Leesfragment: Kom hier dat ik u kus

19 december 2014 , door Griet Op de Beeck
|

Griet Op de Beecks Kom hier dat ik u kus is een van onze bestverkochte romans. Lees hier een uitgebreid fragment uit de tweede roman van de Vlaamse schrijfster.  

Kom hier dat ik u kus is een roman over Mona, als kind, als vierentwintigjarige, en als vijfendertigjarige. Een verhaal over waarom we worden wie we zijn, geschreven met humor, scherpte en veel schaamteloze eerlijkheid. Over ouders en kinderen. Over kapotte mensen en hoe zij ongewild anderen ook kapotmaken. Over waar verantwoordelijkheid eindigt en schuld begint. Over geheimen en eenzaamheid. Over ziekte en zwijgen. Over de gevaren van sterk zijn. Over vergeten en niet kunnen vergeten. Over jezelf durven redden. En natuurlijk ook nog over de liefde. Omdat dat alles is wat we hebben, of toch bijna.

Update 21 oktober 2015: Kom hier dat ik u kus is genomineerd voor de NS Publieksprijs 2015.

 

5

Het is een dag zonder mysterie. Het licht scherp, de hemel helder. Ik zit op de sofa en ik eet een broodje krabsla. Ik ga nooit aan tafel zitten voor de maaltijd, want dan wordt de leegte aan de overkant plots zo reëel. Ik denk: ik mag niet morsen op de sofa, vetvlekken, die krijg ik er nooit meer uit. Ondertussen neem ik een stevige hap en valt er een klodder nepkrab met wortel en mayonaise op mijn oranjerode rok. Dan gaat de telefoon. Razendsnel schep ik met mijn twee handen die hap op, stuif naar de keuken, dump die in de gootsteen, veeg mijn handen af aan de handdoek die ik nog maar net gewassen had, en dan hol ik terug naar de telefoon om op te nemen. Pas als ik de hoorn aan mijn oor houd, besef ik dat ik nu ook nog iets moet zeggen. Ik probeer de halve ongekauwde hap zo in mijn rechterkaak te parkeren dat ik toch kan spreken.
‘Met Mona.’
‘Neemt gij altijd met uw mond vol de telefoon op?’
‘Alleen als gij het zijt.’ Het is Louis. Hem had ik niet verwacht. Ik hou het gedeelte van de telefoon dat bedoeld is om in te praten in de lucht om te vermijden dat mijn turbo kauwen hoorbaar is. Ik slik een veel te grote hap in één keer door, ook dat maakt geluid. Goed dat schaamte niet óók nog klank produceert, sta ik te denken.
‘Ik wil met u ontbijten, overmorgen, in die keet op dat pleintje, vlak bij het theater, ge weet wel, halftien. Eens zien waartoe gij in staat zijt op de nuchtere maag.’
‘Ah gezellig, mijnheer organiseert een test.’
‘Mijnheer heeft een volle agenda en wil u toch graag snel zien, dat is de waarheid.’
‘Hoe kan ik zo veel heftig charmeren weerstaan?’ Ik voel hoe ik glimlach, stop daar dan meteen weer mee, alsof hij het kon zien.
‘Dan treffen we mekaar daar? En, doe uw meest sexy outfit aan hè.’ Ik hoor zijn grijnzen aan de manier waarop hij dat zegt.
‘Minstens,’ antwoord ik.
Dan hangt hij op. Ik steek twee armen in de lucht, als een kind dat een goal heeft gescoord. Het halve broodje krabsla kieper ik in de vuilnisbak. Eten is een oplossing voor wie niks te vieren heeft.

Ik heb een zwarte broek aangetrokken en een dunne, donkerblauwe coltrui. Dat Yamamoto die kleuren combineert, zal Louis niet weten denk ik, maar ik vermoed dat hij de grap wel kan waarderen om, na de belofte van pikantigheid, de kleren te laten reiken van de tenen tot aan de kin.
Ik wou niet de eerste zijn, dus ik arriveer tien minuten te laat. Geen Louis te bekennen. Ik kies een tafeltje aan het raam. Ik kijk naar buiten, zie hem niet. Er gaan drie minuten voorbij, en nog vier, en nog eens drie. Ik denk: hij komt vast niet opdagen. Ik denk: waarom zou zo’n man mij nu interessant vinden? Ik denk: hij veronderstelt misschien dat ik als dramaturg bepaal welke auteurs in de toekomst nog schrijfopdrachten krijgen, terwijl dat natuurlijk beslissingen zijn die Marcus neemt. Ik denk: stop met zo te denken. Ik denk: niet zenuwachtig worden, dan ga je zweten, en als je zweet, dan ga je stinken. Ik denk: ik ben er zeker van, ik stink. Ik denk: misschien kan ik nog snel even naar de toiletten om mijzelf daar aan een snuffelcontrole te onderwerpen. Ik denk: die mevrouw met die mooie volle lippen en die glimmende huid kijkt raar naar mij, misschien hangt er wat gedroogd snot aan mijn neus of zo. Ik voel eraan, dat lijkt in orde. Ik denk: ik ruik het zelfs zonder de snuffeltest, dat is hier om zeep. Ik denk: waarom in godsnaam heb ik dat flesje parfum niet meegenomen in mijn tas. Ik denk: misschien zit dat er toch nog in van vorige keer. Ik neem mijn immense handtas op schoot en graai erin. Net als ik in één hand een gebruikt zakdoekje, een in een papiertje gedraaide kauwgom en een lippenstift zonder dopje vasthoudt, hoor ik Louis zeggen: ‘Zo sexy had ik me u niet durven dromen.’
De serveerster komt aan ons tafeltje en Louis bestelt het champagneontbijt voor twee zonder mij iets te vragen. Hij glimlacht. Eerlijk is eerlijk, het is geen mooie man. Smalle beentjes, beetje buik, tikje bleek, een wijkende haarlijn, onbestemd bruinig haar, een ouderwetse bril, en zijn derde tand van links staat opvallend scheef, een dissident in de crèmekleurige rij. Hij heeft ook nogal wat bruine vlekjes, niet alleen op zijn armen, maar ook in zijn gezicht. Maar, ik ben niet gevoelig voor het uiterlijk van mannen. Als vriendinnen kraaien om een voorbijschrijdende kont die de moeite zou zijn, heb ik die niet gezien, en terwijl zij op het strand sixpacks screenen, kijk ik naar vrouwen met betere borsten en billen dan ikzelf, zo is het altijd al geweest. En Louis, zoals hij praat, even prachtig als hij schrijft, en samen praten wij alsof we nooit anders deden, over Max Frisch, Richard Powers en Peter Handke, zijn helden, over zijn hekel aan Mulisch. Als ik vertel dat dat wel de man is van het onweerstaanbare zinnetje, uitgesproken tegen de criticus die hem kwam interviewen na een slechte recensie: ‘En toch weet ik zeker dat u liever mijn lullig boekje had geschreven dan uw lullige stukje in de krant’, geeft Louis toe dat dat een zeldzaam geestig moment van de schrijver is geweest dat zijn intelligentie wel bewijst. En dat hij verder kunstcritici omarmt zolang ze maar even slim zijn als hijzelf, daar lacht hij bij. We praten over Tsjechov en over de in mekaar stuikende Sovjet-Unie, over de oorbellen van dat ene meisje, over wel of niet in God geloven, over de perfecte kaastaart. We eten croissants en krakend stokbrood met kaas en vijgenconfituur en ik denk dat ik moet blozen als hij zegt dat ik vast iemand ben die veel liefde te geven heeft, dat hij dat al vermoedde, toen, die eerste avond. Ik denk dat hij die knie niet per ongeluk tegen de mijne aan duwt, tot twee keer toe, maar daar twijfel ik een moment later alweer aan.
Hij kust mij ten afscheid, vlak naast mijn lippen. Hij ruikt naar wasverzachter en kaas. Ik denk als hij vertrekt: als hij omkijkt is dat een goed teken. Hij kijkt niet om.

 

© 2014 Griet Op de Beeck

MINDBOOKSATH : athenaeum