Leesfragment: Jozef en zijn broers

27 november 2015 , door Thomas Mann
|

Dit najaar verscheen Thomas Manns magnum opus Jozef en zijn broers eindelijk in Nederlandse vertaling. We hernemen ons uitgebreid fragment van deze onverwacht succesvolle klassieker. 'Ieder uur heeft zijn eigen waarde; wie nooit de moed verliest, leeft zijn leven niet goed. Jozef was die mening toegedaan. Zijn hoop was zelfs een allerzekerst weten; maar hij was een kind van het moment en hij huilde. Hij kende die tranen. Gilgamesj had die tranen geweend, toen hij Isjtars verlangen had versmaad en zij hem "tot tranen" had gebracht.'

Thomas Mann beschouwde zijn monumentale hervertelling van het Bijbelverhaal van Jozef als zijn magnum opus. Hij schreef de vier delen - De verhalen van Jaäkob, De jonge Jozef, Jozef in Egypte en Jozef de Voorziener - als één verhaal. Tezamen vormen ze, in de woorden van Mann, 'een mythologische roman' over Jozef, de lievelingszoon van Jaäkob, die door zijn broers uit jaloezie aan een slavenhandelaar wordt verkocht. Hij komt in Egypte terecht, waar hij het vertrouwen van de farao weet te winnen en onderkoning wordt. Jaren later stuurt Jaäkob zijn andere zoons naar Egypte om graan te kopen, en daar buigen zij diep voor de onderkoning die met hen over de prijs onderhandelt. Tot hun ontzetting maakt deze zich bekend als de broer die zij eerder hadden verkocht. Zij verzoenen zich, waarna Jaäkob met zijn talrijke nakomelingen naar Egypte komt om zich te herenigen met zijn zoon.

Mann volgt het Bijbelverhaal op de voet, maar gebruikt zijn verbeeldingskracht om de gebeurtenissen te beschrijven alsof hij erbij is geweest. Hij tovert ons de wereld van aartsvaders en farao's voor ogen, de oude beschavingen van Egypte, Mesopotamie en Palestina, en laat ons de mens in al zijn grootheid en kleinheid zien. Het resultaat is een briljante combinatie van humor, emotie, psychologisch inzicht en epische grandeur.

Zie ook Jozefenzijnbroers.nl, de website bij het boek. Of bekijk de publieksbrochure van Uitgeverij Wereldbibliotheek. Nog meer lezen? Hier vindt u nog een fragment uit de roman. De pers:

  • Christophe van Gerrewey beklemtoont de tijdloosheid van Jozef en zijn broers. Thomas Mann beschermt en viert ‘de fragiele onbepaaldheid van de mens’. - De Standaard
  • 'Manns mammoetwerk in vier delen - waaraan hij met onderbrekingen maar liefst zeventien jaar werkte - is ook spannend en humoristisch, briljant van stijl en erudiet zoals weinig andere werken uit de wereldliteratuur. Bovendien is het een verrassend modern boek, boordevol experimenten, literaire trucs en dubbele bodems.' - Wil Rouleaux, Trouw
  • 'Waarom las ik dit meesterwerk niet al lang eerder? [...] Snel naar de boekhandel dus, niet zeuren over geld, dikte en moeilijkheid. Je hebt iets groots in huis en als je het uit hebt, loop je nog dagenlang in jezelf te grinniken.' - Kees 't Hart, De Groene Amsterdammer
  • 'Zonder twijfel de meest imposante uitgave van dit seizoen.' - Ger Groot, NRC Handelsblad
  • 'Een feest. [...] Mann heeft de Bijbel verslagen, want dat boek komt toch vaak niet verder dan de buitenkant van mensen.’ - Arie Storm, Het Parool

 

 

Deel vier: Jozef de Voorziener

Eerste hoofdstuk
De tweede put

Jozef kent zijn tranen

Gehoorzamend aan de wet van de wisselwerking tussen boven en beneden dacht ook Jozef aan de zondvloed. Die gedachten ontmoetten elkaar of liepen, zo men wil, op grote afstand parallel. Maar bij het mensenkind hier beneden, varend op de golven van de Jeôr en onder de geestelijke druk van de problemen die hij had doorgemaakt, waren de overdenkingen over het oerbeeld en model van alle tuchtmaatregelen veel indringender en van een intensere ideeënverbindende kracht dan ooit was opgebracht door dat roddelzieke geslacht daarboven, dat niet wist wat verdriet was en nooit iets meemaakte. 
Meer daarover straks. De veroordeelde jongeman lag, ongemakkelijk, in het lattenbeschot dat dienstdeed als kajuit en laadruim voor een niet bijzonder groot, acaciahouten vrachtschip voorzien van een met pek bestreken dek: een zogenaamde ossenboot, zo een waarop hij eertijds als opzichter-in-opleiding en aankomend huismeester goederen van het huis stroomop- en -afwaarts naar de markten had gebracht. Het schip had vier roeiers die, als de wind tegenzat of ging liggen en de slanke, dubbele mast was gestreken, op de voorplecht staand hun roeispanen moesten inzetten, alsmede een stuurroeier op de achterplecht en twee zeer ondergeschikte leden van het huispersoneel van Peteprê, die optraden als escorte, maar ook als matroos in het want moesten klimmen en het vaarwater in de gaten moesten houden. En dan was er als leider Cha’ma’t, de Schrijver van de Schenktafel, aan wie het bevel over het schip was toevertrouwd en het vervoer van de gevangene naar de eilandgevangenis Zawi-Rê. Op zijn lichaam droeg hij de verzegelde brief van zijn heer aangaande zijn feilbare huismeester, die gericht was aan de overste van de gevangenis, een militair leider en ‘Schrijvend Bevelvoerder in dienst van het Onoverwinnelijke Leger’, Mai-Sachme genaamd. 
De reis was lang en tijdrovend – Jozef moest steeds denken aan die andere, eerdere reis, toen hij, nu zeven en drie jaar geleden, voor de eerste keer met zijn koper, de oude man, en met diens schoonzoon Mibsam, neef Epher en zonenKedar en Kedma op deze rivier had gevaren en in negen dagen van Menfe, de stad van de mummie, naar No-Amon, de koningsstad, was gereisd. Maar nu ging het de andere kant op, ver voorbij Menfe, ja, voorbij het gouden On en voorbij Per-Bastet, de kattenstad, stroomafwaarts; want Zawi-Rê, het onbarmhartige doel, lag midden in het land van Set en van de rode kroon, dat wil zeggen in Beneden-Egypte, in de delta al, in een rivierarm van de gouw Mendes die daar Djedu heet. Dat het de gruwelijke Gouw van de Bok was waar hij heen werd gebracht, gaf Jozef nog een heel eigen gevoel van angstig wantrouwen, boven op de algehele somberheid en zwaarmoedigheid die hem overschaduwden, maar die toch ook weer vergezeld gingen van verheven gevoelens en een zinrijk gedachtespel omtrent het lot. 
Want zijn leven lang kon de zoon van Jaäkob en zijn echte vrouw het spelen niet laten, nu als al zevenentwintigjarige man net zomin als toen hij nog een naïeve jongen was. De aantrekkelijkste en kostelijkste vorm van spelen vond hij de toespeling, en als er veel allusies optraden in zijn zwaarbewaakte leven en de omstandigheden in hogere zin doorzichtig leken en klopten, dan was hij al gelukkig, want doorzichtige omstandigheden kunnen nooit helemaal duister zijn. 
En zijn omstandigheden waren zeker duister genoeg. Hij overdacht ze in gevoelvolle droefheid, de ellebogen aan elkaar gebonden, liggend op zijn matje in het vooronder, waar op het dak de reisproviand voor de bemanning lag opgestapeld: meloenen, maïskolven en brood. Zijn toestand was de herhaling van een andere die hij afschuwwekkend goed kende: opnieuw lag hij hulpeloos in de boeien, zoals hij eens drie gruwelijke nieuwe-maan-dagen lang bij de pissebedden en kelderwormen in de ronde diepte van het putgat had gelegen en zich als een schaap met zijn eigen drek had bevuild; en al was zijn toestand nu iets minder erg en waren de boeien wat minder strak aangetrokken, omdat ze slechts voor de vorm en de goede orde waren aangelegd en het stuk ankertouw dat daarvoor diende, uit respect en onwillekeurige tegemoetkomendheid vrij losjes was geknoopt, de val was er niet minder diep en verdovend om, de wending in zijn leven niet minder abrupt en onvoorstelbaar. Het vaderszoontje, het verwende kind dat zich altijd gezalfd had met vreugdeolie, was indertijd mishandeld op een manier die hij nooit voor mogelijk had gehouden. En nu was het de in het dodenland reeds tot grote hoogten gestegen Osarzif, gewend aan verfijning, aan bekoorlijke omgangsvormen en aan kleren van geplisseerd koningslinnen, de heer met overzicht en de bewoner van het Voorvertrek van het Vertrouwen die zo werd bejegend. En ook hij was ervan ondersteboven. 
Er waren nu geen vouwtjes en plooitjes meer, geen voorschoot naar de laatste mode, geen kostbaar overkleed met lange mouwen (dat tot sprekend ‘bewijsstuk’ was geworden) – alles wat hem gelaten was, was een slavenheuprok zoals de bemanning die droeg. Geen elegante pruik meer, en ook geen geëmailleerde kragen en armbanden of borstkettingen van riet en goud. Al dat moois was verspeeld. Niets had hij van zijn sieraden mogen houden dan het bundeltje amuletten aan een gebronsd koordje om zijn hals dat hij in het land van zijn vader al gedragen had, waar het met de zeventienjarige mee de put in was gegaan. Al het andere was ‘afgelegd’ – bij zichzelf gebruikte Jozef dit veelbetekenende woord, een woord vol allusies, zoals de zaak zelf een toespeling was en herinnerde aan een droeve ordening en overeenstemming. Het zou helemaal verkeerd zijn geweest met borst- en armsieraden te reizen waar hij reisde; want het uur van de ontsluiering, het uur van het afleggen van sieraden was aangebroken, het uur van de hellevaart. Er was weer een cirkelgang voltooid, een kleinere die vaker werd afgesloten, maar ook een grotere die minder vaak weer op het uitgangspunt terugkeerde: want de cycli hadden een gemeenschappelijk middelpunt. 
Een klein jaar keerde op zijn beginpunt terug, een zonnejaar: de klei-afzettende wateren waren weer geweken en het was (niet volgens de kalender, maar in de praktische werkelijkheid) weer tijd om te zaaien, tijd voor de hak en de ploeg, tijd dat de bodem zich weer opende. Wanneer Jozef van zijn matje opstond en, zoals bewaker Cha’ma’t hem soms moest toestaan, met zijn handen op zijn rug alsof hij ze daar vrijwillig hield, heen en weer liep over het met pek bestreken dek of op een rol touw zat en in de open lucht de vele geluiden boven de rivier opving, dan zag hij hoe de boeren op de vruchtbare oevers bezig waren met het ernstige, gevaarlijke, door voorzorgs- en verzoeningsmaatregelen omgeven karwei van ploegen en zaaien – een zaak van droefenis, want zaaitijd is treurtijd omdat de graangod Osiris begraven wordt in duistere, slechts in de verte hoopvolle grond, een tijd van huilen – en ook Jozef moest een beetje huilen bij de aanblik van de kleine boeren die het koren begroeven, want ook hij werd weer begraven in het duister dat alleen heel in de verte hoop liet – als een teken dat ook een groot jaar zich had omgekeerd en herhaling bracht, vernieuwing van het leven, de reis naar de afgrond. 
Het was de afgrond waar de ware zoon in afdaalt, Etura, de onderaardse schaapsstal, Arallu, het dodenrijk. Via de put was hij in de onderwereld aangekomen, in het land van de rigor mortis; vandaar ging het nog weer verder naar de bôr, de gevangenis stroomafwaarts, naar Beneden-Egypte – dieper kon niet. Dagen van de nieuwe maan kwamen terug, grote dagen die jaren zouden worden, waarin de onderwereld macht had over de mooie maan. Die nam af en stierf; maar na drie dagen zou hij weer gaan groeien. Als avondster zonk Isjtar- Tammuz in de put van de afgrond, in de zekerheid dat hij daar als morgenster weer uit zou verrijzen. Dat noemt men ‘hoop’ en hoop is een kostbaar geschenk. Maar de hoop heeft ook iets verbodens, omdat hij afdoet aan de waarde van het heilige ogenblik en vooruitloopt op de gewijde stonden van de cyclus die nog niet zijn aangebroken. Ieder uur heeft zijn eigen waarde; wie nooit de moed verliest, leeft zijn leven niet goed. Jozef was die mening toegedaan. Zijn hoop was zelfs een allerzekerst weten; maar hij was een kind van het moment en hij huilde. 
Hij kende die tranen. Gilgamesj had die tranen geweend, toen hij Isjtars verlangen had versmaad en zij hem ‘tot tranen’ had gebracht. Jozef was doodmoe van de problemen die hij had ondervonden door de aandrang van de vrouw, de zware crisis waarin die was uitgemond, de alles veranderende omwenteling in zijn leven. De eerste dagen vroeg hij Cha’ma’t zelfs helemaal niet om verlof zich aan dek te mogen vertreden te midden van de bonte reizigersstromen op de hoofdverkeersweg van Egypte, maar lag hij in zijn eentje in de kajuit op zijn mat, in dromerige gedachten verzonken. Hij droomde gedichten die hij kende van kleitabletten: 
In haar woede wendde Isjtar zich tot Anu, de koning van de goden. Zij eiste wraak. ‘Zet toch een stier aan de hemel, een stier die de wereld zal vertrappen, die vuur blaast uit de gaten van zijn neus, en met dat vuur de aarde moet verzengen, en de velden moet verdorren en verdelgen!’ 
‘Die hemelstier zal ik scheppen, vrouw Asjirta; het is schandalig zoals jij bent bejegend. Er zullen dorre jaren komen, zeven in getal. Dat zullen jaren van hongersnood zijn; de hemelstier zal alles vertrappen en verzengen. Heb je voor voedsel gezorgd, heb je eten gespaard, voor de jaren dat er gebrek zal zijn?’ 
‘Ik heb voor voedsel gezorgd en eten gespaard.’ 
‘Dan zal ik scheppen en sturen de hemelstier, want je bent vreselijk vernederd, meesteres Asjirta!’ 
Zonderlinge manier van doen! Als Asjera de aarde te gronde wilde richten vanwege de ongenaakbaarheid van Gilgamesj en hoopte dat de verzengende hemelstier zou komen, dan had het weinig zin voedsel op te slaan als voorzorg voor de zeven magere jaren die zijn werk zouden zijn. Maar hoe dat ook zij, zij had het gedaan en de vraag met ja beantwoord, want ze had nu eenmaal haar zinnen gezet op de hemelstier der wrake. En wat Jozef aan het geheel beviel en wat hem bezighield, waren juist de voorzorgsmaatregelen die de godin in haar woede moest nemen, als ze haar vurige hemelstier wilde hebben. Voorzorgsmaatregelen, vooruitzien, dat waren voor de dromer vertrouwde gedachten die hij altijd al belangrijk had gevonden – al had hij er ook dikwijls kinderlijk tegen gezondigd. Het was bovendien bijna de allesbeheersende gedachte van het land waar hij gegroeid was als bij een bron, het angstige Egypteland, dat er altijd, in grote en kleine dingen, op bedacht was iedere stap en iedere handeling volledig met tovertekens en toverspreuken te beveiligen tegen het kwaad dat altijd op de loer lag. Omdat hij nu al zo lang Egyptenaar was en zijn lichaam en lijfrok alleen nog uit Egyptische materialen bestonden, hadden de opvattingen van het land over voorzorgsmaatregelen en vooruitzien zich diep in Jozefs ziel geworteld, waar ze overigens op een andere manier altijd al aanwezig waren geweest. Ook in zijn eigen, oorspronkelijke traditie hadden die dingen diepe wortels, zodat ‘zonde’ bijna hetzelfde betekende als ‘niet in acht genomen voorzorgsmaatregel’: het was een stommiteit en belachelijke onhandigheid in de manier waarop je God tegemoet trad. Wijsheid daarentegen, dat was vooruitzien en zekerheidscheppende voorzorg. Werd Noach Uta-napisjtim niet ‘oerverstandig’ genoemd omdat hij de vloed had zien aankomen en zich daartegen had ingedekt door de ark te bouwen? De grote ark des verbonds, de arôn waarin de schepping de tijd van de vloek kon overleven, dat was voor Jozef het vroege voorbeeld, het oervoorbeeld van alle wijsheid, dat wil zeggen: van iedere verstandige voorzorgsmaatregel. Via Isjtars verbittering, via het verzengende, vertrappende beest en de bewaarplaats voor voedsel waarmee je gebrek vóór zou kunnen zijn, kwamen zijn gedachten zo onvermijdelijk op de parallellie met de hogere gedachtewereld van de grote vloed. En ook aan de kleine vloed dacht hij in tranen: die was over hem gekomen omdat hij weliswaar niet zo dom was geweest God te verraden en het bij hem helemaal te verkerven, maar omdat hij in het vooruitzien toch onvergeeflijk tekort was geschoten. 
Zoals in de eerste put van een groot jaar eerder erkende hij ook nu weer berouwvol zijn schuld. Hij leed omwille van zijn vader, van Jaäkob, en schaamde zich bitter voor hem, omdat hij in het land van zijn ontrukking opnieuw in de put had weten te belanden. Die ontrukking had net tot zo’n prachtige verheffing geleid, die nu weer was verstoord en tenietgedaan omdat hij in wijsheid was tekortgeschoten, zodat het derde, namelijk het laten nakomen, voor onafzienbare tijd vooruit was geschoven! Zijn gemoed was vervuld van spijt en Jozef bad om vergeving bij de ‘vader’, wiens beeld hem op het laatste moment voor het ergste had behoed. Tegen Cha’ma’t echter, de Schrijver van de Schenktafel, zijn bewaker, die vaak bij hem kwam zitten om met hem te praten, deels uit verveling, deels om een aandeel te hebben in de vernedering van hem die thuis zijn meerdere was geworden – tegen Cha’ma’t toonde Jozef zich erg uit de hoogte en optimistisch; hij liet hem niets van verslagenheid merken. Ja, het lukte hem, zoals we zullen zien, alleen door de manier waarop hij de dingen wist voor te stellen, hem al na een paar reisdagen te bewegen Jozef de boeien af te doen en hem wat bewegingsvrijheid te geven, ofschoon hij moest vrezen op die manier ernstig tekort te schieten in zijn plichten als bewaker. 
‘Bij Farao’s leven!’ zei Cha’ma’t, terwijl hij in het vooronder naast Jozefs matje ging zitten. ‘Ex-huismeester, wat is er van je geworden en hoe diep ben je gezonken, te midden van ons allemaal die je zo vlug hebt overvleugeld! Wie je zo ziet, zou het niet geloven en zijn hoofd schudden. Daar lig je nu, als een Libische krijgsgevangene of iemand uit het ellendige Kusj, met vastgebonden ellebogen, terwijl je pas nog rondliep als de baas in huis. Je bent bij wijze van spreken al aan de grote vreetzak, de hond van Amente, overgeleverd. Moge Atum zich over je erbarmen, de heer van On! Wat zit je nu in zak en as – als ik me mag bedienen van jullie aan het armzalige Syrisch ontleende manier van spreken, die wij zonder nadenken van je hebben overgenomen – bij Chonsu, we zullen voortaan niets meer van je overnemen, geen hond zal van jou nog een stuk brood aanpakken, zoals je daar ligt! En waarom? Allemaal lichtzinnigheid en ontucht. De grote meneer spelen, hè, in zo’n huis! Je kon niet eens de geeuwhonger temmen van je lust – uitgerekend op de grote meesteres heb je je hebzucht en geilheid botgevierd, terwijl ze toch bijna Hathor zelf is – die onbeschaamdheid was al enorm. Nooit zal ik vergeten hoe je daar stond voor de heer bij de rechtszitting aan huis en hoe je je hoofd liet hangen, want je kon niet het minste weerwoord vinden en je niet witwassen van je schuld. Hoe zou je ook! Tegen je getuigde zo overduidelijk het verfomfaaide kledingstuk, dat je in de handen van de meesteres had achtergelaten toen je tevergeefs had geprobeerd haar te schofferen en te bespringen, en dat blijkbaar ook nog hoogst onhandig aanpakte – het is in ieder opzicht abominabel! Weet je nog hoe je voor de eerste keer bij me kwam in de voorraadkamer om verfrissingen te halen voor het oude paar van de bovenverdieping? Toen ik je waarschuwde dat je de drank niet over de voeten van die oudjes moest morsen, toen deed je al zo uit de hoogte, toen maakte je mij in zekere zin al beschaamd door te doen alsof jou dat niet zou overkomen. Nou, nu heb je behoorlijk over je eigen voeten gemorst, zodat ze stijf staan en plakkerig zullen worden – lieve help! Ik wist toch dat je op den duur het dienblad niet meer kon houden. En waarom kon je dat niet? Omdat je zo’n barbaar bent! Omdat je niet meer dan een zandhaas bent met de bandeloosheid van het ellendige Zahi, zonder enig gevoel voor verhoudingen, zonder de levenswijsheid van het land van de mensen. Daarom kon je onze zedenlessen niet echt ter harte nemen, die leren dat je in het leven natuurlijk je pretjes mag hebben, maar niet met getrouwde vrouwen, want dat is levensgevaarlijk. Maar jij wierp je in blinde wellust en zonder na te denken op de meesteres zelf. Je mag nog blij zijn dat ze je niet meteen een lijkenkleur hebben bezorgd – echt, dat is het enige waar je nog een beetje blij om kunt zijn!’ 
‘Cha’ma’t, leerling van het boekenhuis, doe me een plezier,’ zei Jozef, ‘en praat niet over dingen waar je geen verstand van hebt! Het is vreselijk wanneer een subtiele en moeilijke zaak, die veel te precair is voor Jan en alleman, onder de mensen komt, zodat iedereen erover kan roddelen en er grote ophef over kan maken – dat is onuitstaanbaar en bijna onverdraaglijk, niet zozeer om degenen die erbij betrokken zijn als wel omwille van de zaak zelf, want die is daar veel te belangrijk voor. Het is onnozel en onkies van je en het getuigt niet van de cultuur van Egypte dat je zulke dingen tegen me zegt. Niet omdat ik gisteren nog je baas was en jij voor mij moest buigen, daar ga ik nu maar aan voorbij. Maar je moet je realiseren dat ik van de zaak tussen mij en de meesteres veel beter op de hoogte ben dan jij, die alleen de buitenste buitenkant ervan ter ore zal zijn gekomen – hoe kun je mij daarover nu kapittelen? Verder is het tamelijk belachelijk dat je een tegenstelling vaststelt tussen de grove begeerte van mijn lichaam en die van de grote massa van Egypte, die toch overal ter wereld de naam heeft wellustig te zijn, en toen je het over ‘bespringen’ had en er zelfs geen been in zag dat woord op mij te betrekken, toen dacht je zeker meer aan de bok waar we heen varen en waar de dochters van Egypte zich aan overgeven als het zijn feest is – dat noem ik nog eens gevoel voor verhoudingen! Zal ik je eens wat zeggen? Het zou kunnen dat over mij in de toekomst gesproken zal worden als over iemand die zijn eer bewaarde te midden van mensen die zo bronstig waren als ezels en hengsten – dat zou heel goed kunnen. Het zou kunnen dat de meisjes van de wereld, als zij trouwen, om mij zullen wenen en mij hun lokken komen aanbieden en een klaaglied aanheffen waarin ze treuren om mijn jeugd en het verhaal van de jongen bezingen die weliswaar standhield voor het koortsachtige aandringen van een vrouw, maar daarbij wel zijn goede naam en zijn leven waagde. Zulke tradities te mijner ere komen me voor de geest als ik hier alles lig te overdenken. Daar kun je aan afmeten hoe dom en beperkt ik het moet vinden wat jij te berde brengt over mijn lot en mijn situatie! Vind je het prettig om te zien hoe ik in het ongeluk ben gestort? Peteprê’s slaaf was ik, want ik was door hem gekocht. Nu ben ik Farao’s slaaf, daartoe door hem veroordeeld. Dan ben ik nu toch hoger dan ik was. Ik ben erdoor gestegen! Wat lach je nou dom? Goed dan, op dit moment gaat het bergafwaarts met mij. Maar is het een afgang zonder eer en feestelijkheid? Vind je niet dat deze ossenboot iets weg heeft van het schip van Osiris, wanneer die naar de onderwereld gaat om de schaapsstal daarbeneden te verlichten en de bewoners van de spelonken daar te groeten op zijn nachtelijke tocht? Ik vind dat frappant, weet je dat! Als je denkt dat ik afscheid neem van het land der levenden, dan heb je misschien gelijk. Maar wie zegt dat mijn neus niet het levenskruid zal ruiken en dat ik morgen niet weer over de rand van de wereld zal klimmen, zoals een bruidegom uit zijn kamer komt, zo stralend dat het pijn doet aan je verlegen ogen?’ 
‘Ach, ex-huismeester, hoe groot je ellende ook is, je bent nog altijd dezelfde. Maar het vervelende is dat niemand weet wat dat bij jou betekent: dezelfde; want je lijkt op die veelkleurige ballen die danseressen opgooien en weer opvangen, je kunt ze niet van elkaar onderscheiden, in de lucht vormen ze een witte boog. Waar je, ondanks je lot en je toestand, al die arrogantie vandaan haalt, dat mogen de goden weten, waar jij mee omgaat op een manier die voor een vroom mens zowel belachelijk als huiveringwekkend is, zodat hij er kippenvel van krijgt. Je schrikt er niet voor terug van bruiden te reppen die hun haar zullen offeren aan jouw nagedachtenis. Dat gebeurt toch alleen maar voor een god. Deze boot, die toch de boot van je schande is, vergelijk je met Osiris’ avondlijke bark – de Verborgene geve dat de vergelijking daarbij blijft. Maar je gebruikt het woord frappant – “frappant” zei je, dat deze boot op die staatsiesloep lijkt. Dat brengt een eenvoudige ziel op de gedachte dat hij het ook echt is, dat jij echt Rê bent wanneer die Atum heet en overstapt op de nachtelijke boot – vandaar dat kippenvel. Maar dat kippenvel komt niet alleen van het lachen en huiveren, het komt ook voort uit boosheid, laat dat je gezegd zijn, uit weerzin en vooral uit bitterheid, uit walging over je laatdunkendheid en over de arrogantie waarmee je je spiegelt aan de allerhoogste en je met hem vereenzelvigt, zodat je praat alsof je het ook echt was, en daarmee voor jezelf een blinkende boog in de hemel tekent voor de kwaad knipperende ogen. Iedereen zou kunnen doen zoals jij, maar een eerzame geest doet zoiets niet: die vereert en aanbidt. Ik ben hier bij je komen zitten, deels uit medelijden en deels uit verveling om een beetje met je te praten, maar als je me alleen maar weet te vertellen dat je Atum-Rê bent en de grote Osiris in zijn boot, dan laat ik je weer aan je lot over, want van zulke lasterlijke praatjes, daar heb ik mijn buik van vol.’ 
‘Doe maar wat je niet laten kunt, Cha’ma’t van het Boekenhuis en de Voorraadkamer! Ik heb je niet gevraagd bij me te komen zitten, want ik ben net zo graag alleen, misschien nog wel liever. Ik amuseer me heus wel zonder jou, dat zul je wel gemerkt hebben – maar als jij je, net als ik, zelf wist bezig te houden, dan was je niet bij me komen zitten en zou je ook niet met zulke schele ogen kijken naar de verstrooiing die ik mezelf gun, en die jij me niet gunt. Ogenschijnlijk uit godsvrucht, maar in werkelijkheid alleen omdat je jaloers bent. Die godsvrucht is slechts een vijgenblad dat je jaloezie zich voorbindt – vergeef me die gezochte vergelijking! Dat mensen zich met elkaar amuseren en hun leven niet doorbrengen zoals het stomme vee, dat is toch het belangrijkst. Onderhoudend te zijn, daar gaat het toch om. Je hebt niet zonder meer gelijk als je zegt dat iedereen hetzelfde zou kunnen bereiken als ik. Dat lukt niet iedereen, niet omdat niet iedereen even achtenswaardig is, maar omdat niet iedereen evenveel gevoel heeft voor het allerhoogste en niet iedereen zich dat eigen kan maken – het is niet iedereen gegeven een bloemrijk leven te leiden, zoals wel wordt gezegd van iemand die bloemrijk spreekt. Hij ziet, terecht, in de allerhoogste heel iets anders dan in zichzelf, en toch kan hij hem alleen met een saai “alleluja” dienen. Als hij een meer persoonlijke lofprijzing hoort, dan ziet hij groen en geel van nijd en kijkt hij met krokodillentranen op naar de allerhoogste: “O, allerhoogste, vergeef die godslasteraar!” Dat is toch kinderachtig, Cha’ma’t van de Voorraadkamer, zulke dingen moet je niet doen. Geef me liever m’n middagmaal, het is er de tijd voor, ik heb honger.’ 
‘Als het er de tijd voor is, dan moet ik wel,’ antwoordde de schrijver. ‘Ik kan je niet laten verhongeren. Ik wil je levend afleveren op Zawi-Rê.’ 
Maar omdat Jozef aan de ellebogen geboeid was en zijn handen niet kon gebruiken, moest bewaker Cha’ma’t hem voeren, er was geen andere mogelijkheid. Eigenhandig moest hij Jozef, op zijn hurken naast hem gezeten, het brood in zijn mond stoppen en hem de beker bier aan zijn lippen zetten, en Jozef nam elke maaltijd te baat om er opmerkingen over te maken. 
‘Ja, nu zit je op je hurken, lange Cha’ma’t, en voer je mij,’ zei hij. ‘Heel vriendelijk van je, ook al kijk je er een beetje beschaamd bij en gaat het kennelijk niet van harte. Ik drink op je gezondheid, maar kan het ondertussen niet helpen te bedenken hoe je hier benedendeks gekomen bent om me te voeren en te drinken te geven. Heb je dat weleens gedaan toen ik nog je baas was en je voor me boog? Bedienen moet je me meer dan ooit tevoren, en daardoor lijkt het alsof ik meer geworden ben en jij minder. Daar hebben we die oude kwestie weer wie groter en belangrijker is: de bewaakte of de bewaker. Ongetwijfeld is het de eerste. Want wordt over een koning ook niet door dienaren gewaakt, en staat er over de rechtvaardige niet geschreven: “Zijn engelen hebben het bevel gekregen over je te waken, waar je ook gaat of staat”?’ 
‘Zal ik je eens wat zeggen?’ antwoordde Cha’ma’t uiteindelijk, na een paar dagen. ‘Ik heb er genoeg van je honger te stillen als je je snavel opendoet zoals het kuiken van de torenkraai op zijn nest. Je spert hem namelijk ook open voor kwaadaardige praatjes en die staan me vreselijk tegen. Ik zal je boeien afdoen, dan ben je niet zo hulpeloos en hoef ik niet langer je slaaf en engel te zijn, dat is niks voor een schrijver. Als wij op je bestemming aankomen, doe ik ze weer om, en geboeid zoals het hoort zal ik je afleveren bij de overste daar, kapitein Mai-Sachme. Maar dan moet je me zweren niet aan hem te vertellen dat je ondertussen zonder hebt gezeten en dat ik aan mildheid de voorrang heb gegeven boven mijn plicht; anders zit ik in zak en as.’ 
‘Integendeel. Ik zal hem vertellen dat je een verschrikkelijke bewaker was en me met schorpioenen hebt belaagd, dag in, dag uit!’ 
‘Onzin, je moet niet overdrijven! Je kunt niks anders dan de mensen voor de gek te houden. Ik weet toch niet wat er in de verzegelde brief staat die ik onder mijn kleren draag, en ook niet waar het heen gaat met jou. Dat is nou net het vervelende: niemand weet ooit waar het heen gaat met jou! Maar aan de mensen van de gevangenis moet je zeggen dat ik je met gematigde hardheid en menselijke onverbiddelijkheid heb behandeld.’ 
‘Dat zal ik doen,’ zei Jozef, en het touw rond zijn ellebogen werd losgemaakt tot ze ver in het land van Uto, de slang, en van de zich zevenvoudig splitsende rivier in de gouw Djedu waren beland, dicht bij Zawi-Rê, de gevangenis op het eiland – toen bond Cha’ma’t het touw weer vast.

 

© Thomas Mann 1943, Bermann-Fischer Verlag AB, Stockholm
© Nederlandse vertaling 2014: Thijs Pollmann en Uitgeverij Wereldbibliotheek bv, Amsterdam

Uitgeverij Wereldbibliotheek

MINDBOOKSATH : athenaeum