Leesfragment: Koning van de barraca’s

27 november 2015 , door Femke van Zeijl
| | |

In samenwerking met Recensieweb.nl richten we de schijnwerpers op Nederlandse prozadebutenDeze maand vindt u op onze site uitgebreide leesfragmenten uit de septemberdebuten van Thierry Baudet, Emma Curvers, Bregje Hofstede, Anne-Marieke Samson, Olivier Willemsen en Femke van Zeijl.

29 september verschijnt Femke van Zeijls debuutroman Koning van de barraca's. Wij publiceren voor.

'Pas toen er iemand opstond, zag hij de brunette zitten. Ze tilde net haar hand op, haar wijsvinger omhooggestoken, een betoog aanheffend. Haar gebaren waren net zo overdreven als haar stem; alsof ze optrad voor een publiek. Hij tuurde door de afscheiding van betongaas om haar vormen beter te kunnen onderscheiden.'

Daniel is de koning van de barraca's in Maputo, Mozambique. Hij flaneert van bar naar bar, en vooral van vrouw naar vrouw. Als hij de Portugese Cristina ontmoet, lijkt zijn toekomst verzekerd. Op het eerste gezicht lijken ze een koppel dat alle clichés bevestigt, maar misschien vormen ze wel een uitzondering.

Tegen een achtergrond van veranderende wereldverhoudingen weet Femke van Zeijl op lichtvoetige wijze thema's als macht, gender, cultuurverschillen, armoede en rijkdom tot een prachtig verhaal te verweven, waarin interculturele relaties de kern vormen.

1

Hij boog voorover om de bal midden op het verschoten laken te kunnen raken, negerend dat de rand van de pooltafel in zijn heupbeenderen sneed. Juist wilde hij stoten, toen een helle vrouwenlach hem uit zijn concentratie haalde. De keu schampte de bal, die daarop slechts een stukje verder wiebelde.
Zijn tegenstander Charlie, die eigenlijk Joaquim heette, lachte.
‘Ga je sje allemáál weggeven?’ hoonde de tandeloze trompettist, en hij nam de beurt over.
Daniel zette zijn stok tegen het lage muurtje van de barraca en pakte zijn Amstel van de grond. Hij nam een slok. Waarom was hij zo stom geweest met dit potje in te stemmen? Hij wist toch hoe Charlie hem al na vijf minuten op de zenuwen werkte. Net iets te hard zette hij het bierflesje terug op de vloer, naast de tuinstoel die met de rugleuning tegen het zijmuurtje stond. Hij trok de stoel naar zich toe om te gaan zitten, maar bedacht zich. De ledematen van het meubel waren allemaal al eens afgebroken geweest en gerepareerd met waslijndraad, geregen door gaten die met een gloeiende spijker in het plastic waren gesmolten. Zelfs zijn geringe gewicht zou weleens te veel kunnen zijn, besloot hij, en hij bleef staan.
Zo kon hij ook uitvissen waar die lach die hem zo afleidde vandaan kwam. Het moest haast wel uit de kroeg hiertegenover zijn.
De zandpaden die de barraca’s van Museo van elkaar scheidden, waren nog geen twee man breed. Vanuit dit café kon Daniel de gesprekken in de kroeg aan de overkant woordelijk volgen, ook omdat er boven de brokkelmuurtjes geen ruiten zaten, maar enkel betongaas. Zelfs op een snoeihete zondagmiddag als deze waaide er een bries door de aaneenschakeling van zuipketen. Zo bleef de pislucht – bij gebrek aan schoon sanitair leegden de kroeggangers hun blazen bij voorkeur in de verlaten paden tussen de marktkramen – nooit lang hangen.
Op marktdagen schuifelden er vrouwen in capulana’s over de paden. Met deze wikkelrokken ontnamen ze dan het zicht op de andere kant van het pad. Maar vandaag waren ze er niet. Vrouwen kwamen doordeweeks naar de markt voor de tomaten en aubergines, op zondag kwamen de mannen er voor het bier. De rest van de week trouwens ook.
Het was rustig in Dona Maria’s barraca. Al bij zijn eerste bier had de waardin tegen Daniel geklaagd over het gebrek aan klanten. Niet dat er veel mensen in haar bar pasten: de pooltafel liet aan de zijkanten net genoeg ruimte voor een rij stoelen. Als het druk was, moesten degenen die daarop zaten soms opstaan om te voorkomen dat ze een elleboog of keu in hun gezicht kregen. Daar hoefden Charlie en Daniel zich vandaag geen zorgen over te maken.
Weer hoorde Daniel die lach. Hij klonk als die van een toneelspeelster. Hij rekte zijn nek om te kunnen zien wat er zich aan de overkant afspeelde. Het was er drukker dan bij Dona Maria.
Pas toen er iemand opstond, zag hij de brunette zitten. Ze tilde net haar hand op, haar wijsvinger omhooggestoken, een betoog aanheffend. Haar gebaren waren net zo overdreven als haar stem; alsof ze optrad voor een publiek. Hij tuurde door de afscheiding van betongaas om haar vormen beter te kunnen onderscheiden.
Er prikte iets in zijn linkerzij. Zijn tegenstander stond met de biljartstok onder zijn ribben te porren om aandacht. Met moeite draaide Daniel zijn lijf richting pooltafel, zijn hoofd nog steeds bij de brunette. Hij kon zijn aandacht nauwelijks bij het spel houden en al helemaal niet bij de verhalen van zijn tegenstander, die zich steevast verloor in antiregeringstirades – vandaag had hij gefulmineerd tegen de broodprijsverhoging – of in zijn veroveringen van weleer, toen Maputo nog een aanlegplaats was voor jazzmuzikanten en de vrouwen die achter hen aan liepen. Tientallen keren had Daniel de verhalen al gehoord. Nog nooit had hij de muzikant met een vrouw gezien, maar hij ouwehoerde er in de verleden tijd des te meer over.
Weer verklootte Daniel een stoot. Hij kapte ermee. ‘Charlie,’ onderbrak hij een anekdote die hij al eerder had gehoord, over een Française die klaarkwam door tegen zijn knie op te rijden, ‘ik moet aan een projectje.’
Daniel legde de keu op de pooltafel, pakte zijn bier en goot het vocht in een keer naar binnen. Toen sloeg hij een arm om Charlies schouder en liet zijn ogen uitdrukkelijk naar de overkant koersen, opdat zijn metgezel zijn blik zou volgen. Die had ondanks zijn leeftijd nog prima ogen, die oplichtten toen ze de vrouw in beeld kregen.
Hij tuitte zijn lippen en floot door de gaten die al jaren geleden in zijn gebit waren gevallen. ‘Mooie sjtoeipoesj. Wat sjta je hier nog?’
Ze zetten een paar stappen in de richting van de deuropening. Nu hadden ze beter zicht op het tegenovergelegen café en zagen ze dat er naast de vrouw nog iemand aan tafel zat, dicht tegen haar aan. Knokige vingers grepen Daniels arm.
‘Kijk uit, irmão,’ bezwoer Charlie. ‘Een sjtelletje. Die mzungu’s kunnen verdomd onsjportief zijn. Dat doet me denken aan die Portugesje echtgenoot, een beer van een vent, die me aantrof bij zijn...’
‘Nog een biertje, Charlie?’
Voor een gratis consumptie zou de trompettist elk verhaal onderbreken. Altijd platzak, leefde hij van de vrijgevigheid van andere cafébezoekers. Daniel frommelde hem een briefje van vijfhonderd metical in zijn knuist, blij dat hij die ochtend de biljetten van tafel had gegrist die zijn vriendin had klaargelegd voor de boodschappen. Hij kon altijd de huishoudelijke hulp de schuld geven als ze hem vroeg waar het geld gebleven was. Ze had laatst nog opgemerkt dat ze die empregada niet vertrouwde. Terwijl hij de rest van de briefjes terug stouwde in de zak van de spijkerbroek die zij voor hem had gekocht bij een boetiek in Polana Shopping Center, stak hij over naar de barraca van de brunette.

 

© 2014 Femke van Zeijl

Uitgeverij Ambo|Anthos

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum