Leesfragment: Iedereen kan schilderen

27 november 2015 , door Emma Curvers
| |

In samenwerking met Recensieweb.nl richten we de schijnwerpers op Nederlandse prozadebutenDeze maand vindt u op onze site uitgebreide leesfragmenten uit de septemberdebuten van Thierry Baudet, Emma Curvers, Bregje Hofstede, Anne-Marieke Samson, Olivier Willemsen en Femke van Zeijl.

5 september verscheen Emma Curvers’ debuut Iedereen kan schilderen. Een fragment. ‘"Pap! Kom ontbijten! Je bent jarig!" roep ik het gangetje in. "Laat hem maar," zegt Elsbeth. Hans is in de badkamer. Ik beeld mij zo in dat hij zich daar met monnikenwerk bezighoudt. Schroeven sorteren, een onopvallende vierkante centimeter haren uitrukken met een pincet, of poriën bekijken in een vergrootspiegel. Zulk werk kun je niet zomaar onderbreken.'

In Iedereen kan schilderen probeert de twintigjarige Iris Kostons vrede te vinden met een gezinsleven waarin haar vader alle aandacht opeist. Hans Kostons, eigenaar van een succesvol Zuid-Limburgs bedrijf in zelfsluitende ladesystemen, lijdt aan depressies, psychoses, koopziekte, hypochondrie, vernielzucht en suïcidale neigingen. De overige gezinsleden lijden aan Hans. Ze gaan veelvuldig in therapie, afzonderlijk en samen, tot iedereen aan zijn eigen geestelijke gezondheid begint te twijfelen. Met de moed der wanhoop blijven vrouw des huizes Elsbeth en dochters Mia en Iris geloven in de beloofde verbetering. Maar na de zoveelste vernedering is de maat vol. 

Feestdagen

Dit keer kom ik niet alleen om te slapen. Over twee dagen ben ik jarig. Mijn vader Hans en ik zijn één dag na elkaar jarig en daarom worden onze verjaardagen al zo lang ik leef samengevoegd tot één evenement. Daarom voorspellen onze horoscopen ook telkens precies hetzelfde. Mijn zus Mia leest ze ons graag voor. Elk verschil tussen Hans en mij kan zij reduceren tot die ene dag verschil in sterrenstand. Bijna waren hij en ik een en dezelfde persoon geweest, zegt ze wel eens.
Maar Mia is er dit jaar niet. Mijn zus heeft zich sinds ze begon met studeren een hippie-achtige levensstijl aangemeten, wat betekent dat ze gitaar leert spelen en op elk moment met nieuwe vrienden kan vertrekken naar een plek zonder internettoegang. Bellen is zinloos en dus weet niemand wat de astrologie over het verjaarsweekend voorspelt. Wat ik voorzie is dit: op zaterdag is Hans jarig, ’s zondags ik, dan komt de visite en op maandag ga ik terug.

Mijn ouderlijk huis is ver verwijderd van de bewoonde wereld, je wordt er van niets anders wakker dan van een genoeg aan slaap. Het slaapt in mijn oude bed nu eenmaal beter dan op mijn studentenkamer. Droomloos, tijdloos. Grofweg een dag kost het me, van Amsterdam naar Zuid-Limburg, en als ik aankom kan ik meteen weer naar bed voor mijn favoriete gedeelte van de dag: de nacht.
Sinds ik weet waaruit het volwassen leven zo’n beetje bestaat begrijp ik pas waarom mijn vader, Hans Kostons, óók het liefst van alles slaapt. In mijn kindertijd verdedigde mijn moeder de slaapkamerdeur kranig tegen ons zaterdags gebonk en gekrijs, tot wij ons met de jaren tevredenstelden met zijn halfaandachtige gezelschap in de tweede helft van het ontbijt. Niet zelden miste hij het gezamenlijk ontbijt in z’n geheel, om zich na een eenzame boterham weer op te sluiten in de badkamer. Wat hij daar in die uren deed wist niemand.
Van het weekend versliep hij ten minste de helft, en ik doe tegenwoordig niet voor hem onder. Hierbij haal ik graag de legende aan dat de grote filosofen ook veel geslapen zouden hebben.

De klok op het busstation geeft zoals altijd halfacht aan. Dat kan in dit geval wel eens kloppen: ik vertrok rond halfvier uit Amsterdam. Ik ben nog drie kilometer verwijderd van ons huis, de bus die dichter in de buurt komt gaat maar eens per uur. Het kot van Brasserie de Gaarekieker, waarvan ik altijd dacht dat het een noodgebouw was, is nog steeds vol in bedrijf. Het busstation moet zijn laatste renovatie eind jaren tachtig hebben gehad. Het schijnt dat alles mooi wordt als je het maar vaak genoeg bekijkt. De zelfgeschilderde leuzen boven de verfwinkel van Buysmans, de zongebleekte verpakkingen in de etalage van Hahnraths’ Electronica & Witgoed en zijn buurman Kado Enzo; het zit dit dorp als gegoten. Voor de friture staat Ricky Krombach op het geblindeerde portier van zijn Golf te leunen en ernaast staat Danny Wientjens, nog altijd geflankeerd door Daniëlle Hutschemaekers, en het zou zomaar kunnen dat Joey Schwanen achter het vet staat. De eerste is bekend van de autoraces op de parkeerplaats achter de oude huishoudschool, de tweede dreef me eens in een hoek van Discotheek de Smid om te tongen en de laatste kent het hele dorp van die keer dat hij in bus 54 had gepist. Al deze mensen ken ik bij naam en toenaam, en zij mij, maar we zullen elkaar niet groeten. Ricky zal me geen lift aanbieden, en ik zou die ook niet aannemen.

Ons huis ligt in een gehucht met maar één straat. Het was niet alleen de grootte van de huizen die mijn vader aansprak toen hij het vijftien jaar geleden kocht, ook de beleefdheidsafstand ertussen. De auto’s werden er discreet in garages geschoven, over opritten die van andere opritten werden gescheiden door hagen, perken en hekken. Het ooit verse asfalt wordt nu door boomwortels omhoog gedrongen, en de kinderen mogen ’s weekends terugkomen op koude kamers waar inmiddels naaimachines staan. Lopend over de provinciale weg kan ik het van ver zien liggen: een breed maar ingetogen jarendertighuis met een grijs pannendak en drie hoge schoorstenen.
Bij nummer vier schuift een gordijn open en ik glimlach naar Miets Dullaert, het bemoeizuchtige wijf. Bij Severens op acht zijn de gordijnen dicht. De lantaarn boven onze voordeur reageert op de bewegingssensor. Een verjaarskaart steekt uit de bus in de gevel. ‘Mensen die eenentwintig worden krijgen geen kaarten, want ze sturen ze zelf ook niet,’ hoor ik mijn moeder Elsbeth in mijn achterhoofd zeggen.
‘Hans stuurt ook geen kaarten,’ zeg ik dan, maar voor hem gelden dat soort regels niet.
Meteen als ik de voordeur open klinkt door de hal het schelle loeien van het inbraakalarm. Ik ben kennelijk ergens waar onzichtbare waakstralen mij niet dulden, en ik ren naar de oude gangkast. Ik kijk naar het kastje met erop de nummers één tot en met negen en het noodnummer van Intersafe, probeer het getetter weg te denken en de code terug te vinden in mijn geheugen. Op het dressoir zie ik een briefje: ‘Wij komen vanavond laat terug van de opera. Er staat eten in de magnetron. Van je vader moet ik schrijven dat je niet op de zolder mag komen. Let op: het alarm staat aan. Je kent de code. Je moeder.’
Ik zet de verjaarskaart voor Hans naast het briefje, onder een schilderij van het rivierdal waarin ons gehucht ligt. De code. Natuurlijk: de geboortedatum van Hans. 12-09-53.

Het is zaterdag 15 september en mijn vader is jarig. Bijna eenentwintig jaar geleden heb ik alle aandacht afgeleid van zijn verjaardag. Twee weken voor de vijftiende september had ik ter wereld moeten komen. Hans’ verjaardag naderde en ik groeide door, steeds dichter naar zijn feestdag toe. Mijn moeder hoopte dat ik gauw kwam, mijn vader dat ik nog even weg bleef. Precies op zijn verjaardag, die vanwege mij bescheiden was van opzet, kondigde ik dan toch mijn komst aan. De visite werd afgezegd, in de vroege ochtend van de zestiende kwam ik ter wereld. Het feest werd de week erop alsnog gevierd – toen de verjaardag al oud nieuws was maar ik nog niet – en sindsdien zou Hans nooit meer alleen jarig zijn.

‘Iris!’ Een verdieping onder mij klinkt de stem van mijn moeder. Elsbeth is altijd als eerste op. Ik hoop dat ze slingers ophangt. Het doffe geluid van mijn moeders stappen, van keukenkastjes, servies en koffiegepruttel maakt me weemoedig. In welke kamer je je ook bevindt, in dit huis hoor je de geluiden van anderen, en weet je wie ze zijn. Ik diep Hans’ cadeautjes op uit mijn reiskoffer; een literaire thriller en een das. In een oude ochtendjas sluip ik naar beneden.
Zijn stoel is versierd met een harmonicaslinger, ik druk mijn lippen op elkaar in een boogje van bewondering.
‘Ga maar zitten,’ zegt mijn moeder terwijl ze koffie inschenkt.
‘Hoe was de opera?’ vraag ik.
‘Ik ben in slaap gevallen. Het duurt me altijd te lang. Je vader vond het weer prachtig.’
‘Ja? Waar is Hans eigenlijk?’
Om de een of andere reden ben ik mijn vader afgelopen jaar steeds vaker Hans gaan noemen. Mijn moeder reageert daar onwennig op en herhaalt dan nadrukkelijk zijn naam terwijl ze aanhalingstekens in de lucht mimet, alsof we het over een niet-bestaande man hebben. Haar cadeautje voor Hans ligt op zijn bord, zoals elk jaar. Ik leg de mijne erbij, naast de verjaarskaart.
‘Nou, “Hans” is nog nergens te bekennen. Ik heb hem geroepen.’ Ze trekt haar wenkbrauwen op en zet een schoteltje op zijn kop koffie.
‘Zit hij nog op de badkamer? Denk je dat hij wil gaan winkelen?’ vraag ik, want dat doen we vaak.
‘Geen tijd. Hij moet op marterjacht.’
‘Marterjacht?’
‘Ja. Die beesten zitten overal, als je het hem vraagt. Op zolder. Daar knagen ze aan dingen, elektra, kozijnen. Ik dacht altijd dat marters helemaal niet in huis kwamen. Ik weet niet eens hoe die beesten eruitzien. Die vreten toch juist buiten, aan remkabels en zo? Dus het moeten gewoon muizen zijn, zei ik. Maar hij zegt steeds dat ze zo lawaaiig zijn, zulk hels kabaal maken wanneer ze naar boven gaan, dat het lijkt alsof ze met z’n zestienen tegelijk stampen op zijn trommelvlies. Maar als ík dan eens wakker ben hoor ik niets. Echt niet. Niet eens muizengetrippel.’ Ze haalt haar schouders op.
‘Hij staat ’s nachts vaak op om ze op heterdaad te betrappen. Maar hij is telkens nét te laat. Van de week is hij zakken vol gif gaan halen, alle soorten.’
‘Dus daarom mag ik niet op zolder komen?’
‘Ja. Martergif bestaat niet, dus nu heeft hij zelf een gif samengesteld, zo sterk dat je er een kudde struise shetlandpony’s mee om kunt leggen. Ik weet niet precies wat erin zit, maar dat legt ie nu neer. Als hij daar nou rustig van wordt. Dokter Laussberg zegt dat hij beter een hobby kan nemen. Ik had wat folders aangevraagd van schildercursussen in het dorpshuis, maar hij wil niet in een groepje.’
‘Ik geloof ook niet dat marters binnen kunnen komen,’ zeg ik.
‘Het wordt misschien wel de warmste zaterdag 15 september ooit gemeten,’ zegt ze van boven de krant. De deuren naar de tuin staan open en de lucht is felblauw.
‘Leuk voor de visite, morgen,’ zeg ik. Mijn moeder en ik wisselen katernen uit.
‘Pap! Kom ontbijten! Je bent jarig!’ roep ik het gangetje in.
‘Laat hem maar,’ zegt Elsbeth.
Hans is in de badkamer. Ik beeld mij zo in dat hij zich daar met monnikenwerk bezighoudt. Schroeven sorteren, een onopvallende vierkante centimeter haren uitrukken met een pincet, of poriën bekijken in een vergrootspiegel. Zulk werk kun je niet zomaar onderbreken.

‘Hoorde ik mijn naam?’ roept Hans vanuit de gang.
Daar is de man op wie iedereen wacht en ineens – misschien omdat hij jarig is – constateer ik dat zijn gezicht diepere vouwen heeft gekregen. Onder dat gezicht veroudert zijn fysiek echter nauwelijks: Hans heeft niet de bolle buik die de mannen in de buurt voor hun vijftigste verjaardag krijgen.
‘Pap! Gefeliciteerd!’ Er zijn mensen voor wie een begroeting nooit helemaal feilloos verloopt, die een teveel of te weinig aan intimiteit vrezen en daardoor niet met de nodige trefzekerheid te werk gaan. Mijn vader en ik zijn allebei van dit type. Hij steekt zijn hand uit, die ik pareer door een kus op de wang te initiëren, waarop hij zijn hand intrekt, wat nu ook weer niet de bedoeling was – pas de derde kus belandt op de wang. Hij lacht stroef, alsof hij zijn gezicht pas vanochtend heeft aangetrokken.
‘Pak je cadeautjes uit!’ zeg ik.
‘Iris, laat je vader even rustig eten.’
Moeten we nog even zingen? Nee, een lied met maar twee zangers zal hem misschien treurig stemmen.
‘Wat staat er eigenlijk op het feestprogramma morgen?’ vraag ik.
‘Dat moet je aan de organisatie vragen,’ zegt Hans.
Mijn moeder slaat de krant dicht.
‘Jij bént de organisatie. De mensen komen voor jou.’
‘Hm. De organisatie zegt dat het feest tot halfvier duurt. Dan wil de organisatie graag schilderen.’
‘Gaan we vanmiddag winkelen?’ vraag ik.
‘Nee, ik moet nog wat werken. Maandag, misschien,’ zegt Hans, en hij verdwijnt.

[...]

 

© 2014 Emma Curvers

Uitgeverij Atlas Contact

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum