Leesfragment: De volcontinu

06 oktober 2014 , door Philip Snijder
|

Philip Snijders nieuwe boek De volcontinu is verschenen. Fragment! ‘Maar vanaf het ogenblik dat een zwaar, traag gebonk in de gang opoes komst naar de huiskamer aankondigde, staat iedere seconde me helder bij, althans, dat was sindsdien altijd mijn overtuiging. Dat moet ergens kort na negen uur geweest zijn, want niet lang daarvoor had ik mijn vader ongerust op de klok gewezen, waarop hij met een glimlach zei: “Nee, vandaag hoef je niet naar school.” Als een enorme donkere massa, maar met een lichte vlek op borsthoogte, verscheen mijn grootmoeder achter de deurruitjes.'

 

Een jongetje van tien is getuige van de commotie rond de geboorte van zijn zusje; een zestienjarige jongen blowt zich een psychose in; een vijftigjarige man veroorzaakt het levenseinde van een verre neef. De mannelijke ik-figuur in De volcontinu duikt weliswaar op in verschillende levensfasen, maar is steeds een buitenstaander wiens gevoelswereld en wijze van observeren verwant zijn aan die van de naamloze verteller uit Zondagsgeld, Retour Palermo en Het geschenk - boeken die vooral spelen in de kinderjaren en vroege volwassenheid. In De volcontinu staan steeds ervaringen centraal die onuitwisbare sporen nalaten in de persoonlijkheid van deze ik. Philip Snijder excelleert ook hier in geestig-pijnlijke en scherpe momentopnames van een leven aan de zijlijn.

N.B. Wij publiceerden eerder voor uit Retour Palermo en Het geschenk. Lees de fragmenten op Athenaeum.nl.

 

Smeren

Ik was net tien jaar oud. Onze woning had maar één slaapkamer, waarin tegenover het bed van mijn ouders ook het mijne stond. Ergens halverwege de nacht was ik wakker geworden van hun stemmen. Die hoorde ik wel vaker in halfslaap vanuit mijn bed – soms zacht maar fel ruziemakend, soms verhit en ingehouden hijgend –, maar deze keer fluisterden ze niet en leek het feit dat ze de nachtrust van hun zoon konden verstoren ze niet in het minst bezig te houden. Mijn moeder stootte voortdurend korte, diep vanbinnen komende keelklanken uit, iets tussen een snik en een kuch in. Daartussendoor kreunde ze telkens: ‘O, wat een pijn, o, wat een pijn.’ De grote lamp aan het plafond was aan, het scherpe licht beet in mijn slaperige ogen. Onder die lamp stond mijn vader, telkens bijna omvallend, haastig en onhandig zijn broek aan te trekken.
‘Ik ga meteen bellen.’ Door het gekreun van mijn moeder heen sprak hij op haar in. ‘Ik ga meteen bellen, ik ga meteen naar de telefooncel op de brug, meteen iedereen bellen…’
Ik liet blijken dat ik wakker was, waarop mijn vader me met zich meenam naar de huiskamer. Met een deken om me heen werd ik in een leunstoel ondergebracht, vlak voor de gloeiende kolenhaard. Mijn vader zei dat hij ‘heel eventjes’ naar buiten ging, legde tegen mijn opgetrokken bovenbenen een stripboek – Kuifje en het zwarte goud – en verliet het huis. In de kamerdeur naar de gang zat een groot paneel van rode en blauwe glas-in-loodruitjes. Fladderige lapjes van doorzichtig plastic vervingen de ontbrekende ruitjes. Ik staarde ernaar, bang dat ik daardoorheen kreten of geroep van mijn moeder zou opvangen, wat gelukkig niet gebeurde.
Misschien ben ik toen toch weer in slaap gevallen. In mijn geheugen is het huis het volgende moment vol activiteit en spanning. Mijn dichtbij wonende dikke grootmoeder was gekomen om haar dochter bij te staan. Opoe had even haar hoofd met matglazen bril door de deuropening gestoken om me met haar basstem te begroeten.
‘Dag, pik, je krijgt een broertje of zussie, hè?’ zei ze, om met haar jas nog aan direct door te waggelen naar de slaapkamer. Ze had een jongere dochter bij zich, die de slecht lopende vrouw tijdens de nachtelijke schuifeltocht tussen de twee woningen moest begeleiden en ondersteunen. Deze tante kreeg tot taak mij bij de kachel gezelschap te houden en Kuifje met me te lezen, zodat mijn vader zijn handen vrij kon hebben. Ik had in het halletje ook nog een onbekende vrouwenstem gehoord, de wakkere, beschaafde spraak sterk afwijkend van het luie, platte Amsterdams dat ik om me heen gewend was. Door de gekleurde ruitjes in de deur had ik van deze persoon alleen het rijzige silhouet gezien met een grote tas in de hand. Mijn vader nam de vrouw meteen na binnenkomst mee de gang in, naar de slaapkamer.
Van de uren die daarna zijn gevolgd, hebben maar enkele details een blijvende plaats in mijn geheugen gekregen, misschien ook omdat sommige later zijn gepromoveerd tot anekdotes die in de familie regelmatig werden opgehaald. Toen de jonge tante naast me in de brede leunstoel even was weggedommeld, haar hoofd opzijgezakt, heb ik in een vlaag van loze experimenteerdrang en balorigheid de nog halfvolle plantengieter gepakt en haar oorgat en -schelp heel voorzichtig tot de rand gevuld met lauw water. Pas toen de holte overstroomde, schrok tante Gerda wakker en sprong verward en lacherig overeind. ‘Wat flik jíj me nou?’
Mijn vader liep de meeste tijd rokend heen en weer tussen de keuken, de gang en het halletje, maar af en toe kwam hij ook even de huiskamer binnen. Dan haalde hij zijn hand door mijn haar, begon een vers sjekkie te draaien, en sprak vervolgens exact dezelfde serie zinnetjes, meer tegen zichzelf dan tegen zijn zoon en schoonzus bij de kachel.
‘Horen jullie hoe die vloerplanken kraken als er iemand in de gang loopt? En dan precies daar bij de slaapkamer. Wat een pokkegeluid! Daar sla ik morgen een paar van zúlke spijkers in. Een paar van zúlke spijkers sla ik daarin.’ Daarbij wees hij tussen zijn handen een gigantische lengte aan, die in de loop der jaren groeide iedere keer dat zijn uitspraak op familiebijeenkomsten onder hilariteit werd geciteerd.
En ik weet vreemd genoeg ook altijd nog dat ik vroeg in de ochtend samen met tante Gerda een paar sneetjes witbrood heb gegeten, met een dikke laag Blue Band en hagelslag erop. Niet echt bijzonder, want dat at ik op mijn tiende elke dag, ’s morgens en ’s middags.
Tussen die paar momenten door is het blank in mijn geheugen, of beter, donker. Misschien dat ik tegen mijn tante aan heb liggen slapen, of zat te staren naar de hypnotiserende vlammetjes achter het raampje van de kolenkachel.
Maar vanaf het ogenblik dat een zwaar, traag gebonk in de gang opoes komst naar de huiskamer aankondigde, staat iedere seconde me helder bij, althans, dat was sindsdien altijd mijn overtuiging. Dat moet ergens kort na negen uur geweest zijn, want niet lang daarvoor had ik mijn vader ongerust op de klok gewezen, waarop hij met een glimlach zei: ‘Nee, vandaag hoef je niet naar school.’
Als een enorme donkere massa, maar met een lichte vlek op borsthoogte, verscheen mijn grootmoeder achter de deurruitjes. Door de lapjes plastic kwam nu behalve opoes zware stem, die steeds maar quasi-geërgerd ‘Ja, ja, ja…’ en ‘Rustig jij!’ bleef brommen, ook een zacht, vochtig gekraai de kamer in waaien.
Vanuit mijn buik steeg een kolkende wolk van ongeloof en verwarring in me op. Het idee dat op de drempel van onze huiskamer een nieuw mens was gearriveerd die geluid kon maken en die bij mij hoorde, die altijd bij me zou horen, was te groot om al een plaats te vinden in mijn bewustzijn. Maar wel was er onmiddellijk het besef dat dit niet een van opoes vele geintjes kon zijn en dat ze – hoewel ze daartoe onder andere omstandigheden zeker in staat zou zijn geweest – heus geen geluid producerend fopding uit de feestwinkel op het zachte tafeltje van haar boezem had gelegd.
Mijn vader, die op dat moment ook in de huiskamer was, rende op de deur toe en trok die open. Tante Gerda en ik sprongen tegelijk op uit de leunstoel.
Met een goed gevulde witte doek tegen zich aan gedrukt kwam opoe de kamer binnenstappen. Klein als ik was, zag ik alleen de onderkant van het pakketje, zonder van de baby die zich daarbinnen moest bevinden iets te kunnen ontwaren. Wel zag ik dat de doek op sommige plaatsen heel schuchter bewoog en dat er zich telkens ergens in het katoen een flauw plooitje vormde, dat meteen wegtrok om op een andere plek op te duiken.
Mijn vader stond met een verwilderde grijns en glimmende ogen te staren naar opoes elleboogholte, waar ze de doek een stukje voor hem had weggevouwen. De uithalen en snikken die uit de opening opstegen, klonken nu verbazend luid, alsof opoe een of andere grote, boos schreeuwende vogel, een meeuw of gans, in die doek in bedwang moest houden.
‘Ik weet nog niet eens wat het is!’ riep mijn vader opeens, en zijn poging er hartelijk bij te lachen, schoot uit in een vreemd hoog gegiechel dat ik nooit eerder van hem had gehoord. Het volgende moment legde opoe de doek met inhoud op het dikke, hoogpolige kleed dat de grote tafel bedekte, tussen de bloemenvaas van paars glas en de bijbehorende asbak. Ik schoof huiverig dichterbij en wrong me tussen mijn vader en tante naar voren tot ik goed zicht had op de nu geheel opengeslagen doek.
Het eerste waarnaar mijn blik werd getrokken, waren opoes handen. Van zichzelf al groot en gezwollen hadden die, nu ze elk een ongeloofwaardig klein beentje vasthielden, schrikaanjagende afmetingen aangenomen. Opoe trok de beentjes iets verder uit elkaar. ‘Jij wou weten wat het is, Jopie?’ klonk haar hese rokersstem. ‘Nou, kijk zelf maar. Da’s een kut, hè?’
Mijn vader, die nooit echt gewend was geraakt aan het grove taalgebruik in zijn schoonfamilie en daarop doorgaans met verkrampte, ingehouden afwijzing reageerde, schoot nu in een snuivende lach. ‘Nou, zeker!’ zei hij.
Opoe wendde zich tot mij: ‘Je heb een zussie, pik.’
Ik probeerde ontroering en grote blijdschap uit te stralen, zoals ik voelde dat van me werd verwacht, maar wist niet te voorkomen dat ik begon te blozen. Met een zo breed mogelijke lach keek ik naar het mij voorgehouden lijntje, zo recht dat het langs een liniaal in het met bloed en wittig slijm besmeurde babyvlees leek te zijn gekerfd. Tot mijn verbazing zag ik dat de ‘kut’ waar opoe ons op had gewezen niet meer was dan een korte voortzetting van de spleet tussen de twee billetjes. Iets boven het eindpunt van de lijn, midden op het deinende buikje, stuitte mijn blik op een bloederig, omhoogstekend ventiel dat, ongetwijfeld om te zorgen dat mijn zusje niet leegliep, met een plastic klem was dichtgesnoerd. Geschrokken van deze aanblik keek ik er snel van weg.
Nu liet opoe de beentjes los, legde een hand achter het hoofdje en zei: ‘En kijk ’s effe wat een kop met zwart haar! Drie keer raaien van wie ze dát heb…’
Ook mijn vader strekte een hand uit naar het natte, glimmende haarmutsje van zijn vijf minuten oude dochter en streek er heel zacht met zijn wijsvinger over.
Het was inderdaad diep zwart, zag ik, zwarter nog dan dat van mijn vader zelf. Zo lang was het dat er een lok op haar voorhoofd lag, die modieus in model gekamd leek. Zelf had ik ook zo’n lok – zij het donkerblond –, die me volgens mijn moeder en tantes sprekend op het kindsterretje Heintje deed lijken. Ik liet mijn blik zakken, naar het gezichtje onder de lok van mijn zusje.
We moesten nu meteen voor eens en voor altijd goed kennismaken, mijn zusje en ik. Opeens leek me dat een zaak van het allergrootste belang. Ik moest haar intens aankijken en haar met de gloed in mijn ogen laten blijken hoe blij ik was met haar komst, terwijl zij de kans moest krijgen haar grote broer voor het eerst op te nemen, om hem te keuren.
Maar de ogen van mijn zusje leken nog het meest op twee kleine, horizontale stukjes van de streep tussen haar benen. Geen millimeter oogwit of pupil was er te zien onder de inkeping in die stijf gesloten kussentjes. Ik had het idee dat ze haar mond zo ver moest opensperren om al dat geluid voort te brengen dat haar ogen via haar wangen daardoor werden dichtgeknepen.
‘Zo, dan gaan we nu maar ’s even kijken,’ klonk opeens een deftige, zangerige vrouwenstem achter ons. De vroedvrouw, met een wit schort voor, legde een hand op mijn hoofd, een gebaar waarmee ze me liefkozend begroette en tegelijkertijd duidelijk maakte dat ik een stukje opzij moest.
‘Is goed, juffrouw Mandenmaker,’ zei opoe. ‘Dan gaan ik weer naar me arreme kind toe. Och, wat heb ze gelejen… Loop jij ook maar effe mee, Ger.’
Ze maakte zich los van de tafel. Ik keek haar hobbelende gestalte na terwijl die, met tante Gerda in het kielzog, door de kamerdeur verdween.
In de minuten daarna volgden mijn vader en ik, van enige afstand om niet in de weg te staan, de handelingen die de vroedvrouw bij mijn zusje verrichtte. Mijn vader had mijn nek vastgepakt en kneedde die, en samen keken we hoe de vroedvrouw het blote, nog steeds luid krijsende lijfje in allerlei houdingen en standen manoeuvreerde. Op nogal ruwe wijze, vond ik. Mijn zusje werd zelfs in staande positie gezet, op haar nog zo broze en onbruikbare beentjes, waarmee ze uit protest dan ook boos begon te trappelen. Toen ze zo in verticale positie boven de tafel hing, was ik even bang dat de vroedvrouw nu, als laatste test, haar handen onder de okseltjes weg zou halen. Maar ze legde mijn spartelende zusje terug op de witte doek, liet haar los en begon rustig en zorgvuldig haar grote handen over elkaar te wrijven. Zich naar mijn vader en mij kerend verklaarde ze glimlachend: ‘Dat wittige vet op die pasgeboren lichaampjes is heel goed voor je huid. Lekker zacht. Wil de jongeman het misschien eens proberen?’
Voor ik begreep wat de vrouw bedoelde, had ze haar vingertoppen over de borst van mijn zusje gehaald, mijn hand gepakt en in de palm daarvan afgeveegd wat zich op haar vingers had verzameld. ‘Smeer maar flink uit, hoor!’ moedigde ze me aan, waarna ze zich van ons afwendde en zich weer over de baby boog.
Samen met mijn vader bekeek ik mijn open hand. Het was niet bepaald een weelderige dot Niveacrème die daar lag, eigenlijk zag je niet veel meer dan dat de muis van mijn hand een beetje glom. En toch wist ik meteen dat ik daar, alleen op dat deel van mijn hand, heel duidelijk het ‘lekker zachte’ voelde waarop de vroedvrouw had gedoeld. Het was daar ook al een beetje gaan gloeien. Ik had zelfs de indruk dat het zachte en warme gevoel uitstraalde door mijn huid heen en via het vlees van mijn hand omhoog wilde kruipen naar mijn pols, en dan mijn arm in, en verder. Ik keek op naar mijn vader en probeerde een grijns rond mijn mond te plooien die moest uitdrukken dat ik niet goed wist wat ik hier nou mee aan moest. Zo’n grijns die mijn vader dan zou overnemen om me te steunen in mijn mening dat deze rare handensmeerderij met babyvet toch niks voor een jongen was.
Maar ik voelde dat mijn gelaatsspieren zich weer eens niet door me wilden laten besturen. Verkrampt en benauwd, mijn hoofd kloppend van het blozen, stond ik in mijn pyjama voor hem.
Mijn vader knikte me glimlachend toe en zei zacht: ‘Ik zou het maar gewoon doen. Baat het niet dan schaadt het niet, hè…’
Ik keek nog eens naar wat er zich afspeelde op de grote tafel. De vroedvrouw had mijn zusje net weer helemaal ingepakt, tilde de bundel op en maakte aanstalten de kamer te verlaten. In de deuropening keerde ze zich nog even om. ‘Dit mooie kind gaat weer naar haar moeder,’ zei ze. Ze bracht haar arm zo omhoog dat voor mijn vader en mij het gezichtje goed te zien was. Het huilen was overgegaan in een soort keffen, de oogjes zaten nog steeds potdicht. ‘Zeg maar dag, pappa, dag, grote broer!’ zei de vroedvrouw. Met haar vrije hand zwaaide ze even zelf.
Terwijl ze met mijn zusje het halletje in liep, en vandaar de gang in, spitste ik onwillekeurig mijn oren om de wegstervende babygeluiden zo lang mogelijk te kunnen opvangen. Uiteindelijk keerde ik me weer naar mijn vader en zag hoe zijn geamuseerde blik gericht was op de handen van zijn zoon, die ik, zo realiseerde ik me nu pas, verwoed over elkaar stond te wrijven.

 

© 2014 Philip Snijder

Uitgeverij Atlas Contact

MINDBOOKSATH : athenaeum