Leesfragment: Het feest van de eeuw

27 november 2015 , door Judith Eiselin
| |

In samenwerking met Recensieweb.nl richten we de schijnwerpers op Nederlandse prozadebuten. Deze maand vindt u op onze site uitgebreide leesfragmenten uit de debuten van Judith Eiselin, Pauline Genee, Auke van Stralen en Ann Thijssen.

Op donderdag 16 januari verschijnt Het feest van de eeuw, de debuutroman van kinderboekenschrijfster Judith Eiselin. Wij publiceren voor uit het eerste hoofdstuk. 'Ik was gestopt met seks, voorgoed, dat wist ik zeker. Alleen moest Mustafa zich nu niet gaan staan uitrekken, pal voor mijn neus. Niet kijken. Gewoon niet kijken naar dat streepje haar daar op die buik van hem, dat tevoorschijn kwam nu zijn T-shirt omhoogschoof. Niet op letten. Enkel op de hond letten.'

Het is hoog tijd voor bezinning en verdieping, vindt Elise, nu ze zo'n beetje halverwege haar leven is. Maar waar moet ze het zoeken? Niet in seks en lijfelijkheid, daar is ze mee gestopt (ze rookt wel nog steeds). En ook niet in spiritualiteit en zweefgezever, zoals haar beste vriendin doet, die ze niet langer kan volgen. Ligt de sleutel tot wie we zijn en nog kunnen worden wellicht in het verleden verstopt? Elise organiseert een reünie.

1

 

 

Ik was gestopt met seks, voorgoed, dat wist ik zeker. Alleen moest Mustafa zich nu niet gaan uitrekken, pal voor mijn neus. Niet kijken. Gewoon niet kijken naar dat streepje haar daar op die buik van hem, dat tevoorschijn kwam nu zijn Tshirt omhoog schoof. Niet op letten. Alleen op de hond letten.
Mustafa stond zo dichtbij dat ik hem kon ruiken, als ik dat zou willen. Maar dat wilde ik dus niet. Ik ademde door mijn mond en keek strak naar de hond die voor onze voeten op de stoep lag. Wat een kolos. Je zou zo’n beest maar hebben. Het was met stip de grootste en dikste hond die ik ooit had gezien, en ik werkte toch al mijn halve leven in het asiel. De hond moest in het hok. Maar er was geen beweging in te krijgen.
‘Hij zat zomaar op de stoep vanochtend.’ Mustafa liet zijn armen zakken en hurkte naast de hond. ‘Niet eens aangelijnd. Maar zo’n lelijke poeding kan natuurlijk bijna niet lopen.’
Hij keek naar me op. Zijn haar glom in de zon.
‘Pudding,’ zei ik. ‘Niet poeding.’
Ik trok de rits van mijn nieuwe jack – ‘sekseneutraal,’ was me door de verkoper verzekerd – een eindje omlaag. Het jack zat vol zakken en ritsen, speciaal ontworpen om alles wat een mens met zich meesleept trefzeker op te bergen en nooit meer iets kwijt te raken. Ik reikte naar de hondenkop, raakte per ongeluk Mustafa’s hand aan en kreeg het nog warmer dan ik het al had.
‘Heb jij het niet koud zo zonder jas?’ Ik klonk als de eerste de beste schooljuf. ‘Zo zonder jas in maart?’ voegde ik er lamlendig aan toe.
‘Nee hoor, ik heb het warm. Heel warm.’ Hij keek me te lang aan. De treiterblik van een echte verleider. Maar hij bedoelde er niets mee. Natuurlijk niet. Geen sprake van. Hoe kwam ik er ineens bij om op zo’n jochie te vallen? Hij leek op een ex van lang geleden. Net zo’n neus, en van die ogen. Misschien was dat het.
Ik stak een sigaret op voor een kleine adempauze. Mijn laatste keer was nu zowat een maand geleden, met een schriele man zonder wenkbrauwen. Gerbrand of Bernard heette hij, Berend of Gerard of Hendrik – zoiets. Ik had hem ontmoet via een krantenadvertentie, want zo ben ik nu eenmaal, ik lees nog kranten. Hij was van mijn eigen leeftijd. Ondanks zijn gebrek aan wenkbrauwen had hij een warme blik, en een vriendelijke manier van doen. Een en ander was dan ook keurig afgerond, bij hem thuis in een schoon bed. Toch had de exercitie me naderhand, of nee, tijdens al, tegengestaan. U vraagt, wij draaien. Alweer. Het was echt genoeg geweest. Ik was klaar met seks, en trouwens, seks was ook wel klaar met mij.
‘Als ik duw, dan trek jij,’ zei Mustafa.
‘Ja vooruit, schiet op, beest,’ zei ik.
Maar de hond wist van geen wijken, wat we ook deden. Hij zat op zijn logge gat en keek naar ons op, trouwhartig en lichtelijk verwijtend ineen. Hij reageerde niet op paaien, niet op streng doen, niet op pruilen en ook niet op een hondenkoekje voor zijn neus.
‘Laat maar zitten,’ zei ik uiteindelijk. Stond er nou zweet op Mustafa’s voorhoofd? ‘Het is al goed. Doe jij de hokken maar. Ik los het wel op hier. We noemen de hond... ik weet het nog niet, maar geen Pudding. En ook geen Poeding.’
Mustafa grijnsde, kwam overeind en slenterde weg. Mooie achillespezen had hij ook, zo lenig zo sokloos zo soepel zo rekbaar. Ik wendde mijn hoofd af. Ik had vriendinnen, en de honden natuurlijk. Dat moest genoeg zijn.
‘Vooruit... Zen,’ probeerde ik en ja, de hond kwam overeind en schommelde het hok in.

In het kantoortje tikte ik de gegevens van de hond in op de website van het asiel. Naam: Zen. Het had wel wat, die naam. Geslacht: teef. Ras: buldogkruising (?). Karakter: lief. Bijzonderheden: iets in overconditie. Te eerlijk zijn leidde nooit ergens toe.
Ik betaalde een uitstaande rekening van de dierenarts en verwerkte een stapel hondenadoptieformulieren. Ik liep achter. De laatste hond die een nieuwe baas vond verhuisde eind februari. Intussen was het alweer half maart.
Op 1 april was Jacob voor de twintigste keer dood. Of waren er pas negentien 1 aprillen verstreken sinds hij stierf? Rekenen was niet mijn sterkste punt. Het bleef hoe dan ook een belachelijke dag om te sterven. God, wat was het lang geleden. Mustafa had mijn zoon wel kunnen zijn.
Niet meer aan denken. Niet meer dralen, stoppen met geilbekken, niet langer excuses verzinnen om bij hem in de buurt te kunnen zijn, vooruit. Ik moest maken dat ik wegkwam. Ik sloot de computer af, rechtte mijn schouders. Nog even de drinkbakken vullen, dan ging ik op de fiets naar huis. Onderweg zou ik stoppen bij de supermarkt of nee, dat hoefde vandaag niet. Ik at bij Joke, vanavond was die workshop. Ik haatte het woord ‘workshop’ alleen al. Waarom had ik me laten strikken? Alweer?
Ik liep door de gang, aaide in het voorbijgaan de bejaarde chowchow die niemand ooit mee naar huis nam over zijn kop, en de kale poedel waarvoor hetzelfde gold. Buiten rook het naar zee. Mustafa was achter op het erf met een hogedrukspuit in de weer. Hij hoorde me niet groeten.

Copyright © Judith Eiselin 2014

Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum