte. Als alles mislukte in het leven, kon hij altijd nog planner worden.

Normaal gesproken gaat Jakob altijd weg met veel bombarie, vertrekt hij nooit van kantoor zonder daar een paar woorden aan te besteden. Normaal gesproken mag iedereen weten dat het weer vier minuten voor vijf is, 16:56, het betreurenswaardige moment van de dag waarop Jakob Duikelman het pand gaat verlaten. Dat is zijn gewoonte.
‘Fijne avond, fijne avond,’ roept hij dan luidkeels elk kantoor in waar hij langs komt. Of: ‘Fijn weekend, tot maandag’, als het vrijdag is. Waarna hij altijd als laatste nog even stilstaat voor het kantoor van Jeroen, om met een uitbundig gebaar ook zijn baas gedag te zeggen, en te roepen hoe heerlijk zijn werkdag weer is geweest. Dat hij weer, als elke dag, niets heeft gedaan. En dat hij misschien nog niet klaar is met nietsdoen, maar dat hij ook niet dag en nacht op kantoor kan blijven. Dat hij nu naar huis gaat om ook daar vanavond niets te doen.
Ze kunnen me toch niet ontslaan, denkt hij dan tevre10 den als hij even later het kantoor uit wandelt. Want hij houdt van een beetje provoceren, Jakob Duikelman.
Maar geruisloos vertrekken was hem niet gegund vandaag, want uit de lift – hij had ook beter de trap kunnen nemen – stapte zijn baas, die zo te ruiken een sigaretje had gerookt in het rookhok op de vijfde.
‘Duikelman,’ riep Jeroen breed grijnzend, een schertsende blik in zijn ogen. Jakob had zich, geschrokken door deze tegenslag, nederig opgesteld, vurig wensend dat Jeroen zich niet zou herinneren dat hij Jakobs verlofaanvraag voor deze middag had afgewezen. Zijn baas maakte zich op zijn beurt in de opening van de liftdeur zo breed mogelijk, met twee handen de sluitende liftdeuren blokkerend.
‘Wat doen wij hier, Duikelman?’ vroeg Jeroen, zijn hoofd omlaaggebogen naar Jakob. ‘Wat doen wij hier zo met onze jas onder onze arm? Waar denken wij naartoe te gaan zo vroeg op deze middag? Ik kan me niet een-tweedrie herinneren dat ik iets in de afdelingsagenda heb zien staan over verlof van ene meneer Duikelman.’ Jeroen had een korte stilte laten vallen, waarin hij plechtig naar het plafond staarde. ‘Sterker nog,’ ging hij verder. ‘Ik meen me te herinneren, Jakob Duikelman, vaag hoor – vaag vaag vaag – dat ik geen toestemming heb gegeven voor dit lekkere lange weekend weg met vrouw en kind. En nu staat we hier met onze jas onder de arm, meneer ik-doealtijd- lekker-waar-ik-zin-in-heb. Vertel eens: waar zijn we naar op weg?’
Het schoot Jakob plots te binnen wat hij moest zeggen.
‘Ik ga gewoon even een peuk roken, Jeroen. Buiten. Het is best lekker weer. Met Klaas, maar die neemt de trap. Ik ga zo weer verder met nietsdoen,’ zei hij, en hij had zijn pakje sigaretten uit zijn zak gehaald en uitnodigend aan zijn baas voorgehouden. ‘Ook eentje?’
Dat bleek een goede tactiek, want Jeroen sprong de lift uit, dingen roepend als dat hij die gore peuken van Jakob niet hoefde. Dat iedere kankerstok zijn laatste kon zijn. Dat hij niet zoveel van zijn kostbare werktijd – schaal elf, hè, schaal elf – in het rookhok moest hangen. Want Jeroen heeft altijd het laatste woord.
Jakob luisterde maar half, terwijl de deuren van de lift zich achter hem sloten, en snelde opgelucht naar het station van Hoofddorp. Normaal gesproken rent Jakob niet, voor niemand niet, en al helemaal niet voor een trein. Maar vandaag is anders. Vandaag is geen dag om principieel te doen. Hij moet over anderhalf uur in het ziekenhuis zijn.

In het ondergrondse treinstation van Hoofddorp is het waterkoud. Het is dan wel overdekt, maar de wind schiet door de tunnel en graait als koude handen in zijn nek. Uit het plafond vallen dikke bruine druppels grondwater, die een groezelige plas op het perron vormen.
Er komt een collega aan. Die bolle, die carrièretijger, die altijd zit te smoezen met de baas, en die nooit eens iemand met rust kan laten. Jakob haalt een dopje uit zijn oor, krult zijn mondhoeken vriendelijk omhoog, en knipoogt haar met twee ogen gedag.
‘Sjaakie!’ zegt de collega enthousiast. ‘Hallal!’
Jakob draait zijn gezicht weg en haalt ook het oordopje uit zijn andere oor. Hij mompelt ‘hallal’ terug, vurig hopend dat ze door zal lopen.
‘Alles koosjer?’ grapt ze. Haar gezicht staat op altijd vrolijk, zo nep.
‘Ja,’ zegt hij. ‘Ja hoor. Het leven is schitterend. Of schijtvervelend. Het is maar net hoe je het bekijkt. Maar vandaag neig ik naar de optimistische kant. Vrijdag hè? Thuis staat een lekker pijpje bier te wachten.’
‘En loempia’s?’ Ze kijkt hem vragend aan. ‘Of nog niet? Is je vrouw alweer wat beter?’
Jakob fronst zijn gezicht. Deze dame onthoudt ook alles. Die moet je dus niet te veel vertellen. Hij graaft in zijn geheugen. ‘Ja, met Mai gaat het wel weer wat beter,’ zegt hij, en peilt haar gezicht of hij nu genoeg heeft verteld. Nog een klein beetje dan. ‘Ze heeft nieuw gips en de foto’s zagen er goed uit, dus ze zal wel weer gauw ronddartelen als een jong hert.’ Zo moet het genoeg zijn. ‘En loempia’s bakken, inderdaad,’ voegt hij er nog aan toe. ‘Maar we hadden er nog wel genoeg in de vriezer liggen om het een tijdje uit te zingen.’ Hij lacht vriendelijk. Als ze nu niet begrijpt dat ze hier niet al te lang over door moet gaan, is ze nog dommer dan hij dacht.
‘Kun je zelf niet koken?’ vraagt ze. ‘Ik dacht dat jij dat wel zou kunnen.’
‘Is loempia’s in de frituur gooien koken? Is pizza’s in de oven stoppen koken? Dan kan ik het.’ Jakob lacht en laat zijn schouders zakken. ‘Pizza met tonijn. Dat is mijn specialiteit. Uit de diepvries. Die kan ik waanzinnig goed in de oven schuiven.’
Ze turen voor zich uit naar de mensen op het andere perron. Door de tunnel schalt een bericht over vertraging en winterse problemen.
‘Gaat het goed met je dochter?’ vraagt de collega. ‘Heeft ze het leuk op de middelbare school?’
Hij knikt, maar zegt niets. Je hebt geen idee, denkt hij.

Disi gaat nu naar de middelbare school, ja. En het gaat goed met haar. Hij ziet haar veranderen; hij ziet jongens die haar thuisbrengen en die verliefd op haar zijn, maar zij vindt ze altijd stom.
‘Stomme sukkels, papa,’ zegt ze dan. En: ‘Je bent de liefste papa van de wereld. Zo lief. Dat verdient een bloemetje’, en dan woelt ze met haar handen door zijn haar. Disi is helemaal niet boos op hem, nooit. En ze praat nooit over haar moeder. Mai is nu haar moeder.
Jakob praat graag met zijn dochter. Hij houdt van haar mollige handjes die zachter zijn dan de wolligste geitjes in Nigeria. Jakob houdt van haar grapjes en haar intelligente kijk op de wereld. Disi leerde binnen een mum van tijd Thais van Mai. Dat heeft ze van hem, taalgevoel. Ze is serieus op school, altijd hoge cijfers. Dat heeft ze dan weer niet van hem. Als hij komt praten over haar rapport zeggen haar leraren hem dat ze het nog ver zal schoppen. Dan kijkt hij hen aan. Speurt hij hun gezichten af, op zoek naar spot of cynisme. Maar dat heeft hij nooit kunnen vinden. ‘Uw dochter is een bijzonder kind,’ zeggen de leraren.
Zelf is hij de gewoonste man van de wereld. ‘Ik ben Jakob, ik hou van bier en vrouwen,’ zegt hij ’s ochtends tegen zijn spiegelbeeld. ‘Ik heb geen hobby’s en geen principes. Ik heb een mooie vrouw, beter kan ik niet krijgen. Als ik haar was, zou ik bij me weggaan. Ik heb een huis aan de Boterbloemkreek. Met schrootjes in de woonkamer, dat wel, maar die laat ik wel een keer weghalen. Ik heb een fijne baan met een keurig salaris, waarvoor ik maar weinig hoef te doen. Ik heb een mooie, slimme dochter, die het goed kan vinden met mijn nieuwe vrouw.’
Wat kan een mens zich nog wensen?

[...]

 

Copyright © 2014 Anne-Marieke Samson

Uitgeverij De Arbeiderspers

MINDBOOKSATH : athenaeum