Leesfragment: Een dag van stilte en lawaai

27 november 2015 , door Nihad Siries
| |

Op 20 januari verschijnt Een dag van stilte en lawaai van Nihad Siries. Wij publiceren voor. 'Zacht sloop ik naar de balkondeur en deed hem open. Het lawaai sloeg me in mijn gezicht. Ik had me nog niet aangekleed en droeg alleen een onderbroek. Met het lege melkglas in mijn hand ging ik achter het gordijn van het balkon staan kijken naar het vreemde schouwspel dat zich op het kruispunt ontrolde. Beide straten puilden letterlijk uit van de mensen. Boven hun hoofden deinden honderden afbeeldingen van de Leider, als golven in de zee.'

Het is nog vroeg in de ochtend, maar de hitte is al bijna ondraaglijk. De schrijver Fathi Sjien wordt drijfnat wakker. Het is niet alleen krankzinnig heet, er dringt ook een oorverdovend lawaai zijn appartement binnen. Het is de twintigste verjaardag van de dictatuur en dat wordt door de autoriteiten gevierd met een massale demonstratie, waarvoor vanuit het hele land mensen zijn aangevoerd.

Fathi besluit naar Lama, zijn geliefde, te gaan. Maar eenmaal op straat wordt hij meegesleurd door de fanatieke menigte. Hij raakt betrokken bij een incident en moet zijn identiteitsbewijs inleveren. Dat is het begin van een turbulente dag, waarop de autoriteiten proberen definitief af te rekenen met een van hun belangrijkste tegenstanders.

1

Het was bloedheet in de kamer en mijn onderlaken was drijfnat. Dat had ik al gemerkt voordat ik mijn ogen opendeed. Het was zo drukkend dat het me moeite kostte om adem te halen en het zweet liep tappelings langs mijn hals naar beneden. Ik veegde met mijn hand mijn bovenlip af, waarop zich allemaal fijne zweetdruppeltjes hadden verzameld. Op de een of andere manier transpireer ik daar altijd het hevigst. Ik draaide me op mijn linkerzij en keek naar de klok boven het raam. Ondanks het felle daglicht kon ik nog net de wijzers onderscheiden. Het was halfacht ’s ochtends, maar door het lawaai op straat zou je denken dat het al midden op de dag was.
Zuchtend trok ik mijn doorweekte pyjama uit. Zuchten betekent bij mij dat ik kwaad ben. Deze keer was ik kwaad op mezelf, omdat ik nog steeds geen ventilator had aangeschaft. Hoe vaak had ik mijn moeder niet om geld gevraagd! Maar in plaats van een ventilator had ik er iedere keer weer sigaretten en eten van gekocht. Het liefst was ik de hele dag in bed blijven liggen. Ter verkoeling goot ik een fles water leeg over mijn hoofd en mijn ontblote borst. Dat had ik van Lama geleerd. Die maakte meestal ook nog een handdoek nat, die ze dan op mijn naakte lijf legde. Na een paar minuten pakte ze hem aan twee kanten tussen duim en wijsvinger en begon ermee over mijn lichaam te wrijven: van mijn borst naar mijn middel, en zo door tot mijn voeten. Helaas bracht dat maar even verlichting, want na een paar minuten was de vochtige handdoek alweer warm geworden. Meestal werd ik opgewonden van het handdoekspel, en ook Lama was altijd wel voor een verzetje te vinden, maar soms hield ik me van de domme en deed ik alsof ik gek was en niet begreep wat ze van me wilde. Dan wachtte ik rustig af tot ze zich kroelend aan me overgaf.
Het was halfnegen. Van buiten drong een kakofonie van geluiden door in de kamer. Uit een luidspreker klonk de harde, onaangename stem van een omroeper die onbegrijpelijke, geëxalteerde gedichten declameerde en dan ineens stopte om instructies door te geven. Zijn woorden werden overstemd door de patriottische liederen die uit de andere luidsprekers kwamen en door de kreten van een groep schoolkinderen die luidkeels ‘Lang leve de Leider…’ riepen.
Waarom had ik nog steeds geen gordijn voor mijn raam gehangen, om mijn ogen tegen dat schelle daglicht te beschermen? Ik had het glas met wit papier afgeplakt en het daarbij gelaten. Mijn moeder had al een paar keer aangeboden een gordijn voor me te naaien. Ik hoefde haar alleen maar de afmetingen van het raam door te geven. Ik had haar beloofd dat ik voor een meetlint zou zorgen, zo een met een veer die automatisch terugspringt, maar ik kende niemand van wie ik er een kon lenen. Ze heeft me daarna nog eens voorgesteld om een lange draad te gebruiken, maar ook dat is er nooit van gekomen. Het komt nog weleens zover dat ik de boekenkast tegen het raam schuif. Dan ben ik niet alleen verlost van het felle licht, maar ook van de ondraaglijke herrie.
Het appartement van Lama is warmer dan het mijne, omdat het maar één raam heeft, dat ook nog eens uitkijkt op het zuiden. Maar haar bed is groter en bovendien kraakt het minder. De badkamer grenst aan de keuken en bevindt zich in het achterste deel van het appartement, dat uit twee kamers bestaat: een slaapkamer – die met dat ene raam – en een woonkamer. De woonkamer is eigenlijk meer een tussenruimte die de slaapkamer van de keuken scheidt.
Mijn appartement is een stuk groter dan dat van Lama en heeft drie kamers: ik slaap in de eerste, ik werk in de tweede en in de derde ontvang ik mijn vrienden. Alle kamers hebben ramen en de keuken heeft zelfs een deur die uitkomt op een klein balkon. Hoewel mijn appartement overdag licht is en er genoeg frisse lucht binnenkomt, heb ik het er voortdurend warm en zweet ik de hele dag. Ik ben altijd doorweekt als ik wakker word. Bovendien hoor ik hele dag het lawaai van de auto’s en de luidsprekers op straat. Dat komt doordat het gebouw op een kruispunt met moskeeën, een overheidskantoor en een school ligt. Steeds wanneer ik me bij mijn moeder beklaag over de hitte en het lawaai, zegt ze dat ik nu eenmaal in een ‘aansprekende’ buurt woon. Ik weet niet waarom ze de term ‘aansprekend’ gebruikt. Ik denk dat ze bedoelt dat het een gewilde buurt is, die veel mensen aantrekt, op een punt waar de belangrijkste verkeersaders van de stad bij elkaar komen. ‘Aansprekend’ vind ik niet het juiste woord voor onze buurt. Ik zou het eerder een ‘schreeuwende’ buurt noemen, vanwege het lawaai dat voortdurend in mijn oren dringt, waardoor ik geen rust meer heb.
Het appartement van Lama is veel rustiger dan het mijne. Je zou het zelfs stil kunnen noemen. Als je binnen bent, kun je de bovenburen bijna horen lopen. Er rijden geen auto’s door de straat, er zijn geen minaretten in de buurt en de bewoners heb- ben geen kleine kinderen. Zelfs haar bed kraakt niet. Wat een genot! In mijn eigen appartement moet ik alle ramen sluiten om het lawaai uit te bannen. Maar dat betekent weer dat ik ben overgeleverd aan de helse zomerhitte.
Was Lama maar hier. Dan had ik haar kunnen vragen de handdoek onder de kraan te houden, hem tussen duim en wijsvinger te nemen en ermee over mijn naakte lichaam te wrijven. Maar ze was er niet. Ze zat in haar eigen oven. Als ik bij haar overnachtte, verzon ze altijd van alles om me vochtig te houden en verkoeling te geven. Van tijd tot tijd liep ze naar de badkamer om een douche te nemen. Zonder zich af te drogen ging ze op me liggen, om iets van haar frisheid aan me door te geven. Ondertussen zat ze te mokken, want als ik het zo warm had, had ik nooit zin om te vrijen. Dan kon ik elk moment mijn kleren aantrekken en me nog voor zonsopkomst uit de voeten maken.

Vijf voor negen. Het was tijd om op te staan. Als ik eenmaal uit bed was, klonk het kabaal minder hard. Ik kon daar geen goede verklaring voor vinden; misschien waren mensen, als ze zich in een horizontale positie bevonden, extra gevoelig voor geluiden. Daarom had ik me eraan gewend meteen na het wakker worden uit bed te springen. Als ik eenmaal rechtop stond, kreeg ik weer belangstelling voor mijn omgeving.
Ik keek naar de chaos van kleren die achteloos op de grond, het bed of een stoel waren gegooid. Na een vluchtige blik in de spiegel van de klerenkast ging ik naar de badkamer. Ik sloot de deur achter me, om het lawaai te dempen. De badkamer was de minst rumoerige ruimte in het appartement; hij had iets van een hermetisch afgesloten kist. Altijd als het lawaai een hoogtepunt bereikte, vluchtte ik naar de badkamer. In Lama’s huis vond ik het juist prettig om iemand anders te horen ademhalen, maar in mijn eigen appartement hoorde ik mijn eigen ademhaling niet eens.
Eenmaal in de badkamer liet ik alles wat ik de vorige dag had gedaan, de revue passeren. Ik voelde me al een poos neerslachtig en verweet mezelf dat ik al tijden niets meer uitvoerde. Alle dagen en maanden leken op elkaar en er kwam niets meer uit mijn handen. Ik schreef niet meer, ik las niet meer, ik dacht niet meer na. Al een paar maanden had ik geen plezier meer in mijn werk. Ook vandaag zonk de moed me weer in de schoenen bij de gedachte dat ik gisteren niets had gedaan. Vroeger wilde ik altijd iets om handen hebben, het maakte niet uit wat, al was het maar om de volgende ochtend te kunnen genieten van het gevoel dat ik iets had gepresteerd. Vreugde in je werk stimuleert het gevoel dat je iets bereikt in het leven. Plezier genereert plezier. Doordat je iets onderneemt, ontstaat er een kettingreactie. Er wordt als het ware een trein in gang gezet. Maar nu had ik geen idee waar ik de brandstof vandaan moest halen die ik onderweg was kwijtgeraakt. Daadkracht was iets van vroeger. Het heden was ondergedompeld in zwaarmoedigheid en zelfhaat, die me overvielen zodra ik de badkamer binnenstapte. Als het aan mij had gelegen, was ik in bed blijven liggen, zodat ik mezelf deze dagelijkse beproeving had kunnen besparen, maar het lawaai dwong me iedere ochtend weer om op te staan.
Lawaai komt van het werkwoord ‘lawaaien’. Een lelijk werkwoord. Ik ben in het Arabisch nog nooit zo’n lelijk werkwoord tegengekomen. Ik vind ‘rumoer’ veel mooier. Ik schrijf het op, alsof ik op zoek ben naar de reden waarom dit woord zoveel warmer klinkt dan het eerste. Ik ben van plan beide woorden in mijn roman te gebruiken. Misschien moet ik aan de hand van een droom die ik eens heb gehad, uitleggen wat ik bedoel.
Ik was in het theater, gekleed in een zwart pak met een rode stropdas. De muzikanten hadden hun plaatsen ingenomen en waren bezig hun instrumenten te stemmen. De dirigent van het orkest was nog niet gearriveerd en de geluiden werden steeds harder en chaotischer. Alle instrumenten produceerden hun eigen klank, zonder samenhang of harmonie. Het zou nu niet lang meer duren of dat oorverdovende, afschuwelijke lawaai zou veranderen in de mooiste melodieën. Maar de dirigent kwam niet en het gejengel hield aan. Een melodie is een geluid, maar het stemmen van een instrument is gejengel. Ik drukte mijn handen zo hard tegen mijn oren dat ik bang was dat mijn hoofd zou indeuken. Ik heb de hele verdere nacht van het kabaal van die instrumenten gedroomd en de volgende ochtend werd ik wakker met suizende oren en een loodzwaar hoofd, terwijl mijn kamer alweer dreunde van de geluiden van de straat.
Zonder me te scheren verliet ik de badkamer en liep ik naar de keuken, waar ik een glas koude melk dronk en een lik uit de jampot nam. Ik keek naar het gebouw aan de overkant. Op de balkons en voor de ramen stonden gesluierde vrouwen zwijgend naar het straatgewoel te kijken. Er zat geen vrouw of kind meer binnen; iedereen was naar buiten gekomen en staarde apathisch naar beneden. Zacht sloop ik naar de balkondeur en deed hem open. Het lawaai sloeg me in mijn gezicht. Ik had me nog niet aangekleed en droeg alleen een onderbroek. Met het lege melkglas in mijn hand ging ik achter het gordijn van het balkon staan kijken naar het vreemde schouwspel dat zich op het kruispunt ontrolde. Beide straten puilden letterlijk uit van de mensen. Boven hun hoofden deinden honderden afbeeldingen van de Leider, als golven in de zee.
Snel trok ik mijn kleren aan en verliet het appartement, in de hoop te kunnen ontsnappen aan de hitte en het lawaai. Maar het omgekeerde gebeurde: buiten was de hel losgebroken.
Toen ik onder aan de trap was gekomen, kon ik het hele spektakel overzien. De ingang van het gebouw werd geblokkeerd door een menigte schreeuwende mensen. Door de echo in de hal klonk alles nog harder. Op de onderste tree bleef ik staan. Ik probeerde te bedenken hoe ik me door deze dringende, krijsende massa een weg naar buiten kon banen. Plotseling raakte ik in paniek, als een zwemmer die onverwacht een haai tegenkomt.
In de hal hingen een paar jongens rond. Ze hadden hun borden met afbeeldingen van de Leider meegenomen en stonden met hun rug tegen de muur sigaretten te roken. Brutaal bliezen ze de rook in de gezichten van de passerende flatbewoners. Zo te zien waren ze de menigte ontvlucht en hadden ze de schaduw opgezocht, hopend op wat rust en frisse lucht. Ze keken me spottend aan. Kennelijk vonden ze het grappig dat ik daar op die onderste tree stond. Nu moest ik wel in beweging komen, maar net toen ik langs hen liep, kwam er een groep mensen binnen, die kennelijk in de grote massa in de verdrukking was gekomen. Sommigen wankelden en er waren er zelfs die languit op de grond vielen. Ze trokken de aandacht van de jongens, die mij meteen met rust lieten om zich op hun nieuwe slachtoffers te storten.
Binnen een paar seconden kwamen er twee organisatoren, gekleed in kaki uniformen met rode insignes, het gebouw binnengestormd. Ze begonnen de mensen hardhandig naar buiten te duwen. De jongens gingen rechtop staan, om hen niet onnodig tot last te zijn. Resoluut werden ze door de soldaten vastgegrepen en de straat op getrapt.
Dit alles speelde zich vlak voor mijn ogen af. Een van de ordehandhavers keek me woedend aan. Hij wilde me vastpakken, maar ik weerde hem af met mijn arm. Waarschijnlijk dacht hij dat ik net als de jongens uit de optocht was ontsnapt. Hij weigerde me los te laten en bleef roerloos staan, met zijn armen om me heen geslagen. Hij hoefde me niets meer te vragen, want ik zag al aan zijn gezicht wat hij van me wilde weten.
‘Ik woon hier,’ zei ik.
‘Woon je hier?’
‘Ja.’
‘En waarom loop je niet mee in de demonstratie?’
‘Ik ben geen ambtenaar en ik hoor niet bij een vakbond. Ik ben Fathi Sjien – schrijver.’
Deze verklaring maakte de man nog agressiever.
‘Je identiteitskaart!’ zei hij bars.
Ik haalde mijn persoonsbewijs tevoorschijn, dat hij van alle kanten begon te bestuderen. Zijn collega, die de gang inmiddels had ontruimd, kwam naar ons toe en griste de kaart uit zijn hand. Zwijgend begon hij mijn persoonsgegevens te lezen. De eerste gromde op dezelfde agressieve toon als daarvoor: ‘Vuile bedrieger!’
Ik bedankte hem beleefd voor de vriendelijke opmerking.
De tweede gaf me mijn kaart terug en keek me vol walging aan, alsof ik een stuk vuil was. Toen draaiden ze zich allebei om. Iedereen die in de weg stond, duwden ze zonder pardon omver.
Ik slikte de vernedering en bleef een tijdje rustig staan, zonder iets te zeggen. Toen ik het helse lawaai niet meer kon verdragen, liep ik verder in de richting van de schreeuwende, dringende menigte. Maar ik had nauwelijks een stap gezet, of ik werd door de mensenmassa meegezogen.

[...]

© Nihad Siries
© Nederlandse vertaling, 2013 Djûke Poppinga

Uitgeverij Van Gennep

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum