Leesfragment: Het Aziatische kruitvat

27 november 2015 , door Robert D. Kaplan
| | |

Op 4 april verschijnt Het Aziatische kruitvat. Het einde van de stabiliteit in de Grote Oceaan van Robert D. Kaplan (vertaling George Pape). Wij publiceren voor.
'Het felste nationalisme vindt zijn oorsprong vaak in wat door freudianen het "narcisme van het kleine verschil" genoemd wordt. Dat Vietnam niet gewoon een zuidelijke buitenpost van de Chinese cultuur is, heeft het te danken aan zijn Indiase en Khmer-erfgoed: dat levert een uniek brouwsel op dat sterke overeenkomsten maar ook grote verschillen vertoont met de Chinese beschaving.'

In Het Aziatische kruitvat richt Robert Kaplan zijn scherpe oog op de landen rond de Zuid-Chinese Zee. Deze zee, waar de belangrijkste vaarroutes tussen het Midden-Oosten en Zuidoost-Azië doorheen lopen en voor miljarden aan olie en gas in de zeebodem zou zitten, speelt een dominante rol in de sluimerende en met regelmaat oplaaiende conflicten tussen China, Japan, Vietnam, de Filippijnen, Maleisië en Indonesië. De landen ruziën om onooglijk kleine eilandjes en de grenzen van territoriale wateren. Wat is de voorgeschiedenis en wat zijn de doelen en beweegredenen van de huidige machthebbers?

Kaplan is een voortreffelijk waarnemer van buitenlandse politieke ontwikkelingen en een scherpzinnig opinievormer. Hij voorspelt dat dit gebied steeds meer het nieuws zal gaan domineren en legt uit wat de gevolgen kunnen zijn van de conflicten die hier uitgevochten worden voor vrede en stabiliteit op wereldniveau.

Proloog
De ruïnes van Champa

Ik loop langs jungleroutes in de zinderende stilte. Zwart uitgeslagen brokstukken rode baksteen liggen, door groen overwoekerd, aan de voet van steile bergen, die worden opgeslokt door regenwolken. Ik bevind me in My Son, in Centraal-Vietnam, op zo’n zestig kilometer van de kust van de Zuid-Chinese Zee. Er groeien bloemen en gras op elk niet-verticaal stukje van de bouwwerken, waar zich ooit altaren, lampen en lingams bevonden, die baadden in een geur van wierook en kamfer. Halfverwoeste beelden, die, zo ver in Zuidoost-Azië, toch aan India doen denken, staan in muurnissen, ingeklemd tussen zuilen, blauw en wit gespikkeld door de klimop. Er zijn hoofdeloze goden en door de tand des tijds aangevreten dansbeeldjes, waar onderzoekende insecten nu driftig omheen cirkelen. De loszittende stenen hebben wel iets van ontbrekende tanden: de monumenten zijn zo aangetast en verweerd dat wat nog rest doet denken aan de abstracte vormen van modernistische sculpturen. Een door klimop overwoekerde lingam, het fallussymbool van Shiva’s mannelijkheid, staat eenzaam op wacht, de eeuwen trotserend.
De omvang van de tempelgroepen B en C en ook het grote aantal tempels beloven de bezoeker een Vietnamees Angkor Wat, maar wanneer ik bij de andere tempelgroepen kom, besef ik hoe weinig er nog over is van negen eeuwen religieus leven – een periode die loopt van de late oudheid tot aan de hoge middeleeuwen. Groep A is niet meer dan een hoopje puin – een stille getuige van vernietigende Amerikaanse helikopteraanvallen, in een oorlog die voor de toekomst van Zuidoost-Azië van minder belang is geweest dan waar deze ruïnes voor staan.
Het felste nationalisme vindt zijn oorsprong vaak in wat door freudianen het ‘narcisme van het kleine verschil’ genoemd wordt. Dat Vietnam niet gewoon een zuidelijke buitenpost van de Chinese cultuur is, heeft het te danken aan zijn Indiase en Khmer-erfgoed: dat levert een uniek brouwsel op dat sterke overeenkomsten maar ook grote verschillen vertoont met de Chinese beschaving. Wie een beeld van de Champa-cultuur – van de 4e tot en met de 13e eeuw – schetst, maakt duidelijk hoe ver bezijden de waarheid die Koude Oorlog-regiostudies zijn die nog altijd in ‘Washington’ in zwang zijn: daarin wordt Zuidoost-Azië zonder pardon ingedeeld bij het gebied Oost-Azië–Pacific, terwijl die regio toch echt een onderdeel vormt van een organisch continuüm dat met de naam ‘Indo-Pacific’ beter af zou zijn en waarvan het maritieme centrum wordt gevormd door de Zuid-Chinese Zee: ‘Champa’ namelijk staat voor een zeevarend piratenvolk. Ingeklemd tussen de Centrale Hooglanden en de zee konden de Cham, die tal van rivieren en natuurlijke havens tot hun beschikking hadden en hout, specerijen, textiel, honing, was en metalen leverden, volop profiteren van het handelsverkeer tussen de Indische Oceaan en het westen van de Pacific. De Fransen hadden het bij het rechte eind toen ze deze regio niet Zuidoost-Azië maar ‘Indochina’ doopten.
Kijk eens naar het middeleeuwse Cholarijk van de hindoe-Tamils: dat was gevestigd in Zuid-India en stuurde zijn vloten via deze kustwateren helemaal naar China; terwijl aan de andere kant oud Chinees aardewerk op het zuidelijke Java is gevonden en Chinese schepen zich in de middeleeuwen, tijdens de Tang- en Yuandynastie, helemaal tot Odisha in Noordoost-India waagden. Lang voor de Noord- en Zuid-Vietnamezen uit het Koude Oorlogtijdperk waren er al Vietnamezen uit het noorden en zuiden, die achter deze culturele breuklijn hadden geleefd en de kloof van de eeuwen tussen oudheid en moderne tijd hadden overbrugd: zo was Dai Viet een jong, onstabiel koninkrijk in het noorden, nadat het meer dan duizend jaar een provincie van het Chinese Rijk was geweest; en in het zuiden bevonden zich het Khmer- en het Champarijk. Met name Champa was de vijand van Dai Viet en verhinderde de expansie daarvan in zuidelijke richting; ten slotte werd Champa zo goed als van de kaart geveegd door de Kinh-meerderheid in het noorden; sindsdien bestaat er een onderhuids schuldgevoel bij Noord-Vietnam ten opzichte van Zuid-Vietnam. Champa was, als historische en culturele ‘vertegenwoordiger’ van Zuid-Vietnam, altijd meer verbonden met de leefwereld van de Khmer en de Maleiers dan met de verchineesde Dai Viet in het noorden.
In de 17e en 18e eeuw waren er duidelijk weer twee Vietnams te onderscheiden: Tonkin in het noorden, waar de Le-dynastie heerste, en Cochin-China in het zuiden, waar de Nguyen-dynastie in het zadel zat. Dat dit uiteindelijk zo uitviel, kwam doordat Vietnams bijna 1600 kilometer lange kustlijn twee grote beschavingen raakte: die van India en die van China.
Van het bestaan van Champa werd ik me bewust toen ik jaren geleden in een winkel in Hanoi een geïllustreerd boek aantrof: The art of Champa van Jean-François Hubert. Omdat het zo’n fraai boekwerk was, wilde ik het meteen aanschaffen. Champa bestaat ‘in weerwil van de tijd’, aldus Hubert; het erfgoed ervan is behouden gebleven dankzij Franse archeologen van de École française d’Extrême-Orient, die eind 19e/begin 20e eeuw in My Son en op andere vindplaatsen studies en opgravingen hebben verricht en concreet bewijsmateriaal hebben geleverd voor zaken waarvan slechts melding werd gemaakt in de Chinese dynastieke annalen en in ambassadeverslagen. Huberts tekst, die net zo fraai is als de bijgaande foto’s, bracht me in contact met de Sanskrietcultuur en met het weldadige hindoe-boeddhistische syncretisme (al ligt de nadruk wel sterk op het hindoeïsme). ‘In de 8e eeuw,’ schrijft Hubert, ‘strekte Champa zich uit van de Annam-poort in het noorden tot aan het Donnai-bekken in het zuiden’, dat wil zeggen, even ten noorden van de voormalige gedemilitariseerde zone (dmz) tot aan Saigon in het zuiden. Huberts middeleeuwse kaart heeft dus veel weg van een Koude Oorlog-stafkaart. Na een grandguignoleske serie oorlogen en invallen – het gevolg van het feit dat men zich op een culturele breuklijn bevond – werd het hindoeïstische Champa ten slotte overvleugeld door de Viets. Zo ontstond het Vietnam zoals wij het thans kennen: al zorgt het erfgoed van deze onderworpen hindoe-wereld wel voor de bij uitstek niet-Chinese culturele identiteit.
Huberts boek voerde me naar Danang, bij de oude DMZ – tijdens de Vietnamoorlog was het de drukste luchtmachtbasis, maar die wereld is verdwenen: begraven onder de realiteit van op Amerikaanse leest geschoeide ‘hekwerkwijken’, exclusieve golfbanen en halfafgebouwde vijfsterrenresorts en casino’s, die zich aan de zuidkant van de stad, met de Amerikaanse vlag bij de ingang, uitstrekken langs China Beach. Er zijn ook eco-vakantieaccommodaties. De junglehel van de Amerikaanse G.I.’s is een paradijs voor rugzaktoeristen geworden: het land dat voor een hele generatie ‘oorlog’ symboliseerde, oogt nu vriendelijk en beschikt over een meeslepende ‘beat’.
In het centrum van Danang staat het Cham-museum, een mosterdgeel Frans gebouw in de koloniale stijl van 1915, waar honderden beeldhouwwerken, die in 1903 en 1904 tijdens opgravingen in My Son en elders door de archeologen Henri Parmentier en Charles Carpeaux werden aangetroffen, zijn ondergebracht in overvolle, slecht verlichte en benauwde ruimten, waar de ramen openstaan en roet en uitlaatgassen vrij spel hebben. Hier nam mijn fascinatie voor het oude Champa nog verder toe. Naast de beeldhouwwerken waren ook koperachtig uitgeslagen zwart-witfoto’s te zien die door genoemde oudheidkundigen waren genomen en die de voorwerpen beter afbeelden dan via kleurenfoto’s mogelijk was geweest. Want die beeldhouwwerken hebben nu eens een onbestemde melkgrijze tint en dan weer een lichte okerkleur – veel mooier dan de primaire kleuren – en komen het beste uit als een oplichtend aards contrast tegen een donkere achtergrond. Elk beeldhouwwerk kwam voor mij tot leven alsof het in de studio voor de fotograaf poseerde. In de Indiase wereld is dans een goddelijke kunst en bij veel voorwerpen leek de beweging bevroren als op een filmfoto.
Er was Gajasimha, het rijdier van Shiva, met de olifantenkop en het leeuwenlijf, de belichaming van de intelligentie van de goden en de kracht van de koningen; ook was er een Shiva, de godheid zelf, met een reusachtig hoofd waarvan de neus helemaal afgebroken was, en in wiens ogen de macht over alle schepping en vernietiging in het universum lag. Er was een kleine Vishnu, de Beschermer, waarvan het gelaat zozeer door de tand des tijds was aangetast dat nog slechts één oog vaag te herkennen was, maar waarvan de blik niettemin nog altijd angstaanjagend was. Brahma, de god van de schepping, had drie in plaats van de gebruikelijke vier hoofden, waarmee de verschillende windstreken van het universum worden weergegeven; met zijn vier armen hield hij de afzonderlijke delen van de Veda’s vast. Yaksha, de natuurgeest; Balarama, Vishnu’s avatar; Kala, een god van de dood: het complete Hindoe-pantheon is te vinden in Danang – een plaats waar die Indiase goden bijna duizend jaar hun macht hebben uitgeoefend. De hoogst levendige bas-reliëfs, die door de Fransen uit een tempel in My Son naar Danang zijn overgebracht, doen denken aan het welbekende beeld dat de Duits-Joodse intellectueel Walter Benjamin van de geschiedenis heeft geschetst: dat van een enorme puinhoop, bestaande uit voorvallen en gebeurtenissen, die ‘tot aan de hemel groeit’, en waarbij ‘vooruitgang’ staat voor puin dat nog moet ontstaan.
Ik was nog niet klaar. Ook het Historisch Museum in Saigon, waar een zaal vol met Champa-beeldhouwwerken te vinden is, was zeker een bezoek waard. Te midden van de diorama’s en andere voorbeelden van vernielingen van Song-, Yuan- en Ming-dynastieën – met andere woorden, de strijd tegen China die als een rode draad door de Vietnamese geschiedenis loopt – trof ik overblijfselen van de Cham aan: niet alleen uit de verre 2e eeuw maar ook uit de meer recente 17e eeuw: nog meer aanwijzingen dat Vietnam, ondanks sterke culturele overeenkomsten met China, wel degelijk een geval apart is. Een belangijke bijdrage daartoe zijn de Indiase invloeden geweest. Met andere woorden, zonder het Indiase subcontinent was Vietnam er in cultureel en esthetisch opzicht niet uitgesprongen. Ik richt mijn aandacht op de stenen, café-au-laitkleurige dansbeeldjes van godinnen met vier armen – met volle boezem en een slanke, zij het vlezige taille: ze komen geheel en al overeen met de beeldhouwwerken die ik eerder had gezien in de grotten van Ellora, ten oosten van Mumbai. Er is een beeld van Lakshmi uit de 10e eeuw, dat rijkdom en sensualiteit uitstraalt; een Shiva-beeld uit de 15e eeuw, een gestileerde voorstelling die het realisme achter zich laat, zodat de artistieke abstractie de overhand heeft gekregen. Hoewel deze Shiva maar voor de helft is uitgehouwen, komt er uit de steen een geweldige geestkracht naar voren!
In een aangrenzende zaal ga ik de Cham-beelden vergelijken met de Khmer-sculpturen uit de 12e eeuw; de laatste zijn een mix van boeddhistisch-brahmaanse stijlen. De beigebruine Khmer-gezichten komen tot leven in hun mystieke aanvaarding van het lot – nooit heb ik iets gezien dat zozeer gemoedsrust uitstraalt: de lage voorhoofden, de nogal platte neuzen, de brede, volle lippen, de geopende ogen, ook al lijken ze gesloten. De Khmer-cultuur is, net als die van Champa, nog een voorbeeld van het samengaan van de Indiase en de Chinese beschaving. Soms tref je een voorwerp aan dat bij de ene beschaving lijkt te horen maar dan toch een perfecte uiting is van die andere beschaving: een 10e-eeuwse Devi bijvoorbeeld, de vrouwelijke Oppergod, afkomstig uit Huong Que in Centraal- Vietnam; het beeld, dat uitgesproken arische gelaatstrekken vertoont en opmerkelijk oranje-bruin gekleurd is, stamt geheel en al uit India. Het is ook het enige beeld dat ik zag dat geschikter zou zijn voor een kleurenafbeelding dan voor een zwart-witfoto.

Het is misschien vreemd dat ik een geopolitieke studie van de Zuid-Chinese Zee begin met het fascinerende, mythische erfgoed van India. Maar het is wel de kern van de zaak: ‘Champa’ is een voorbeeld dat ik in dit verslag over China’s groter wordende invloed voor ogen moet houden. Dat ik zo veel werk maak van mijn beschrijving van Champa’s kunstwerken, is pure noodzaak: want ik mag nooit vergeten hoezeer India’s aanwezigheid zich in dit deel van de wereld doet gevoelen, in een tijd dat China’s heersersblik zo onontkoombaar lijkt. Terwijl ik dit opschrijf, is de steeds sterkere aanwezigheid van China namelijk de bepalende factor in de regio rond de Zuid-Chinese Zee, getuige Beijings demografische en economische overwicht. Als ik China’s opkomst hier niet bij de kop pak – als ik de opvallende trends van de afgelopen decennia negeer – dan snijden mijn observaties verder weinig hout. Aangezien de toekomst niet kenbaar is, kan men slechts over het heden schrijven. Maar het feit dat de toekomst niet kenbaar is, betekent ook dat alles tot de mogelijkheden behoort – wellicht ook zoiets als een enorme verzwakking of zelfs ineenstorting van de communistische partij (en van China zelf) als gevolg van binnenlandse economische en sociale problemen. ‘Champa’ is derhalve een les in nederigheid: het doet je beseffen dat mijn analyse, door het efemere karakter van het heden, op zijn best niet meer dan een tijdsdocu- ment kan zijn. Hoewel ik verder alleen heel af en toe op ‘Champa’ zal terugkomen, hoop ik dat de kortstondige, zij het grote aandacht die ik eraan heb besteed ervoor zorgt dat het hele boek niet louter over actuele zaken gaat. ‘Champa’ staat voor de weidse blik, want door terug in de tijd te gaan kijken we vooruit, over de horizon heen. De slagschaduw van China is thans wel erg aanwezig, maar als China het binnenkort op een bepaald punt hopeloos laat afweten, zou de ‘Zuid-Chinese Zee’ weer de Franse koloniale naam Indochina kunnen waarmaken: daarin concurreert China op gelijke voet – en niet als bovenliggende partij – met India en met andere mogendheden en beschavingen.
Hoewel mijn studie in de richting wijst van een militaire krachtmeting tussen de Verenigde Staten en China, kan de toekomst – niet alleen in militair maar ook in economisch opzicht – wel eens uitgesproken ‘multipolair’ uitvallen, waarbij een land als Vietnam – maar ook Maleisië, Australië of Singapore – een heleboel mogendheden tegen elkaar uitspeelt. De Verenigde Staten hebben zich verzet tegen het vooruitzicht van één Vietnam onder leiding van het communistische noorden. Maar toen die eenwording eenmaal een feit was, hield de nieuwe, grotere Vietnamese staat een veel grotere dreiging in voor communistisch China dan voor de VS. Dat is dan de ironie van de geschiedenis. Omdat ‘Champa’ laat zien wat de centrale rol van één mogendheid was toen een andere mogendheid in opkomst was, staat het symbool voor verrassende ontwikkelingen en mogelijkheden, die de doorsnee analist nog niet heeft opgemerkt.
Het Saigon van de Amerikaanse G.I.’s, met zijn lawaaierige bars en striptenten, is verdwenen: dood en begraven onder schitterende, van onderop verlichte etalages van Gucci, Lacoste en Versace. Maar die wonderlijk-raadselachtige beelden in deze stoffige opslagplaats van een museum leven nog wél.

© 2014 Robert D. Kaplan
© 2014 Nederlandse vertaling, George Pape

Uitgeverij Unieboek Het Spectrum

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum