Leesfragment: Een Weense romance

27 november 2015 , door David Vogel
| |

24 april verschijnt Een Weense romance van David Vogel (Roman Viena-ie, vertaald door Kees Meiling). De presentatie op 1 mei is bij Athenaeum. Wij publiceren voor uit de proloog.
'Met een tuitmondje nam ze kleine slokjes van de dampende koffie. Vervolgens haalde ze uit haar zwarte handtas een gouden doosje met oogschaduw en poederde haar gezicht. Uit de smeulende sigarettenpeuk, die op het schoteltje lag en waarvan het mondstuk roodachtig was door de lippenstift, steeg een dunne, grijs-blauwige rooksliert omhoog, die een scherpe, welriekende geur verspreidde.'

In 2010 werd er in een schrijversarchief in Tel Aviv een opmerkelijke vondst gedaan: in de literaire nalatenschap van David Vogel bevond zich een stapeltje zeer dichtbeschreven vellen papier, dat bij nader onderzoek een volwaardige roman bleek te bevatten. Die toont eens te meer Vogels onmiskenbare meesterschap.

Op zoek naar avontuur reist de achttienjarige Michaël Rost naar de bruisende hoofdstad van Oostenrijk-Hongarije, bevolkt door revolutionairen, hedonistische gelukszoekers, prostituees en decadente adel, soms puissant rijk maar vaker aan lager wal geraakt en zich vastklampend aan vergane glorie. Een louche zakenman neemt Rost onder zijn hoede, waardoor hij een kamer kan huren bij een welgestelde familie. De sensuele vrouw des huizes verleidt hem wanneer haar echtgenoot op zakenreis is. Ook haar zestienjarige dochter valt voor de charmes van de huurder. Er ontstaat een driehoeksverhouding, met fatale gevolgen.

Proloog

Michaël Rost wierp een blik door het raam naar de nachtelijke oever die doorvlochten was met dunne herfstige regendraden. Hij bromde ‘hmm’ en liep de kamer uit. Het was ongeveer tien uur. Een bruine roodachtige hemel lag op de daken, het trottoir blonk vochtig en nattig. Lang als hij was en een beetje voorovergebogen liep hij op zijn gemak door de straten die al enigszins leeg waren geworden, langs brutaal verlichte etalages, langs prostituees onder luifels. Korte tijd later ging hij het café binnen. Van verre knikte hij vluchtig naar enkele bekenden en ging aan een tafeltje zitten dat net op dat moment vrijkwam in de eerste zaal tegenover de ingang. Emmy Vitler, dun figuurtje, in het zwart gekleed en kortgeknipt rood haar, zwaaide met een smalle elegante hand naar hem en schonk hem een lieftallige glimlach. Zonder op een uitnodiging te wachten kwam ze naast hem zitten en stak een sigaret op.
‘Ik kom net uit de bioscoop. Ik ben in het midden van de voorstelling weggelopen. Saaie film.’
‘In je eentje?’
‘Ook dat, zo gaat dat soms. Trouwens, de laatste tijd is Egon ijverig in de weer met die kleine knappe Poolse. Je kent haar wel. Echt een mannenverslindster.’
Met een tuitmondje nam ze kleine slokjes van de dampende koffie. Vervolgens haalde ze uit haar zwarte handtas een gouden doosje met oogschaduw en poederde haar gezicht. Uit de smeulende sigarettenpeuk, die op het schoteltje lag en waarvan het mondstuk roodachtig was door de lippenstift, steeg een dunne, grijs-blauwige rooksliert omhoog, die een scherpe, welriekende geur verspreidde.
‘En wie neemt intussen zijn plaats in?’ zei Rost met een grijns.
‘Niet zo brutaal jij! Maar goed, ik zal het je vertellen: ik ga een kort intermezzo inlassen voor filosofische beschouwingen over levensvraagstukken...’ Ze stootte een kort, schalks lachje uit.
‘Heb je dan al de geschikte leeftijd bereikt? Gewoonlijk begint men met zoiets na zijn vijftigste. Ik schat zo in dat jij nog zo’n vijfentwintig jaar te gaan hebt.’
‘Vrouwen die niet zo mooi zijn beginnen op elke leeftijd...’
‘Vis je naar een complimentje? Heb je daar soms zo’n behoefte aan?’
‘Elke vrouw heeft daar behoefte aan. Zelfs de allermooiste. Zonder dat voelt ze zich een lelijk wijf.’
‘En eenieder die maar veel complimentjes geeft kan de vrouwtjes om zijn vinger winden?’
‘Kan zijn...’
‘In dat geval... in dat geval dachten verschillende gedrochten onnodig dat de zaak zo moeilijk was...’
In Emmy’s verbeelding flitste even het beeld van een kreupel mannetje met een griezelig lelijk gezicht, dat zich over haar lichaam heen buigt. Een brok walging kwam in haar keel op. ‘Houd toch op. Je wekt echt walgelijke fantasieën bij me op.’

Mannen en vrouwen van alle leeftijden, volken en talen zaten dicht op elkaar aan tafels die zo dicht tegen elkaar aan stonden dat je er nauwelijks langs kon lopen. Ze dronken, spraken, lachten luidruchtig, rookten, gaven zich vol overgave over aan die stemming van zowel echte als gekunstelde uitgelatenheid waarvan de lucht in deze stad doortrokken was. Rost richtte zijn blik op de ingang, bekeek de gezichten van de onderling zo van elkaar verschillende mensen die opeen dromden, die voortdurend naar binnen en naar buiten gingen en daarmee de weg versperden voor de obers die gedwongen waren hun dienbladen vol drankjes boven hun hoofden te balanceren. Zijn ovale, bloedeloze gezicht had een harde uitdrukking die niet gespeend was van wreedheid. Wederom was hij ten prooi aan die doordringende verveling die diep in het hart van een mens als een soort psychische kanker was ingevreten, erfenis van een lange reeks van generaties die zichzelf geen enkel werelds genoegen ontzegden en waarvan sommigen een eind maakten aan hun leven wegens de walging die in oververzadiging is gelegen. Hij dronk iets van de zwarte koffie die voor hem stond en inmiddels koud was geworden.
‘Kijk, daar heb je Gregor!’ Emmy wees op een manspersoon met een pet op en een verschoten, bijzonder brede zomerjas die zo kort was dat hij niet tot zijn knieën reikte. Deze man stapte recht op hun tafel af.
Emmy stelde hem voor. Hij schoof een vrije stoel van de tafel ernaast aan en ging zitten. Onmiddellijk richtte hij zich tot Rost, zonder enige inleiding: ‘En waar is uw atelier? U bent toch schilder?’ Tijdens zijn spreken werden losstaande, bruin-gelige tandstompjes in zijn mond zichtbaar. ‘Ik ben helemaal geen schilder.’
‘Ach, wat een geslepen knakker!’ Zijn mond vertrok in een geluidloos lachje.
Terwijl hij zijn korte pijp in zijn mond stopte haalde hij met zijn andere hand de pet van zijn hoofd en legde die op zijn schoot. Hij had een kale, ronde en glimmende schedel die nog eens extra zijn baardstoppels deed uitkomen.
‘En welke filosoof leest u momenteel?’
‘Ook dat niet. U slaat de plank volledig mis.’
‘In dat geval verdient u het des te meer mij op koffie te trakteren. Of nog liever op een glas wijn. U begrijpt immers het een en ander van het leven, Herr Rost...! Met mensen van uw slag houdt Paul Gregor ervan een woord te verspillen, hihi. Garçon, witte wijn!’
Emmy lachte.
‘Ik ben er echt niet zo zeker van of ik dat wel verdien,’ schertste Rost.
‘Zeker wel, het is de moeite waard, meneer! Wees niet al te bescheiden. Ik heb daaraan mijn haren en mijn tanden verloren en ik weet waar ik het over heb!’ Hij zoog krachtig aan zijn uitgedoofde pijp. ‘Echter, als u toevallig schrijver bent, dan mag u mij grondig screenen en naar hartenlust gebruiken. Daarin zijn heel wat mensen u al voorgegaan en bepaaldelijk de besten. Die arme schrijvers, verbeeldingskracht is slechts het vermogen van enkele uitzonderlijke individuen en interessante mensen zijn zo zeldzaam! Ze storten zich dus op mij als hongerige wolven. Ik heb genoeg in huis, genoeg materiaal voor hen allemaal!’
‘Niet nodig, schrijver ben ik al evenmin.’
‘O nee?! In dat geval bent u wel een volstrekt exotische vogel!’
Hij drukte de monocle die aan een zwarte draad hing in zijn rechter oogkas en begon zijn gesprekspartner eens nader te bekijken, zijn waterige doorlopen ogen knipperden en zijn mond bleef in een krom lachje staan. Met een spottende uitdrukking doorstond Rost zijn aftastende blikken.
‘Nee!’ besliste Gregor. ‘Je zult nog geen half dozijn exemplaren zoals u hier aantreffen, dat garandeer ik u. In deze buurt – nee hoor!’
‘En u zelf, bijvoorbeeld?’
‘Ik? Schrijver, natuurlijk...! Dat allereerst! Ik schrijf bedelbrieven aan de filantropen onder het volk! Wat wilt u – de Duitsers zijn barbaren, cultuurbarbaren! Van schilderkunst hebben ze evenveel verstand als een aap, niet meer! Grof en onbehouwen, onbeschoft, dwaas, stompzinnig als vee! En als je het geluk deelachtig bent geweest als Duitse schilder te zijn geboren – heb je geen andere keus dan “schrijver” te worden...’ Nijdig nam hij een fikse teug van zijn wijn.
Emmy gaf als verklaring: ‘Herr Gregor heeft vast weer een slecht humeur en dan stort hij al zijn gramschap uit over die arme Duitsers.’
‘Inderdaad ja! En er is mij tevens een grote ramp overkomen!’ Hij voegde eraan toe: ‘Mijn kat, moeten jullie weten, heeft gisteren zelfmoord gepleegd.’
‘Zelfmoord gepleegd?’
‘Hij heeft zich van de derde verdieping laten vallen. Was op slag dood. De laatste tijd was hij al bijzonder depressief. Dat kon je duidelijk zien. Hij wilde ook niks meer eten. Mogelijk was hij ziek.’ Hij knipperde met zijn kleine oogjes en drukte de monocle nog eens goed vast. ‘Ik kocht altijd voor het middagmaal twee porties gebraden vlees, een voor mij en een voor hem. Vandaag heb ik er nog maar een gekocht.’
‘Waarschijnlijk is hij per ongeluk uit het raam gevallen,’ merkte Rost op.
‘Denkt u dat echt?!’ reageerde Gregor geëmotioneerd en zwaaide met zijn pijp. ‘In dat geval, beste meneer, begrijpt u er niets van. Een kat, moet u weten, loopt nooit een verwonding op door een val! Hij komt altijd op zijn vier pootjes terecht en loopt gewoon verder. Laat u dit gezegd zijn: mijn kat heeft ZELFMOORD GEPLEEGD! Jazeker! Doordat hij door zwartgalligheid was getroffen! Hij kon zich toch niet door een schot hagel doden enkel en alleen opdat u hem zou geloven!’
Rost richtte even zijn blik op hem met zijn priemende donkergroene ogen.
‘Afgezien daarvan, waaruit bestaan uw activiteiten, Herr Gregor?’ kwam Emmy tussenbeide.
‘Ik maak schilderijen, zoals gewoonlijk. Alles op één doek. Een heel jaar op hetzelfde doek, hihi. Ik heb er zo al honderd geschilderd.’
‘Honderd op één doek?’
‘Waarom niet! Je wist er een uit en schildert er een ander voor in de plaats. Op het laatst zitten ze er allemaal in... Wie het gaat kopen zal voor alle honderd moeten betalen. Behalve dat, ik... ik schrijf een nieuwe filosofie neer... Schilderijen en geschriften, ze worden eigenhandig door mij vervaardigd. Het wordt de meest diepgaande en oorspronkelijke schepping in deze generatie, dat garandeer ik jullie.’ Hij had zijn wijn opgedronken en bestelde een tweede glas. ‘Daar heeft u vast niets tegenin te brengen, Herr Rost!’ zei hij vervolgens. ‘En waarmee houdt u zich dan onledig in deze wereldstad?’
‘Dat is een geheim.’
‘Zozo! En de financiële middelen daartoe? Het koesteren van geheimen heeft zoals bekend financiële middelen nodig.’
‘Ik heb zoveel als ik maar nodig heb.’
‘Bijvoorbeeld, voor een lening, zit dat erin?’
‘Wie leent er dan bij wie?’
‘Nou ja zeg, ik bij u natuurlijk.’
‘Misschien. Hoe hoog moet die lening zijn?’
‘Vanaf twintig en hoger. Er is geen maximumbedrag wat mij betreft.’
‘Wij houden het dus op twintig,’ lachte Rost en hij stak hem twee opgevouwen biljetten toe.
Gregor nam ze aan tussen duim en wijsvinger en liet ze in de bovenste zak van zijn jas glijden. ‘Welnu, wat wilt u drinken, Herr Rost? Nu ben ik immers weer rijk, ik heb genoeg financiële middelen om te trakteren. En u, madame? Wellicht een benedictine?’
Hij drong zo bij hen aan dat ze er niet onderuit konden nog iets te bestellen. ‘Kom me eens met een bezoek vereren,’ zei Gregor terwijl hij opnieuw zijn pijp stopte.
‘Misschien als het zo uitkomt.’
‘Maar ik ben zowat nooit thuis...’
‘En dan wilt u dat ik u kom bezoeken?’
‘Eigenlijk geen behoefte. Ik zei het alleen maar uit beleefdheid. Soms, ziet u, ben ik warempel ook enigszins beleefd, hihi. Echter, ik zal u een keer meeslepen, wanneer het zo uitkomt. Dan zult u mijn schilderijen zien. U moet niet vergeten dat de grootste Duitse schilder van deze generatie en alle generaties in levende lijve voor u staat! Dit feit is weliswaar bekend in Londen maar niet in Berlijn. Wat begrijpen de Duitsers van schilderkunst? Zo is het, meneer!’ Hij trok zich terug om een gedrongen, corpulente man met een rood aangelopen gezicht en uitpuilende, loensende ogen tegemoet te gaan, die op dat moment uit de aangrenzende zaal kwam.
‘Origineel figuur,’ zei Emmy. ‘Helemaal niet zo stom. Ik luister graag naar zijn gesprekken en zijn uitweidingen, hoe hij van de hak op de tak springt. Hij zegt soms nogal bizarre dingen.’
Rost gaf haar een vuurtje. ‘Eigenlijk is het toch inmiddels de hoogste tijd dat wij tweeën een kleine liefdesaffaire beginnen, Emmy... Zonder enige verplichting.’
Zij lachte, niet duidelijk of zij met zijn voorstel instemde of het afwees.
‘Kom morgen naar me toe. Om drie uur ongeveer.’
‘Mogelijk dat ik kom.’
‘Ik zal op je wachten,’ zei Rost met nadruk op elke lettergreep. Vervolgens wenkte hij de ober en betaalde.

[...]

Copyright © 2014 The Institute of Hebrew Literature
Copyright vertaling © 2014 Kees Meiling/Uitgeverij Athenaeum—Polak & Van Gennep

Athenaeum - Polak & Van Gennep

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum