Leesfragment: Het ruisen van de wereld

27 november 2015 , door Deniz Kuypers
|

Deniz Kuypers staat met Het ruisen van de wereld op de longlist voor de BNG Nieuwe Literatuurprijs 2014. Wij publiceren een uitgebreid leesfragment.

'Natuurlijk, dacht Moss toen hij uitstapte. Natuurlijk staat er aan het eind van de bewoonde wereld een aula. Het leven kan niet zomaar ophouden, zonder ceremonie, zonder bevestiging, zonder getuigen.'

De roman Het ruisen van de wereld is het nieuwe boek van de schrijver Deniz Kuypers. Met Het ruisen van de wereld bevestigt Kuypers dat hij een groot literair talent is. In het boek komt Moss zijn jeugdliefde Dani tegen bij een begrafenis, maar van haar oogverblindende schoonheid is weinig meer over. Ook Moss heeft in de afgelopen jaren emotionele schade opgedaan: zijn huwelijk is net op de klippen gelopen en hij worstelt met een depressie. Tijdens een etentje praten ze elkaar bij over hun leven, maar kun je na zoveel jaar op de oude voet verdergaan? Of is het beter om herinneringen niet op te rakelen?

'Kuypers presenteert zich als een echte verteller.' Jeroen Vullings in Vrij Nederland

Deniz Kuypers (Hengelo, 1981) studeerde Engelse letterkunde aan de UvA, verhuisde in 2002 naar de Verenigde Staten en woont nu in San Francisco. Hij werkte als leraar, vertaler en muziekjournalist. Kuypers debuteerde in 2013 met de roman Dagen zonder Dulci en bracht daarnaast twee muziekalbums uit onder de naam Birdheart. Tevens schrijft hij regelmatig voor NRC Handelsblad.

 

1. De laatste verdwijning

Moss hoorde het bejaarde echtpaar dat voor hem de trap op ging rustig doorpraten terwijl ze langs het withouten bord schoffelden waarop stond in pace. Alsof het daar niet hing, daar waar iedereen, ook zij, het kon zien. Hij moest zich ervan weerhouden het echtpaar bij de nek te grijpen, zijn gezicht tussen de hunne te brengen en te fluisteren: ‘Je kunt wel doen alsof dat bord niet bestaat, maar op een dag worden jullie hier ook opgebaard. Het bestaat!’
Hij was voor het eerst in bijna twintig jaar weer in Merton, een dorp aan de noordoostelijke oever van Lake Tahoe. Vanochtend was hij hier vanuit zijn woonplaats Sycamore naartoe gereden, een rit van twee uur langs borden met tot de verbeelding sprekende plaatsnamen als Desolation Wilderness, Kyburz en Echo Lake. Het was eind november, een week voor Thanksgiving en het sneeuwde.
De aula bevond zich langs een pas aangelegde asfaltweg die uitkwam op de parkeerplaats. Tien meter verderop stond de verlaten groene trailer van een constructiebedrijf naast een berg met plastic afgedekte balken en bakstenen, en daarachter lagen het bos en het meer. Een onafgemaakte, met sneeuw bestoven hoek van de aardbol.
Natuurlijk, dacht Moss toen hij uitstapte. Natuurlijk staat er aan het eind van de bewoonde wereld een aula. Het leven kan niet zomaar ophouden, zonder ceremonie, zonder bevestiging, zonder getuigen.
De slikkerige traptreden zogen aan zijn zolen. Marmer in een dorp waar het vier à vijf maanden per jaar sneeuwde: hij vroeg zich af of dat een strategisch besluit van de eigenaar was geweest.

Hij schrok van de dikke vrouw die haar hand naar hem uitstak. Hij probeerde de hand aan te nemen, maar ze vouwde haar vingers om zijn elleboog en gaf hem een zachte kneep.
‘Fijn je te zien. Ik ben bang dat er weinig mensen zullen komen vanwege het weer. En het is al zo’n droeve dag.’
Alsof zijn afwezigheid die nog droeviger zou hebben gemaakt. Hij schatte haar achter in de dertig, dezelfde leeftijd als hij, maar groef tevergeefs naar een naam of gezicht. De pillen hadden van zijn geheugen een zwart gat gemaakt.
‘Herken je me niet?’ Een tweede kneep in zijn elleboog. ‘Geeft niet. Hier.’ Ze stak hem het programma toe.
Hij bedankte haar en dook een lange gang in die naar luchtverfrisser en koffie rook. Achter het geroezemoes aan van mensen die hij niet kende. Naast een bijzettafel hield hij stil en bekeek de brochures voor wie iemand kende die op sterven lag en de kortingsbonnen voor plaatselijke skiresorts. Hij wierp een blik achterom op de dikke vrouw. Herken je me niet? Hij rechtte zijn schouders, haalde zijn vingers door zijn natte haar, droogde ze aan de binnenkant van zijn broekzak, streek zijn colbert glad. Hij kuchte, keek om zich heen. Glimlachte naar niemand in het bijzonder.
De deur naar de aula stond op een kier. Tien rijen met fluwelen kussens beklede kerkbanken stonden langs een gangpad dat naar een rond podium leidde. De zaal was verlaten, op drie identiek geklede bejaarde dames na, die zich al van de beste plaatsen verzekerd hadden: voorste rij, direct naast het gangpad. Dichter bij de ovens, dacht Moss, ze hebben het vast koud met dit weer. Hij overwoog een blik in de kist te werpen die op het podium stond.
Voor hij de kans kreeg een stap naar binnen te zetten, verscheen er een tengere vrouw met donkere, Zuid-Amerikaanse trekken naast hem.
‘De plechtigheid begint over tien minuten. U kunt zo direct plaatsnemen. Dat zal aangekondigd worden.’
‘Bent u familie?’
‘Ik was Colemans verpleegster de laatste twee jaar.’
Coleman ‘niet Cole’ Kane. Moss had twee jaar les van hem gehad aan San Francisco State University. The World of Shakespeare. The Romantic Movement. Hawthorne, Melville and the Early American Spirit. De bezieling waarmee hij over literatuur had gesproken had Moss doen geloven dat de man niet echt oud kon worden, dat dit niet had kunnen gebeuren, maar de laatste jaren had Moss steeds minder aan hem gedacht, en misschien had hij zo het lot binnengelaten.
‘Hoe was hij aan het einde? Had hij pijn?’
‘Het ging snel,’ zei de vrouw. ‘Ik zag het natuurlijk aankomen. Hij sliep veel. Begon te ijlen, was ervan overtuigd dat zijn ouders en vrienden van vroeger om zijn bed stonden en hem de les lazen. Hij was bang dat hij de mensen in zijn leven niet erg goed had behandeld.’
‘Was dat zo?’ De vrouw gebaarde Moss dichterbij te komen. Ze greep in haar blouse en haalde een zilveren ketting tevoorschijn. ‘Van Coleman gekregen. Hij woonde alleen, was erg op zichzelf. Ik was de enige met wie hij nog contact had.’
Moss raakte de ketting voorzichtig aan en trok zijn hand meteen weer terug.
‘Wat brengt u eigenlijk hier?’ vroeg ze.
‘Ik ben een oud-student van Coleman.’
‘U woont in...?’
‘Sycamore.’ Hij zag dat de naam haar niets zei en voegde eraan toe: ‘De stad stond vroeger bekend om haar hondenvoer. With rrrrrrreal chicken! Zegt u dat wat? De fabriek is gesloten, maar je kunt hem vanaf de snelweg nog zien en als het warm is, kun je hem ruiken.’
De vrouw liet de ketting weer in haar boezem glijden en zei: ‘U mag zo plaatsnemen.’
Moss herkende de ceremoniemeester van de foto bij de ingang, waar onder zijn omlijste glimlach het dubbelzinnige onderschrift stond: At Your Service. De man heette iedereen welkom en nam kort het programma door. Toespraken, een laatste afscheid, door de openslaande deuren naar de aangrenzende zaal voor koffie, thee en koek. Moss verschoof op de zitting. Het hout onder de versleten kussens deed nu al zeer. Terwijl de eerste spreker – een verschrompelde dame die ondanks haar leesbril moeite had haar toespraak te ontcijferen – een voor hem totaal onbekende anekdote oprakelde over Coleman, luisterde hij naar een symfonie van zacht geschuifel en gekuch. Hij lette erop dat hij alleen door zijn neus ademde, want hij had eens gelezen dat neusharen bacillen tegenhielden.
Hij dacht: wat als de aula geen aula was, maar een ruimteschip, en de wereld om me heen de maan? Hoe eenzaam zou ik me dan voelen, 240.000 mijl bij mijn bed vandaan?
Sinds de scheiding vorig jaar van Sophie kwam zijn verbeelding steeds vaker aanzetten met scenario’s die hopelozer waren dan de werkelijkheid, in een poging zelfmedelijden buiten de deur te houden. Zijn werkelijke scenario betrof een man die op zijn zesentwintigste was getrouwd, een baan had gevonden bij een computerbedrijf waar hij door middel van een reeks promoties in korte tijd tweehonderdduizend dollar per jaar verdiende, een huis had gekocht, een auto en studieschuld had afbetaald, tot dit alles in negen maanden tijd verdampte – het scheidingsproces bleek achteraf even lang te duren als de ontwikkeling van het niet-verwekte kind dat Sophie had gewild, maar hij niet – alsof het hem nooit had toebehoord, alsof er een ambtenaar op zijn stoep was verschenen met het nieuws: Sorry meneer, er is een fout gemaakt, u moet dit allemaal ogenblikkelijk teruggeven, dit is niet uw leven.
Voor in de zaal draaide iemand het hoofd om en keek hem aan. De dikke vrouw van eerder. Het viel hem op dat haar jurk van hetzelfde groene fluweel was als waarop hij zat. Ze glimlachte en hij sloot zijn ogen.

Hij volgde de stoet mensen. Bij de kist bleef hij maar een paar seconden staan. Coleman, omkranst met eenvoudig wit satijn, leek in achttien jaar niet ouder of magerder te zijn geworden. Hij had datzelfde droevige gezicht en sliertig haar tot op zijn schouders waar hij vroeger het krijt van zijn vingers aan afveegde. Alleen waren zijn licht geamuseerde ogen gesloten. De Zuid-Amerikaanse vrouw had beter voor hem gezorgd dan hij zelf had gedaan in die tochtige hut bij het meer waar Moss hem had opgezocht de laatste keer dat hij in Merton was, die hut met zijn schilferende, door de tijd vergrijsde boomstammen, zijn wit geëmailleerde houtkachel, zijn hertengewei boven de deur, zijn propaanlampen. Had de vrouw die vreemde rouwadvertentie in de krant gezet? Hierbij wil ik als algemene kennisgeving mededelen dat ik op 19 november ben komen te overlijden. Er is gelegenheid tot afscheid nemen in... Ondertekend: Tot zover deze kennisgeving, Coleman W. Kane. Volgens haar had Coleman geen contact gezocht met de buitenwereld, en dat verbaasde Moss niet. Er was daar niets meer voor hem.
Toen hij bij de kist wilde weglopen, greep iemand zijn pols. De bejaarde dame naast hem, in een grijze, wollige jas die als zeeschuim aan haar lichaam kleefde, staarde over zijn schouder in het oneindige. Hij voelde haar vingerkootjes. Haar dunne lippen krulden op in een grimas en even dacht Moss dat Coleman achter hem zweefde in het nette pak dat zo slecht bij hem paste. Hij keek om en toen hij niets zag, schudde hij kalm maar daadkrachtig zijn hand los uit haar greep.
Terwijl hij met de korte stoet rouwenden mee naar buiten liep, vroeg hij zich af of de dood een zwart gat was, het begin van een ruimtereis langs de planeten, naar plaatsen ver buiten het zonnestelsel. Hij stelde zich voor dat de kist straks achter een gordijn zou verdwijnen en opgehaald zou worden door mannen in witte pakken. Ze zouden de kist meenemen naar de hoogste bergtop en vannacht, wanneer niemand het zag, zou hij het heelal in worden geschoten.
Je gaat op reis, dacht Moss. Je gaat het als eerste van ons allemaal meemaken. Kon je maar een kaartje sturen om te laten weten hoe het je vergaat. Het zal er vast onmenselijk koud zijn.

 

© 2014 Deniz Kuypers

Uitgeverij Ambo|Anthos

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum