Leesfragment: Een veiliger oord I. Vrijheid

27 november 2015 , door Hilary Mantel
| |

11 februari verschijnt van Hilary Mantel Een veiliger oord I. Vrijheid (A Place of Greater Safety (1992), vertaald door Ine Willems). Wij publiceren voor - met een brief van de auteur zelf.

'Bij elke uitdaging aan mijn schrijverschap heb ik, net als de revolutionairen, simpelweg alles in de strijd gegooid wat maar zou kunnen werken. Door hun verhaal te schrijven heb ik ondervonden wat revolutionairen ondervinden: de noodzaak om compromissen te sluiten, de druk van doelmatigheid.'

Dit eerste deel van Een veiliger oord gaat over de opmaat naar de Franse Revolutie: de lege staatskas; het onvermogen van de koning om die weer te vullen; zijn besluiteloosheid; de hongersnood en de idioot hoge broodprijzen; de onvrede onder de burgers; de weigering van de boeren om hun herendeel te vervullen; de steeds luider wordende roep van burgers om stemrecht.

In deze explosieve sfeer groeien drie jongens op, die elkaar ontmoeten als ze gaan studeren in Parijs: Camille Desmoulins, Georges-Jacques Danton en Maximilien de Robespierre.

Mantel schetst de jonge jaren van deze mannen, waar ze vandaan komen en hoe ze hun mening vormen in deze tumultueuze tijd, en laat zien hoe ze worden tot de personen zoals wij die nu kennen.

Mantel beschrijft burgers en werklieden die niet langer genoegen nemen met de verdeeldheid van de standen en de oneerlijke rechtstaat, en als lezer ervaar je dat alsof je waarnemer bent, en dat het logisch is om revolutie te roepen en met z’n allen naar de Bastille te gaan.

 

Devon, april 2013

Beste lezer,

Het was 1974 toen ik mijn eerste roman begon. Ik was tweeëntwintig en besloot over de Franse Revolutie te schrijven, omdat ik het veruit de verbluffendste, interessantste gebeurtenis vond in de hele wereldgeschiedenis. Het is nu veertig jaar later, en het blijft zoeken naar gebeurtenissen die me meer verbazen. Wanneer je vandaag de dag Versailles bezoekt, is de verkillende grandeur ervan intact. De muren ademen nog altijd het hautaine van het ancien régime. En al weet je dat het Frankrijk van 1789 aan de grond zat, dat de weg bereid was voor revolutie, toch denk je: hoe hebben ze het ooit gedurfd? Doodgewone mannen, doodgewone vrouwen, tegen die macht, die volslagen zekerheid, die eeuwenoude stellige overtuiging van status? Het blijft schokkend.
Natuurlijk werd de Revolutie gemaakt door talloze anoniem gebleven mannen en vrouwen, maar de aanvoerders van wie de namen zijn opgetekend, waren merendeels jong en onervaren. Antoine Saint-Just was zesentwintig en heeft nooit een andere baan gehad dan die van revolutionair. Danton, Desmoulins en Robespierre waren halverwege de dertig toen ze werden verteerd door de krachten die ze hadden ontketend. In 1789 waren ze jong genoeg om nog ambities en idealen te koesteren, en tegelijk oud genoeg om mislukking en frustratie te hebben geproefd. De mensen wier verhaal ik volg, zaten niet alleen verstrikt in een politieke opstand, maar ook in een persoonlijke: tegen hun familie, hun achtergrond, de regels die hen beknotten en hun eigen natuur. Ik heb ervoor gekozen om over drie jongelui van de intellectuele middenklasse te schrijven. Misschien zou ik die keus nu niet maken, of liever gezegd, die keus lijkt nu moeilijker te rechtvaardigen. Het verhaal dat we onszelf vertellen over die periode is veranderd. Tegenwoordig hebben we meer oog voor de arbeiders die de Revolutie gestalte hebben gegeven, en voor de vrouwen. Maar als romanschrijver kun je niet echt over massabewegingen schrijven. Uit de massa moet je één gezicht kiezen, de eigenaar ervan identificeren en die mens volgen tot achter de voordeur.
En de geschiedenis is in meer opzichten veranderd. De feiten die ik met zoveel moeite heb opgedolven en met nog meer moeite heb gecontroleerd, laten zich tegenwoordig met een paar muisklikken ontdekken en verifiëren. Je kunt een hele bibliotheek optrommelen vanachter je bureau. Daardoor maak ik me zorgen dat ik fouten heb gemaakt of dat ik niet eens de juiste bronnen heb gevonden omdat de toegang ertoe beperkt was. Kleine fouten kunnen worden rechtgezet, de grote lijnen van het verhaal moet ik handhaven. Een verhaal dat bovendien is geschreven voor – en afgestemd op de belevingswereld van – mijn mede-Britten, die de Revolutie vooral kenden uit een spectaculairder, toegankelijker soort romans; romans met een regressieve agenda waarin goed gebruik werd gemaakt van al die handige achterafwijsheid, waarin tranen werden vergoten om fonkelschone aristocraten, niet om de groezelige, verbeten Jan met de pet die mij zo fascineert. Ik wilde die balans een beetje rechttrekken.
Het is lastig inschatten voor me hoe dit boek in andere landen zal worden gelezen. Als project heeft het er zijn tijd over gedaan om van de grond te komen. De eerste versie had ik voor mijn zevenentwintigste af, zo’n beetje op de leeftijd van de mensen over wie ik schreef. Toen het eindelijk werd gepubliceerd was ik veertig, ouder dan mijn personages zelf zijn geworden. Nu is er nog eens twintig jaar verstreken, en ik zou het niet meer kunnen schrijven. Ik zou niet meer kunnen beschrijven, niet meer in mezelf kunnen voelen, wat die jonge mensen voelden: de opwinding bij het vooruitzicht van een nieuwe wereldorde, van een frissere, eerlijkere wereld. Ik zou de noodzaak voelen om ironischer te zijn, en selectiever; om mijn blikveld te vernauwen. En tegelijkertijd zou ik me zorgen maken om wat er daardoor buiten dat blikveld valt. Zo speelt mijn revolutie zich grotendeels af in Parijs. Er is zoveel te vertellen over de hoofdstad, over de paar straten die mijn revolutionairen bewonen, dat de grensgebieden van Frankrijk amper aan bod komen, laat staan zijn koloniën.
Toen ik aan deze roman begon, had ik drie jaar rechtenstudie achter de rug. Net als sommige van mijn personages had ik het niet tot advocaat geschopt, en het was maar zeer de vraag of ik het wel tot iets, wat dan ook, zou schoppen. Linkse barricaden trokken me, maar als revolutionair kwam ik laat kijken. Twee jaar na het activistische tumult van 1968, toen idealisme had plaatsgemaakt voor matheid en apathie, kwam ik op de universiteit. Ik denk dat ik het verleden wilde nasporen door een experimentele lens, door heden en verleden en het persoonlijke en politieke in elkaar te laten overlopen; dat ik wilde verkennen wat er destijds speelde en misschien nog steeds speelt. De Franse Revolutie houdt nooit op. Die gedachte heeft me gaande gehouden in de tijd dat ik als schrijfster nog nergens stond; het heeft me meer dan tien jaar gekost om überhaupt gepubliceerd te worden, en toen ik dat voor elkaar kreeg, was het niet eens met dit boek maar met een heel ander.
Als ik nu een roman zou beginnen, zou ik het niet zo idioot ambitieus aanpakken. Ik zou misschien wat minder van mijn lezer eisen. Ik zou mijn onderwerp afstemmen op mijn kunnen. Maar toen ik begon met schrijven, wist ik niet wat ik kon. Bij elke uitdaging aan mijn schrijverschap heb ik, net als de revolutionairen, simpelweg alles in de strijd gegooid wat maar zou kunnen werken. Door hun verhaal te schrijven heb ik ondervonden wat revolutionairen ondervinden: de noodzaak om compromissen te sluiten, de druk van doelmatigheid. Ik hoop dat de compromissen het verhaal niet helemaal hebben ondergesneeuwd, en dat de grootsheid die ik bedoelde weer te geven, erdoorheen schittert.

Met hartelijke groet,
Hilary

 

Deel een

I
Het leven een slagveld

1763-1774

Nu het stof is gaan liggen kunnen we eindelijk de balans opmaken. Nu de laatste rode dakpan op het dak van het Nieuwe Huis is gelegd, nu de huwelijksovereenkomst vier jaar oud is. De stad ruikt naar de zomer; niet bijzonder aangenaam dus, maar hetzelfde als het jaar ervoor, hetzelfde als ze de jaren hierna zal doen. Het Nieuwe Huis ruikt naar hars en boenwas, en er hangt de zwavelige lucht van ophanden zijnde familieruzies.
De studeerkamer van maître Desmoulins bevindt zich aan de andere kant van de binnenplaats, in het Oude Huis, dat aan de straat grenst. Als je vanaf het place des Armes naar de smalle witte gevel opkijkt, zie je hem vaak aan een van de ramen op de eerste verdieping. Hij lijkt naar de straat te kijken, maar volgens opmerkzame toeschouwers is hij mijlenver weg. Dat klopt, en die mijlenverte is met precisie te benoemen. In gedachten is hij terug in Parijs.
In lichaam is hij, momenteel, op weg naar boven. Met zijn driejarige zoon op zijn hielen. Daar hij verwacht dat het kind hem de komende twintig jaar nog voor de voeten zal lopen, heeft het geen zin zich erover te beklagen. De middaghitte drukt op de straten. De kleintjes, Henriette en Elisabeth, liggen in hun wieg te slapen. Madeleine foetert de wasmeid uit met een gemak en een gif die haar gezegende staat en adellijke opvoeding logenstraffen. Hij trekt de deur achter zich dicht.
Zodra hij aan zijn bureau zit, schurkt zoals zo vaak een zwerffantasie over Parijs rond zijn gedachten. Even geeft hij eraan toe: hij plaatst zichzelf bij de ingang van het Châtelet-gerecht met een moeizaam bevochten vrijspraak en een kluitje lovende collega’s. Hij geeft de collega’s namen en gezichten. Waar plaatst hij Perrin vanmiddag? En Vinot? Tegenwoordig gaat hij twee keer per jaar naar Parijs, en Vinot – die zijn Toekomstplan met hem had bediscussieerd toen ze nog studenten waren – was hem op het place Dauphine straal voorbijgelopen, zonder een greintje herkenning.
Dat was vorig jaar; nu leven we in augustus van het jaar onzes Heren 1763. En in Guise, Picardië; hij is drieëndertig jaar oud, echtgenoot, vader, jurist, notabele in stad en ommelanden en een man met een rekening voor een nieuw dak, die hem zwaar op de maag ligt.
Hij haalt zijn kasboeken tevoorschijn. Twee maanden geleden pas is Madeleines familie over de brug gekomen met de laatste termijnbetaling van de bruidsschat. In de wetenschap dat hij er moeilijk op kon afdingen, hadden ze gedaan alsof het om een complimenteuze vergissing ging; alsof een man in zijn positie, met zijn overvloedige toestroom van werk, die laatste paar honderd nauwelijks zou opmerken.
Een typische de Viefville-streek, en er was niets wat hij ertegen kon doen. Ze nagelden hem aan de familiemast terwijl hij hun sidderend van ellende de spijkers aangaf. Hij was op hun verzoek teruggekomen uit Parijs om alles in orde te brengen voor een leven met Madeleine. Hij had niet geweten dat ze dertig zou zijn tegen de tijd dat haar familie zijn situatie ook maar enigszins aanvaardbaar zou vinden.
De de Viefvilles, dat zijn bestuurders. Van kleine steden en grote rechtspraktijken. Ze hebben neven in de hele Laonnois, in heel Picardië: een stelletje koelbloedige knopendraaiers die zich overal uit kletsen. Eén de Viefville is burgemeester van Guise, een andere lid van dat doorluchtige rechtsorgaan, het parlement van Parijs. De Viefvilles trouwen doorgaans met Godards; Madeleine is een Godard, van vaderszijde. De naam Godard ontbeert het felbegeerde adellijke voorvoegsel; desondanks neigen de Godards ertoe vooruit te komen in het leven en wanneer je in Guise en omstreken een muziekavond, begrafenis of diner van de Orde van Advocaten bijwoont, is er altijd wel eentje present om voor te kruipen.
De dames van die familie zijn voorstander van jaarlijkse productie, en Madeleines late start weerhoudt haar bepaald niet. Vandaar het Nieuwe Huis.
Dit kind, dat nu aan de andere kant van het vertrek op de brede vensterbank klautert, is zijn oudste. Zijn eerste reactie toen hem de pasgeborene werd getoond: die is niet van mij. Bij de doop werd duidelijk waarom niet, dankzij de grijnzende ooms en heksenschare aan tantes: Een echte kleine Godard, dat ben je, is hij niet open- top een kleine Godard? Drie wensen, denkt Jean-Nicolas zuur: landheer worden, trouwen met je nichtje, baden in weelde.
Het kind had een hele riedel namen omdat de peetouders het niet eens konden worden. Jean-Nicolas maakte zijn voorkeur kenbaar, waarop de familie de rangen sloot: Noem jij hem Lucien als je zo graag wilt, maar Wij noemen hem Camille.
Het leek Desmoulins alsof hij met de geboorte van zijn eerste kind vast was komen zitten in een zuigend moeras, zonder de minste hoop op redding. Het was niet dat hij geen verantwoordelijkheden op zich wilde nemen, maar hij werd simpelweg overweldigd door de complexiteit van het leven, lamgeslagen door de zekerheid dat er niets constructiefs te ondernemen viel in welke situatie dan ook. Met name het kind vormde een onoplosbaar probleem. Het leek ongevoelig voor juridische denkprocessen. Hij glimlachte ernaar en mettertijd glimlachte het terug: niet met de vertederende tandeloze grijns van de doorsneebaby, maar met wat op hem de indruk maakte van een vonkje vermaak. Daar kwam bij dat hij altijd had begrepen dat baby’s hun ogen nog niet goed scherp konden stellen, maar deze – en ongetwijfeld was het louter verbeelding van hem – leek hem nogal koeltjes op te nemen. Het maakte hem nerveus. Diep vanbinnen vreesde hij dat de baby op een goede dag in gezelschap rechtop zou gaan zitten en het woord zou nemen; dat hij hem recht zou aankijken, naar waarde zou schatten en zeggen: ‘Wat ben jij een lul.’
Nu, staand op de vensterbank, leunt zijn zoon naar buiten en doet verslag van het komen en gaan op het plein. Daar is monsieur le curé, daar is monsieur Saulce. Daar komt een rat. Daar komt de hond van monsieur Saulce; ooo, arme rat.
‘Camille, kom daarvan af,’ zegt hij. ‘Als je op de keien valt en hersenbeschadiging oploopt, kom je nooit in het stadsbestuur. Of misschien ook wel, bij nader inzien; wie zou het merken?’
Terwijl hij de rekeningen van kooplui en aannemer optelt, leunt zijn zoon zo ver mogelijk naar buiten, op zoek naar meer bloedvergieten. De curé komt het plein weer over, de hond valt in slaap in de zon. Een jongen legt de hond aan de leiband en voert hem mee naar huis. Eindelijk kijkt Jean-Nicolas op. ‘Als ik dat dak heb betaald, ben ik volslagen blut,’ zegt hij. ‘Luister je wel? Zolang je ooms al het rechtswerk van de regio bij me vandaan houden op een paar miezerige kruimels na, kom ik maandelijks niet rond tenzij ik je moeders bruidsschat aanspreek, die eigenlijk bedoeld is voor jouw opleiding. Met de meisjes komt het wel goed, die kunnen leren borduren, misschien trouwt er iemand met ze om hun charme. We kunnen moeilijk van jou verwachten dat jij er op die manier komt.’
‘Daar komt de hond weer,’ zegt zijn zoon.
‘Doe wat ik zeg en kom uit dat raam. En gedraag je niet als een klein kind.’
‘Hè?’ zegt Camille. ‘Ik ben toch een kind?’
Zijn vader beent het vertrek door en neemt hem op de arm, zonder pardon de vingertjes loswrikkend van het raamkozijn waaraan Camille zich vastklampt. Diens ogen worden groot van verbazing dat hij door deze hogere macht wordt weggevoerd. Alles verbaast hem: zijn vaders retorische betogen, spikkels op een eierschaal, dameshoeden, eenden in de vijver.
Jean-Nicolas draagt hem het vertrek door. Op je dertigste zul je aan dit bureau zitten, denkt hij, je kasboeken opzijleggen voor de onbenullige plaatselijke beslommeringen waarvoor je bent aangetrokken en, misschien voor de tiende keer in je loopbaan, een akte van hypotheek op het herenhuis van Wiège opstellen; en dat vaagt de verbazing wel van je gezicht. Als jij veertig bent, grijzend en ziek van de zorg om je oudste zoon, zal ik zeventig zijn. Dan zit ik in het zonnetje te kijken hoe de peren rijpen, en monsieur Saulce en de curé lopen langs en groeten me met een tikje tegen de hoed.

Wat vinden we eigenlijk van vaders? Belangrijk of niet? Dit zegt Rousseau erover:

‘De oudste van alle samenlevingen en de enige natuurlijke is die van het gezin, maar toch blijven kinderen van nature slechts aan hun vader gebonden zolang zij hem nodig hebben voor hun behoud … Het gezin kan wellicht worden gezien als de voorloper van een politieke samenleving. Het staatshoofd verbeeldt de vader, het volk zijn kinderen.’

Nog een paar familieverhalen, dan.
Monsieur Danton had vier dochters en als jongste kind een zoon. Die bezag hij niet met speciaal gevoel, behalve misschien opluchting over de sekse. Monsieur Danton overleed op veertigjarige leeftijd. Zijn weduwe was zwanger, maar verloor het kind.
In zijn latere leven meende de zoon, Georges-Jacques, zich zijn vader te herinneren. In zijn familie ging het met regelmaat over de doden. Hij zoog de gesprekken in zich op en veranderde ze in wat voor herinneringen doorging. Dat is voldoende. De doden keren niet terug om te klagen of te corrigeren.
Monsieur Danton was procureur geweest bij een plaatselijke rechtbank. Er was wat geld, er waren wat huizen, er was wat land. Madame merkte dat ze het wel redde. Ze was een bazige kleine vrouw, die het leven met gereedgehouden ellebogen tegemoet trad. Haar zwagers kwamen elke zondag langs en dienden haar van advies.
Intussen lapten de kinderen God en zijn gebod aan hun laars. Ze vernielden omheiningen, joegen schapen op en begingen diverse andere plattelandszonden. Wanneer ze erop werden aangesproken, gaven ze een grote mond. Kinderen van andere families duwden ze in de rivier.
‘Dat meisjes zich zo gedragen!’ zei monsieur Camus, de broer van madame.
‘De meisjes zijn het punt niet,’ zei madame. ‘Dat is Georges-Jacques. Maar weet je, ze moeten overleven.’
‘Dit is de jungle niet,’ zei monsieur Camus. ‘Dit is Patagonië niet. We hebben het over Arcis-sur-Aube.’
Arcis is groen; het land eromheen vlak en geel. Het leven verglijdt er in kalm tempo. Monsieur Camus keek naar het kind, dat aan de andere kant van het raam stenen tegen de schuur gooide.
‘De jongen is een wildebras en werkelijk onnodig fors,’ zei hij. ‘En waarom heeft hij een verband om zijn hoofd?’
‘Waarom zou ik je dat vertellen? Dan geef je alleen maar meer op hem af.’
Twee dagen eerder had een van de meisjes hem in de zoele avondschemer thuisgebracht. Ze hadden in de stierenwei eerste-christentje gespeeld, zei ze. Dat kon natuurlijk het vrome glanslaagje zijn waarmee Anne-Madeleine de kwestie bedekte; het was heel goed mogelijk dat niet alle martelaren van de Kerk bereid waren geweest om te worden ontwijd, en dat sommige, zoals Georges-Jacques, zich voor de gelegenheid hadden bewapend met puntige stokken. Zijn halve gezicht was opengereten door de stierenhoorn. In paniek had zijn moeder zijn hoofd in haar handen genomen, het vlees samengedrukt en tegen alle hoop in gebeden dat het aan elkaar zou blijven zitten. Ze omzwachtelde zijn gezicht stevig en legde nog een verband aan rond zijn hoofd om de builen en schrammen op zijn voorhoofd af te schermen. Twee dagen lang had hij gehelmd en agressief binnen lopen mokken en geklaagd dat hij hoofdpijn had. Dit was dag drie.
Vierentwintig uur na het vertrek van monsieur Camus zag madame Danton – als in een verbijsterende, vreselijke, zichzelf herhalende nachtmerrie – door hetzelfde raam hoe het stoffelijk overschot van haar zoon alle hoeken van de wei te zien kreeg. Een boerenknecht tilde het zware lichaam in zijn armen; ze kon zijn knieën zien doorbuigen onder het doodsgewicht. Twee honden renden met de staart tussen de poten achter hem aan. Daarachter kwam Anne-Madeleine aan sjokken, huilend van woede en wanhoop. Toen ze hen bereikte, zag ze dat de man tranen in zijn ogen had. ‘Die verdomde stier gaat naar de slacht,’ zei hij. Ze gingen de keuken in. Alles zat onder het bloed. Het hemd van de man, de vacht van de honden, Anne-Madeleines schort, zelfs haar haren. Het stroomde over de vloer. Ze keek om zich heen op zoek naar iets – een deken, een schone lap – om het lijk van haar enige zoon op te leggen. De knecht zakte uitgeput tegen de muur, waardoor hij een veeg roestbruin over het pleisterwerk trok.
‘Leg hem maar op de vloer,’ zei ze.
Zodra zijn wang de koude tegelvloer raakte, kreunde het kind zachtjes; pas op dat moment drong tot haar door dat hij niet dood was. Anne-Madeleine draaide monotoon het De profundis af: ‘Mijn ziel verlangt naar de Heer, meer dan wachters naar de morgen, wachters naar de morgen, Israël hoop op de Heer …’ Haar moeder gaf haar een draai om de oren om haar tot zwijgen te brengen. Een kip fladderde naar binnen en kwam voor haar voeten terecht.
‘Sla dat meidje niet,’ zei de knecht. ‘Zij haalde hem onder de hoeven vandaan.’
Georges-Jacques sloeg zijn ogen op en braakte. Ze zorgden dat hij stil bleef liggen en onderzochten zijn botten op breuken. Zijn neus was gebroken. Hij ademde bloedbellen. ‘Niet je neus snuiten,’ zei de man, ‘of je hersens komen mee naar buiten.’
‘Stilliggen, Georges-Jacques,’ zei Anne-Madeleine. ‘Je hebt die stier iets gegeven om over na te denken. Voortaan maakt hij wel dat hij wegkomt als hij je ziet.’
‘Ik wou dat ik een echtgenoot had,’ zei zijn moeder.

Voor het ongeluk had niemand echt op zijn neus gelet, dus niemand kon zeggen of er nobele trekken verloren waren gegaan.
Maar de plek waar de stierenhoorn zijn gezicht had opengehaald, vertoonde lelijke littekens. De schade liep over de volle lengte aan de zijkant van zijn gezicht en vormde een paarsbruine uitloper in zijn bovenlip.
Het jaar erna kreeg hij de pokken. De meisjes ook; het toeval wilde dat geen van hen stierf. Zijn moeder vond niet dat de littekens afbreuk aan hem deden. Als je toch lelijk wordt, kun je dat evengoed met overtuiging doen, er een beetje werk van maken. Georges trok in elk geval de aandacht.
Toen hij tien was, hertrouwde zijn moeder. Met Jean Recordain, een koopman uit de stad, een weduwnaar met een (rustig) zoontje. Hij had een paar kleine eigenaardigheden, maar ze meende dat ze goed bij elkaar zouden passen. Georges ging naar school, een kleine provinciebedoening. Hij merkte algauw dat hij alles zonder de geringste inspanning onder de knie kreeg en liet derhalve niet toe dat de school inbreuk maakte op zijn leven. Op een dag werd hij vertrappeld door een kudde zwijnen: builen en schrammen, nog een paar littekens die schuilgingen onder zijn dikke, springerige haar.
‘Dit is echt de laatste keer dat een beest me onder de voet loopt,’ zei hij. ‘Of het nu vier poten heeft of twee.’
‘God geve ’t,’ zei zijn stiefvader devoot.

Een jaar ging voorbij. Op een dag stortte hij ineens in met hoge koorts en klapperende tanden. Hij hoestte bloederig sputum op en er kwam, volmaakt hoorbaar voor iedereen in de kamer, een schrapend, reutelend geluid uit zijn borstkas. ‘’t Is niet best gesteld met zijn longen,’ zei de heelmeester. ‘Al die ribben die er met regelmaat in hebben gestoken. Sorry, lieve. Haal er maar beter de priester bij.’
De priester kwam en diende hem de laatste sacramenten toe. Maar de jongen weigerde die nacht te sterven. Drie dagen later klampte hij zich nog altijd vast aan een comateus halfleven. Zijn zus Marie-Cécile deelde iedereen in in een gebedsrooster; zelf nam ze de moeilijkste wacht, die van twee uur ’s morgens tot zonsopgang. De salon vulde zich met familieleden die op de juiste woorden zaten te zwoegen. Gapende stiltes werden onderbroken door het vertwijfelde geluid van mensen die allemaal tegelijk beginnen te praten. Bericht over elke ademteug ging van kamer tot kamer.
Op de vierde dag ging hij rechtop zitten en herkende hij zijn familie. Op de vijfde maakte hij grapjes en vroeg hij om eten; veel eten. Hij werd buiten levensgevaar verklaard.
Ze waren van plan geweest het familiegraf te openen en hem naast zijn vader te begraven. De doodskist, die ze in de schuur hadden gezet, moest worden teruggebracht. Gelukkig hadden ze er alleen een aanbetaling op gedaan.
Toen Georges-Jacques aan de beterende hand was, ging zijn stiefvader op reis naar Troyes. Bij zijn terugkomst kondigde hij aan dat hij voor de jongen een plaats had geregeld op het kleinseminarie.
‘Druiloor,’ zei zijn vrouw. ‘Geef maar toe, je wilt hem gewoon het huis uit hebben.’
‘Hoe kan ik me ooit aan mijn uitvinding wijden?’ vroeg Recordain in alle redelijkheid. ‘Ik leef hier op een slagveld. Als het geen kudde zwijnen is, zijn het wel reutelende longen. Wie gaat er nou in november de rivier in? Wie gaat er überhaupt de rivier in? Er is geen enkele noodzaak voor mensen in Arcis om te leren zwemmen. Het is de jongen in zijn bol geslagen.’
‘Ach, misschien is hij ook wel geschikt voor het priesterschap,’ zei madame verzoenend.
‘Zeker,’ zei oom Camus. ‘Ik zie hem zijn kudde al hoeden. Misschien kunnen ze hem op kruistocht sturen.’
‘Ik weet niet waar hij zijn hersens vandaan heeft,’ zei madame. ‘Bij ons in de familie zitten er geen.’
‘Bedankt,’ zei haar broer.
‘Nu hoeft hij natuurlijk geen priester te worden, alleen omdat hij naar het seminarie gaat. Je hebt de advocatuur. We hebben advocaten in de familie.’
‘En als het vonnis hem niet aanstaat? Je moet er niet aan denken.’
‘Hoe dan ook,’ zei madame, ‘laat me hem nog een jaar of twee thuishouden, Jean. Hij is mijn enige zoon. Ik heb hem graag bij me.’
‘Wat je maar wilt,’ zei Jean Recordain. Hij was een zachtaardige, vriendelijke man die zijn vrouw gelukkig maakte door precies te doen wat ze zei; hij bracht veel van zijn tijd door in een afgelegen schuur, waar hij aan een machine werkte om garen te spinnen uit katoen. Die zou de wereld veranderen, zei hij.
Zijn stiefzoon was veertien jaar oud toen hij zijn lawaaierige, opgeschoten aanwezigheid overbracht naar de oude kathedraalstad Troyes. Troyes was een ordentelijk stadje. Het vee had er besef van zijn nederige plaats in het universum en de vaders stonden er zwemmen niet toe. Er was een gerede kans dat hij daar in leven zou blijven.
Wanneer hij later terugkeek op zijn jeugd, beschreef hij die altijd als uitzonderlijk gelukkig.

[...]

 

© 2014 Uitgeverij Signatuur, Utrecht en Ine Willems

Uitgeverij Signatuur

MINDBOOKSATH : athenaeum