Leesfragment: Dwars tegen de keer. Leven en werk van Ida Gerhardt

27 november 2015 , door Mieke Koenen
| | | | |

12 oktober verschijnt Mieke Koenens Dwars tegen de keer. Leven en werk van Ida Gerhardt. Wij publiceren voor. ‘Ida's debuutgedicht heet "Kinderspel". Er komen thema's aan de orde die in haar werk een belangrijke plaats zouden krijgen: de verwevenheid van macrokosmos en microkosmos en de onbevangen aandacht waarmee een kind volledig in zijn bezigheden kan opgaan. […] Het thema van opperste concentratie en toewijding heeft in Ida's oeuvre ook een poëticale dimensie: ontvankelijkheid en onafgebroken aandacht zijn noodzakelijke voorwaarden voor het dichterschap.’

Ida Gerhardt (1905-1997) is een van de belangrijkste Nederlandse dichters. Zij schreef poëzie die haaks stond op de revolutionaire tijdgeest van de jaren vijftig en zestig, maar wist toch uit te groeien tot een bekend en geliefd schrijfster. Haar Verzameld Werk beleefde dertien herdrukken en in Gerrit Komrijs bloemlezing uit de Nederlandse poëzie zijn tien gedichten van haar opgenomen, het maximumaantal. Voor het eerst verschijnt nu een volledige biografie. Op basis van talrijke nieuw ontdekte archiefstukken, brieven, lezingen en ongepubliceerde gedichten schetst Mieke Koenen de verbanden tussen Gerhardts werk en haar levensloop: haar gecompliceerde relatie met haar familie, gymnasiumtijd als leerling van de dichter Leopold, studietijd in Leiden en Utrecht, leraarsbestaan in Kampen (toen zij bijna in een concentratiekamp belandde), de periode in Bilthoven, waar zij de gymnasiumafdeling van De Werkplaats van Kees Boeke leidde, en de vruchtbare jaren in Eefde, toen haar werk veelvuldig werd bekroond en er een rel ontstond rond haar psalmenvertaling. Mede door een diepgeworteld gevoel van miskenning en een allesoverheersende passie voor haar poëzie was Gerhardt een markante en eigenzinnige vrouw. Zij had een grote liefde, die meer dan vijftig jaar haar levensgezel was: Marie van der Zeyde. Haar levensloop is ook vervlochten in deze biografie.

Intro

Donkere moedergrond

Ida had geen kinderen, maar haar gedichten gaan vaak over kinderen. Een jongen die op het strand vol overgave een zandkasteel bouwt, een meisje dat in een boek verdiept is of een scholier die spelenderwijs Griekse teksten vertaalt. Vaak is er sprake van angstige, eenzelvige of anderszins kwetsbare kinderen, die hun argeloosheid al vroeg hebben verloren. Deze thematiek doet vragen rijzen: hoe heeft de dichteres haar eigen kindertijd ervaren? Hoe keek zij aan tegen haar familieleden en ouderlijk huis? Haar beide zussen figureren in haar poëzie evenals haar grootouders en vooral haar ouders. Deze familiegedichten zal ik uitgebreid aan de orde stellen en waar mogelijk confronteren met gegevens die ik elders aantrof. Ik stip alvast aan dat uit de vadergedichten een positief beeld rijst. ‘Dàt is een man daar kun je staat op maken’, luidt een zin uit het gedicht ‘In memoriam patris’. Maar met de moederfiguur is het anders gesteld. De gedichten waarin zij voorkomt zijn vaak uitermate beklemmend. Hier volgt een eerste impressie van deze aangrijpende teksten.
Enkele maanden na Ida’s vijftigste verjaardag verscheen Het levend monogram. De titel, die zinspeelt op de vis als symbool voor de onsterfelijke en alomtegenwoordige Christus, onthult niet dat de bundel begint met een reeks gedichten over een moeder. En ook de titel van deze openingsreeks, In memoriam matris, geeft nog weinig prijs. In het eerste gedicht wordt het thema aangereikt: ‘de gruwelen van mijn kinderjaren’. Pas in het tweede gedicht vindt de werkelijke confrontatie plaats. In deze tekst, die begint als een grafschrift, spreekt een kind dat strijd levert met een inmiddels overleden vijand:

De gestorvene

Hier rust, met stof gevuld de mond,
zij, die mij heeft gedragen;
zij, die mij naar het leven stond
in al mijn levens dagen.

En nu haar lichaam moet vergaan,
nu is zij in mij opgestaan.

– Ik kan haar niet verslaan. –

Nu ligt het thema van In memoriam matris voor ons: een moeder die door haar kind wordt gezien als een levensgevaarlijke tegenstander. De gedichten die volgen laten zich lezen als fragmenten en flarden uit een beladen familieverhaal. We krijgen niet alleen ervaringen uit de kindertijd van de ik-figuur onder ogen, maar dalen ook af in het verleden van de moeder. Haar voorouders worden getekend als starre en schraapzuchtige boeren, die uitsluitend voor zichzelf leefden. De agressieve waakhond op het erf, die vreemdelingen naar de strot vliegt, verbeeldt hun eenkennigheid. Een wanhopig meisje uit deze familie had zich om het leven gebracht: ‘hoe een kind, klein maar verbeten,/ zich de dood at in het bloed’.
In de gedichten die de kindertijd van de ik-figuur oproepen wordt de moeder vaak rechtstreeks aangesproken, zoals in deze allesbehalve zachtzinnige impressie van haar vergeefse pogingen om haar wanen de baas te worden:

De ratten

’s Nachts hoorden wij in ’t holle huis
de ratten rennen langs de binten.
Zij scheurden spaanders van de plinten;
in kasten viel de kalk tot gruis.

De Rotte gistte van bederf. –
Uw fierheid heeft geen kamp gegeven:
ge hebt het vaal gespuis verdreven,
nòg: de boerin op eigen erf.

Maar later, ’s nachts in het gewelf
der kelders hoorden wij u vloeken;
uw bezem bonkte – in lege hoeken:
De ratten zaten in uzelf.

Dat In memoriam matris een autobiografische laag heeft en de dichterlijke neerslag vormt van Ida’s gevecht met de demonen uit haar eigen verleden, lijkt me geen al te gewaagd uitgangspunt. De Rotte, het riviertje uit het bovenstaande gedicht, wijst al in die richting: gedurende een aantal jaren woonde het gezin Gerhardt dichtbij dit Rotterdamse riviertje. Maar buiten de gedichten van In memoriam matris zijn er ook aanknopingspunten. Het beeld uit ‘De ratten’ van een onevenwichtige vrouw die probeert haar innerlijke onrust en onvrede de baas te worden, sluit aan bij herinneringen die Ida in verschillende fasen van haar leven optekende in brieven aan collega’s, vrienden en familieleden. Een dierbare oud-collega vertrouwde zij in 1949 toe dat het psychisch lijden van haar moeder ‘beklemming, vrees en haat’ bij haar had opgeroepen. In een brief aan een oud-klasgenoot omschreef zij haar moeder als ‘bijna altijd zenuwziek’ (1992), en een achternicht liet zij in 1975 weten: ‘mijn Moeder, in haar jeugd getyranniseerd, was patiënt – afwisselend thuis of opgenomen. Van werkelijke psychiatrische behandeling was toen nauwelijks sprake. Vermaand nooit “uit huis te praten” boksten wij er ons doorheen.’ Aan een bevriend vertaalster (1975) vertelde zij hoe zij als kind reageerde op de situatie thuis: ‘ik was nooit op mijn gemak, al heel klein niet, als mijn moeder in de kamer was.’
In de bundels die voorafgingen aan Het levend monogram zijn geen gedichten te vinden die de problematische verhouding met de moeder rechtstreeks onder de aandacht brengen. Wel staat in een vroeger werk, in de bundel Het veerhuis, een gedicht dat zinspeelt op ellende in de kinderjaren:

Kinderliedje

’k Moest dwalen, ’k moest dwalen
langs bergen en langs dalen;
zo zong het in mijn kindertijd,
nòg wordt het hart mij weerloos wijd
bij ’t simpele herhalen,
’k moest dwalen. – [...]

Ontwaren, ontwaren
van verten die er waren,
van heuvels waar de voeten gaan, –
maar eenzaamheid kwam bonzend slaan
in ’t hart bij het herhalen,
’k moest dwalen. –

Na jaren, na jaren
hoe bitter werd te ervaren
levens verlangen, levens pijn
gevangen in dit klein refrein, –
geluk nooit te behalen,
’k moest dwalen. –

Het veerhuis kwam uit in het najaar van 1945, maar ‘Kinderliedje’ was al eerder in druk verschenen. Op zaterdag 27 juni 1942 stond het in de avondeditie van de krant Het vaderland. Toen Truus Gerhardt, Ida’s oudste zus, het las, was zij diep geraakt. In een brief aan een vriendin verwoordde zij haar reacties op het gedicht van ‘Zus’ (zo werd Ida thuis genoemd). Hier blijkt dat Ida niet de enige dochter van het gezin Gerhardt was die meende dat zij in haar jonge jaren liefde en geborgenheid te kort was gekomen:

Mij greep het als een hand om mijn keel. Weet je nog [...] hoe ik je wel eens verteld heb, dat wij een jeugd hadden zonder warmte, zonder koestering; nooit een zoen, nooit een arm om je heen (Zus noemde ons altijd met wrange spot: de twee weezen) en hoe je daar je heele leven door naar blijft hunkeren en zoeken? Je begrijpt, hoe het mij ontroerde toen ik argeloos de krant openslaande, plotseling dat alles uit zoo’n onverschillige krantenkolom op me af zag komen.

Truus schreef het gebrek aan warmte en genegenheid niet specifiek op het conto van moeder Gerhardt. Misschien had zij ook van de vader, die altijd keihard had gewerkt en weinig thuis was geweest, wat meer affectie verwacht? Maar een sonnet uit de literaire nalatenschap van Truus lijkt er op te wijzen dat ook zij vooral gebukt ging onder het gemis aan moederliefde: ‘Moedertje, moeder, moederlijke aarde,/ enige moeder die ’k ooit heb gekend.’
Na Het levend monogram kwam Ida herhaaldelijk terug op de spanningen met haar moeder. Zelfs op hoge leeftijd schreef zij nog onbarmhartig over de vrouw die haar ter wereld had gebracht: ‘[zij] kon mij, uit haar schoot gestoten,/ slechts vervolgen ongenadig’.
De gespannen relatie met haar moeder was, lijkt mij, het kernprobleem van Ida’s leven. In deze biografie hoop ik te laten zien waardoor dit gevoel van levenslange vijandschap was ontstaan en hoe diep deze bezeerdheid ingreep in haar leven en werk. Maar ook probeer ik te schetsen op welke wijze Ida die harde en bittere kern kon omvormen tot de vonkende vuursteen van haar dichterschap.

[...]

4.

Strijd om het bestaan en debuut als dichteres 1933-1939

[...]

De dood van moeder

Toen Ida in het najaar van 1934 nog maar net in Delft werkte, vonden er in haar familie twee sterfgevallen plaats. Kort na elkaar overleden haar grootmoeder en haar moeder. Op 27 november, een kleine maand voordat zij eenennegentig jaar zou worden, stierf Geertje Blankevoort-Van Zalinge. Er zijn nauwelijks herinneringen bewaard aan deze grootmoeder, die in 1921 enkele maanden bij het gezin van haar dochter had gewoond. Op grond van een anekdote uit latere tijd rijst een nogal negatief beeld: als 'omoe' op bezoek was, raakte de kat van streek en verspreidde zo'n onaangename sfeer dat de oude dame 'gelukkig snel weer vertrok'. Geertje werd begraven in het familiegraf op Nieuw Eykenduynen te Den Haag.
Amper een maand later, op 23 december, de geboortedag van haar moeder Geertje, stierf Ida Gerhardt-Blankevoort. Zij was net eenenzestig jaar geworden. Volgens een getuigenis uit de naaste familie had zij voor haar dood hartklachten en was zij zeer depressief. Op 26 december werd zij te ruste gelegd op de Algemene begraafplaats bij de Dorpskerk aan het Plein te Wassenaar, waar Dirk Reinier een familiegraf had gekocht. Twee dagen na de uitvaart werd Mia, de enige dochter van het gezin Gerhardt die nog thuis woonde, zestien jaar. Zij zat in de vijfde klas van het Stedelijk Gymnasium te Leiden.
Vijftien jaar na het overlijden van haar moeder begon Ida aan In memoriam matris: een reeks indrukwekkende en soms ijzingwekkende gedichten over de vergeefse strijd van de moeder tegen de demonische krachten die haar eigen leven en dat van haar gezin onder hoogspanning zetten. Één van de meer verstilde gedichten zoomt in op de onvrede en verlammende neerslachtigheid die haar tijdens haar laatste dagen kwelden. In dit gedicht, 'Vergeefs verzet' getiteld, wordt de overledene ook weer rechtstreeks aangesproken. In de oneven regels worden haar zwaarmoedigheid en afkeer van het leven in herinnering gebracht. De even regels laten een tegengeluid horen en wijzen op de troostrijke schoonheid van de natuur rond haar graf:

Gij ging in bittere opstand heen.
- De vlinders spelen om uw steen.

Versteend uw afgewend gelaat.
- Zie, hoe de treurroos opengaat.

De dag, de nacht zaagt ge niet aan.
- Uw graf beschijnen zon en maan.

Terug naar Rotterdam

Nauwelijks twee maanden na het overlijden van zijn echtgenote keerde Dirk Reinier Gerhardt terug naar Rotterdam. Samen met Mia betrok hij in februari 1935 een huurhuis aan de Graaf Florisstraat (nr. 9b). Nu woonde hij weer dichtbij zijn werk: de Ambachtsschool aan de Beukelsdijk, waar hij sinds 1925 de directeurspost bekleedde. Mia verruilde het gymnasium in Leiden voor de school waar haar beide zussen waren opgeleid, het Erasmiaans Gymnasium. In juni 1936 slaagde zij op zeventienjarige leeftijd voor haar eindexamen. Eerst doorliep zij een opleiding tot bibliotheekassistente aan het Rotterdams Leeskabinet, een particuliere bibliotheek in een monumentaal pand aan de Gelderse kade. Na de oorlog zou zij in rap tempo een studie Frans voltooien aan de universiteit van Groningen.
Eind oktober 1935 ging Ida, die inmiddels dertig was, ook terug naar Rotterdam. Zij had haar Delftse huurkamer opgezegd en trok weer in bij haar familie. Waarschijnlijk deed zij dit uit geldgebrek, want na afloop van het volontairschap in Delft (zomer 1935) was het haar niet gelukt opnieuw werk te krijgen aan een school. Volgens Truus ging het in eerste instantie niet goed aan de Graaf Florisstraat. Vader Gerhardt kampte met gezondheidsproblemen en was zeer neerslachtig. Hij leed onder het gemis van zijn echtgenote, maar dat was niet het enige. 'Daarbij komt, dat hij zich erg bezorgd maakt over de toekomst van mijn oudste zuster, die maar geen werk kan krijgen en die daardoor zelf erg gedeprimeerd is.' Hoe zeer Ida gebukt ging onder haar werkloosheid, klinkt nog steeds door in een gedicht uit de bundel Sonnetten van een leraar (1951). De openingszin van dit gedicht doet ons midden in haar strijd om het bestaan belanden:

Werkloosheid

Drie jaar nu al. Ik kom nog in 't gesticht.
Kon ik ze thuis ontslaan van mijn bestaan!
Mijn kleine zusje ziet me nauwelijks aan.
't Is of de meid het woord niet tot mij richt.

Ieder leeft op, als ik mijn hielen licht.
Het beste kon ik bij Van Nelle gaan.
Alleen: dan is het met m'n vàk gedaan.
Voor leraar krijg ik een te oud gezicht.

Vanmorgen ben ik naar de kerk geweest.
'God zal u, als op adelaarsvleugelen, dragen.'
Maar ík heb zitten zweten als een beest.

Want steeds zag ik, toen de gemeente zong,
die werkeloze, die het raam uitsprong
en, van vier hoog, te pletter is geslagen.

Rotterdam: 1933, 1934, 1935

In het eerste deel van dit sonnet valt nog enig gevoel voor ironie te bespeuren, met name in de uitroep van de dichteres dat ze maar beter aan de slag kon gaan bij Van Nelle (koffie- , thee- en tabaksfabrieken in Rotterdam). Maar het sextet, een herinnering aan een moment van crisis tijdens een kerkdienst, is beklemmend. Zelfdoding leek, net als tien jaar eerder toen zij Leiden moest opgeven, de enige uitweg. Alle houvast en vertrouwen waren weg en zij was volledig vleugellam. De tekst die in de kerk zulke heftige reacties opriep, gaat terug op een passage uit het Bijbelboek Deuteronomium. Mozes getuigt hier hoe God zijn volk bewaakt en behoedt: 'gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken' (Deut. 32.11, in de Statenvertaling). Een zwetend beest (regel 11) is de tegenpool van een arendsjong dat vol vertrouwen het luchtruim kan verkennen.
Zoals de dichteres in de eerste woorden van het gedicht de lange duur van haar werkloosheid onder de aandacht brengt, zo doet zij dit ook in de voetnoot onder het sonnet: de drie jaren waarin zij maar geen baan kon bemachtigen zijn daar stuk voor stuk neergeschreven, als in steen gebeiteld.

Debuut als dichteres

In de lente van 1936 leek het weer wat beter te gaan met Ida en ook met haar vader, die aan het einde van het jaar met pensioen zou gaan. In de eerste helft van april vierden ze ieder op hun eigen manier vakantie. Truus, die in haar eentje op de hei kampeerde, schreef dat haar vader in Parijs verbleef: 'Hij geniet! Vooral van de Rive Gauche. Dat is echt iets voor hem!' Ida was naar Belgie gereisd en liet haar oudste zus weten 'dat de Ardennen zoo mooi zijn'.
Twee maanden later, op 12 juni 1936, ging Ida niet ver van het huis van haar vader op kamers wonen (Beatrijsstraat 32d). Kort hierna, op 23 juni, verscheen voor de eerste keer een gedicht van haar hand in druk. Het tijdschrift waarin zij debuteerde was Tijd en Taak. Tot in de jaren tachtig zou zij met een zekere regelmaat gedichten in dit weekblad plaatsen. Op de religieus-socialistische signatuur van het tijdschrift, dat werd uitgegeven door De Arbeiderspers, zal ik hier beneden nader ingaan.
Ida's debuutgedicht heet 'Kinderspel'. Er komen thema's aan de orde die in haar werk een belangrijke plaats zouden krijgen: de verwevenheid van macrokosmos en microkosmos en de onbevangen aandacht waarmee een kind volledig in zijn bezigheden kan opgaan. Een voorbeeld van een gedicht uit latere tijd is 'Een naam in schelpen' (uit De zomen van het licht), over een jongen die op het strand vol overgave een burcht uit zand en water bouwt. Aan het einde van de dag kan hij slechts met de grootste moeite afscheid nemen van zijn bolwerk, wat aan het slot van het gedicht treffend onder woorden wordt gebracht: 'Het neemt zijn schop op en het gaat/ op stroeve voeten havenwaarts.' Het thema van opperste concentratie en toewijding heeft in Ida's oeuvre ook een poëticale dimensie: ontvankelijkheid en onafgebroken aandacht zijn noodzakelijke voorwaarden voor het dichterschap. In een regel uit het gedicht 'Na de dag' (uit Kosmos) wordt dit expliciet onder woorden gebracht: 'Is dichten slechts aandachtigheid?' In 'Kinderspel' spreekt het impliciet uit de twee laatste regels, waar het kind en de dichter elkaar herkennend 'aanzien'. Hier volgt Ida's eersteling in zijn geheel:

Kinderspel

Hij zat nadenkend bij zijn kleine schat,
een doos met schelpen, en met fronsend turen
de namen prevelend zag hij de uren
terug, waarin hij hen gevonden had.

Dagen van open zon, dagen van regen
en vlagen wind, het breken van de zee,
en alle argeloze vreugden, die ermee
verweven waren; tot naar stiller wegen

zijn aandacht boog: het lijnenspel, de kleuren,
het kleine leven dat dit broze bouwde,
het zeediep met het wonderlijk gebeuren
van plant en dier, zoals hij in vertrouwde

verhalen het herlas... en in dit zoet herkennen
nog dieper dalend, sloot hij glimlachend de ogen;
glijdend langs nerf en karteling bewogen
de vingers in een tasten, een gewennen

aan diepste aandacht - Sober spel, omgeven
van een zó grote stilte, dat ook wij gevangen
toezagen, - dan een flitsend even
elkaar aanzien: wij lazen een gelijk verlangen.

In deze regels klinkt Leopold in de verte mee. In zijn lange gedicht 'Kinderpartij', met name in het middendeel, wordt eveneens een kind beschreven dat zich beschouwend en peinzend in zichzelf terugtrekt, waarna de dichter het gebeuren van commentaar voorziet. Maar dit is slechts een smalle verbindingslijn, want vooral door de tastende formuleringen en de in de diepte werkzame filosofische ideeën staat Leopolds 'Kinderpartij' weer ver af van het gedicht van zijn leerlinge.
In het najaar van 1936 publiceerde Ida nog twee gedichten in Tijd en Taak: 'Tweestemmig' (17 oktober) en 'Moment' (24 oktober). Het laatstgenoemde gedicht, dat was opgedragen aan haar Utrechtse hospita, werd ondergebracht in Kosmos. Maar 'Tweestemmig', een lange en nogal omslachtige tekst 'bij een compositie voor cello en viool van Tosti', werd geen plaats in een bundel waardig geacht. Het beschrijft in drie strofen van negen regels en een slotstrofe van vier regels het samenspel van de twee snaarinstrumenten en het effect ervan op de gemoedsgesteldheid van de ik. In de derde strofe wordt duidelijk dat zij in het 'zuiver spreken' van viool en cello haar gevoelens herkent voor degene met wie zij zich in taal en liefde verbonden voelt:

O gij, - mijn zoekend pogen, mijn gedachten,
hoezeer is het doorweven van uw zachte
aanwezigheid; - hoe brachten ons de dagen
vervulling - woord en wederwoord -; een vragen
donker en dringend vond zijn tegenroep, een wachten
was thans volgroeid. - Nú wil tesamen wezen
het zeer verscholene, wat in de stille tijden
van eenzaamheid vergaard werd; - een bevrijden
gaat in: een jonge drift staat vrij omhoog gerezen.

Evenals het voor Cornelia de Vogel geschreven 'Air de violon' lijkt ook dit muziekgedicht al te krampachtig aansluiting te zoeken bij de dichtwijze van Leopold.
Dat Ida's dichterschap juist in deze fase van haar leven op gang begon te komen, werd door Marie nadrukkelijk in verband gebracht met het overlijden van moeder Gerhardt. Ida beleefde haar dood als een bevrijding:

In deze tijd, tussen Idafs afstuderen en het ogenblik dat zij maatschappelijk grond onder de voeten kreeg, was haar moeder gestorven [...] In de zomer van het daarop volgende jaar begon Ida verzen te schrijven. In wezen waren het de verzen waarvan zij een hele studententijd (en waarschijnlijk al aanmerkelijk langer) had gedroomd; de verzen die zij tot haar verscheurend verdriet tevoren nooit had kunnen maken.

[...]

 

Copyright © 2014 Mieke Koenen

Athenaeum - Polak & Van Gennep

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum