Leesfragment: Meester Mitraillette

27 november 2015 , door Jan Vertoortelboom
| |

Jan Vantoortelboom staat met Meester Mitraillette op de longlist voor de BNG Nieuwe Literatuurprijs 2014. Wij publiceren een uitgebreid fragment. 'Ik verlaat dit vertrapte leven als jongeman: krachtig van lichaam, klaar van geest. Dat is niet wat ik wil, maar mij werd niks gevraagd. Ze hebben me vastgebonden aan een weidepaal. Een paar meter achter mijn rug staat een beuk, machtig aan de vooravond van zijn bloei. Tussen de berijpte takken door zie ik het blauw van de lucht; de wolkensliert die er ongehinderd doorheen klieft.'

De Eerste Wereldoorlog, een jonge schoolmeester staat voor het vuurpeloton, als deserteur veroordeeld tot de dood. Waarom is hij gedeserteerd? Wat heeft de jongen Marcus Verschoppen ermee te maken? En zijn moeder? Jan Vantoortelboom laat op onnavolgbare wijze zien hoe schuldgevoelens een leven kunnen ontwrichten.

 

Ik verlaat dit vertrapte leven als jongeman: krachtig van lichaam, klaar van geest. Dat is niet wat ik wil, maar mij werd niks gevraagd. Ze hebben me vastgebonden aan een weidepaal. Een paar meter achter mijn rug staat een beuk, machtig aan de vooravond van zijn bloei. Tussen de berijpte takken door zie ik het blauw van de lucht; de wolkensliert die er ongehinderd doorheen klieft. De grond is koud. Ik beleef een tijdloosheid die ik nooit eerder heb meegemaakt, voel hoe de ochtenddauw langzaam in de stof van mijn broek kruipt en lauw wordt. Aan het einde van deze ochtend ben ik zo koud als de aarde, als de rijp op de takken van de beuk. Als de lucht.
Ik laat het lopen, bevlek mezelf met de troostende warmte die mijn lichaam me kan bieden. De schande zal me ongetwijfeld worden vergeven.
Dra komt de lente. De dagen lengen al. De zon zal de winter genadeloos smoren. Dan zullen mens en dier voor haar buigen, verwachtingsvol en nieuw leven zal bloeien: larven ontpoppen in vlinders, knoppen botten uit in bloesems. Boven mijn soldatengraf zullen ze fladderend paren, die vlinders.
De mannen voor mij werpen kruimels naar de vechtende eksters en kauwen. In het veld ligt een karkas van een koe. Een van de stijve poten wijst naar de zon. Dan zie ik hem. In een rechte lijn galoppeert hij naar me toe en een paar meter voor de mannen rukt hij aan de teugels. De hengst steigert, trappelt met zijn voorbenen in de lucht, blaast schuimvlokken in de rondte. Modderbrokken springen van de hoeven af. Een gendarme snelt toe, grijpt de teugels, bedaart het paard door het liefdevol over de neus te strelen. De officier stijgt af, knikt naar zijn verkleumde manschappen en kijkt in mijn richting. Hij is mijn beul. Ik hoop dat hij een goede man is. Een rechtschapen mens. Geen moordzuchtig monument. Mijn nek doet pijn als ik naar hem opkijk.
‘Wil je nog iets zeggen, David? Een laatste biecht misschien? Ik kan het voor je regelen,’ zegt hij.
Hij is vriendelijk. Hij kent mijn naam. Twee vorstblauwe ogen in een vermoeid gezicht. Ik zou kunnen zeggen dat ik niet geloof in een leven na de dood, dat ik nooit heimwee heb gehad naar een god die dood en begraven is, dat, zoals mijn vader me heeft geleerd, geloof een zwakte van de mens is en biechten dus voor mij zin noch redding biedt. Ik zou ook kunnen zeggen dat ik echt mijn best heb gedaan om er iets van te maken, maar dat vergeving door mijn moeder het enige is wat ik nog wil. Als ik naar hem kijk weet ik dat mijn woorden hem zouden raken. Zijn haar lijkt op een verwelkte paardenbloem. Hij zou zijn best doen om te luisteren, te begrijpen en misschien een paar diepzinnige dingen zeggen. Zal zijn gezicht op mijn netvlies gebrand staan als de kogels het vlees van mijn hart versnijden? Ik ken zijn naam niet. Of moet ik mijn ogen sluiten als de geweren worden geschouderd en de donkere lopen op mij gericht worden? Naar binnen kijken? Naar mijn kleine broer, die op zijn knieën door de tuin kruipt; naar mijn ouders, die samen in de kleine keuken in het zonlicht staan. Of naar mijn klas van het zesde leerjaar van weleer? Marcus voorop. Ze zouden me zekerlijk komen helpen. Met hun houten sabels en bogen. Met hun handen, die ongetwijfeld nog groter en ruwer zijn geworden, maken ze de touwen rond mijn polsen los, snijden ze de strengen door met het zakmes dat ze niet bij zich mogen hebben.
Laat ik maar niet denken aan de twee liefdes van mijn leven.
Een bevel weerklinkt. De gendarmes gaan achter een lijn staan. Dichter bij mij. Ik bekijk ze een voor een. Het zijn vreemden. Ik kijk opzij, voel medelijden met de soldaten van mijn peloton die verplicht zijn vanop afstand toe te kijken. Ik schud mijn hoofd naar de officier die nog steeds voorovergebogen naast me staat, tegen me praat en vraagt of hij nog iets kan doen. Maar opeens stopt hij. Hij begrijpt het. Hij beseft dat het enige wat woorden nu nog kunnen doen, verstoren is.
Ben ik bang? Want ze gaan me doden. Mikken op dat witte lintje op mijn uniform gespeld, op de plek waarachter mijn hart nu hamert en hamert. Zo luid dat ik het hoor bonzen in mijn keel, achter mijn slapen. De hartenklop van het leven dat ze mij willen laten verlaten.
Ik ben niet bang. Ik heb mijn best gedaan.

Als de tijd rijp is klautert het vogeljong op de rand van het nest en springt. Heel af en toe eindigt de sprong spartelend in een plas. Soms wordt het jong door een roofvogel uit de lucht geplukt alvorens het de macht van zijn vleugels kan voelen. Doch het merendeel fladdert naar de weidsheid met een oerkracht in dat kleine vogelhart. Zo verging het mij de dag dat ik de deur van mijn ouderlijk huis achter me dichttrok en als een jonge stormvogel naar het station van Gent zweefde, de woeling van de wind onder mijn slagpennen temmend. Ook al zeulde ik met een koffer, die dag wandelde ik naar het station met voeten die de grond amper leken te raken, met een hart dat beukte in mijn borst. Mijn sprong was begonnen en geen mens om me heen die ervan op de hoogte was: de man in driedelig kostuum met wandelstok die mijn pad kruiste keek voor zich uit; de groenteventer merkte niet eens dat iemand langs hem heen liep; zelfs de beambte die mij met zijn stompe vingers het treinkaartje toeschoof, wist niet dat ik vandaag uitvloog naar een hoek van het land waar ik nog nooit was geweest. Al herkende hij misschien wel de hoop in mijn ogen, de reislust in mijn ledematen.
Ik trok me op aan de stang, koffer in mijn vuist geklemd, zocht een zitplaats bij het raam. Mijn eindbestemming was Ieper. Vandaar zou ik de tram naar Elverdinge nemen. Het was nog vroeg in de ochtend, dus ik schatte dat ik er kort na de middag zou aankomen. Van het dorp Elverdinge had ik nog nooit gehoord, tot die bewuste ochtend aan tafel, ongeveer een week geleden, toen vader de plaatsnaam in de mond nam. Over Ieper wist ik wel een en ander: de kattenstad. Daar werden in de Middeleeuwen katten van de kathedraal gegooid om voorspoed af te dwingen.
De rook van een sigaar dwarrelde op. Ik volgde de rookpluim, die slepend als een geest over de leunstaaf van de zitbank naar me toe dreef. Mijn vader legde me die ochtend uit dat de plaatsnaam Elverdinge een samengestelde mansvoornaam was die door allerlei klankwetten (die hij ook nog eens opsomde) afgeleid was uit Athal en Fritho. Hij had het opgezocht in de boeken, er zelfs met een professor over gesproken. Ik was slaperig en had honger. Bovendien was ik eraan gewend geraakt dat hij met de meest nietszeggende feiten voor de dag kwam. Sinds mijn broertjes vroegtijdige dood, nu bijna vier jaar geleden, had hij zich met nog meer volharding dan voorheen gestort op de theorie van de Viering van professor Pekhart. Kennis, in de nutteloosheid van samengeraapte feiten, was voor hem een geloof geworden, had hem na een diepe depressie uit dat gat getrokken. Geen biecht, wijwatervat of Heilige Drie-eenheid bij nodig gehad, zei hij. Moeder bakte eieren met een lap sappig spek. De geur ervan verdreef de nachtlucht uit de keuken. Mijn vader bleef verder praten. Ik zat zijn uitleg uit en vloog na een lange pauze, die het einde ervan bleek te zijn, af op het brood en de pan die voor mijn neus werden gezet. Na het ontbijt vroeg hij wat ik van zijn uitleg nog wist. Ik veegde mijn mond af aan de schoteldoek, mompelde iets van stamvader Elverd en zijn volgelingen. Hij zweeg een poos. Daarna begon hij weer van voor af aan de hele resem klankwetten uit te leggen die geleid hadden tot de plaatsnaam Elverdinge en sloot af met de opmerking dat wetenschap en kennis gebaseerd zijn op herhaling. Dat was een van de dingen die hij van professor Pekhart had geleerd. Daarna stond hij op, boog zijn bovenlichaam over de tafel heen naar me toe, schudde mijn hand en feliciteerde me met mijn eerste baan als schoolmeester in Elverdinge. Ik verkoolde in mijn stoel. Was hij overnachts gek geworden? Elverdinge? Moeder schreide, wreef in haar uitdrukkingloze ogen. Ze kwam naast me zitten, op de stoel waar mijn broertje Henri vroeger zat. Haar handen beefden toen ze een boterham smeerde. Ik durfde haar niet lang meer aan te kijken. Bang voor wat ik in haar blik las. Zelden zaten mijn ouders nog samen in de zetel, met een kop koffie en een druppel op het tafeltje voor hun voeten. Als mijn vader niet werkte, bracht hij zijn tijd in het tuinhuis door. Ik zat in de weg. Ik was de wig, diep in het blok van hun huwelijk gedreven. Na Rattekops dood – hij moest vroeger zo lachen om zijn door mij bedachte bijnaam – ben ik gaan studeren, ook al wilde ik dat niet meer. Ze verplichtten me. Ik deed mijn best. De studiejaren vlogen voorbij, wazig en haastig. Alsof de tijd ook zo snel mogelijk weg wilde lopen van de dag dat Rattekop stierf.
‘Ik heb de post voor je kunnen regelen,’ zei vader. ‘Het heeft moeite gekost, maar je wordt schoolmeester van het zesde leerjaar van de jongensschool in Elverdinge.’
Moeder staarde naar de boterham, die nog steeds open, blinkend van de boter, op het snijplankje voor haar lag.
‘Dank je,’ mompelde ik.
‘Het is tijd,’ zei vader.
Hij hield zich kranig.
‘Het is tijd om op je eigen benen te staan.’
Ik knikte, verbaasd over het feit dat een gloed van opwinding en avontuur me overrompelde.
Ze gaven me een enveloppe met geld mee. Voor eten en kolen in de winter, want die waren duur, zei vader. En een kostuum, want een schoolmeester moest netjes gekleed gaan, zei moeder. Ze had de boterham dichtgevouwen.
‘Volgende week word je al verwacht op school. Ter kennismaking. Niet met de leerlingen, want het is natuurlijk nog grote vakantie. Maar met zuster-overste, het lesrooster, de boeken enzovoorts. Je kunt ook al in je huurhuis terecht. Ik heb alles geregeld,’ zei vader.
Ik bedankte hem. Ze hielden elkaars hand vast. Zo dicht bij elkaar had ik ze al in tijden niet meer zien zitten. Mijn vaders bakkebaarden leken op een pluk wol van een schaap gerukt. Ik slikte een brok weg.
Hoe meer we het dorp Elverdinge naderden – ik zat ondertussen op de tram en de halte in Brielen, het dorp voor Elverdinge, waren we zonet gepasseerd –, hoe rustelozer ik werd. Tarweland. Weiden vol eilanden van margrietjes en boterbloemen. Maisvelden. Alles schoof aan me voorbij. Af en toe sprongen jongens op het opstapje om een stuk mee te tuffen, alvorens te worden verjaagd door de kaartjesknipper. Een mengeling van opgewondenheid en angst rommelde in mijn onderbuik. Het was een van die zomerse dagen waarop de lucht van ochtend tot avond blauw kleurde. Eerst vrolijk ijl en licht. Daarna, na zonsondergang, een zwaar en neerslachtig blauw. Aan de horizon zag ik het grijze silhouet van een heuvel. Zo diep in het westen van het land was ik nog nooit geweest. De tram passeerde de eerste huizen en boven het getokketok van de sporen en het fluiten van de stoom hoorde ik de machinist roepen. De kaartjesknipper veerde op, riep ‘Elverdinge station’ en verdween in een andere wagon, waar hij nogmaals hetzelfde riep. We kwamen tot stilstand pal voor café A la Belle Vue. Een rode vlag wapperde boven de deur. Zonder om te kijken naar de passagiers haastten de stoker, de machinist en de kaartjesknipper zich naar binnen. Ik legde mijn hand op de koffer die ik naast mij in het gangpad had laten staan. Pas toen de laatste passagier, een vrouw met volgepropte tassen en zakken, gepasseerd was, verliet ik de wagon. Ik wandelde in de richting van de kerktoren. Voor een herenhuis stopte ik. Twee vierkantjes kruidentuin, omzoomd door een buxushaag aan weerskanten van het paadje naar de voordeur, benadrukten de symmetrie van het gebouw. Toen de voordeur opendraaide en ik een man in zwarte rok, met een houten kruisbeeld aan een touwtje rond zijn nek, naar buiten zag struinen, besefte ik dat het de pastorie was. Ik wilde verder wandelen, maar de pastoor gebaarde dat ik moest wachten. Hij liet de deur half open, haastte zich naar me toe.
‘Meester Verbocht?’
De verbazing op mijn gezicht moest indruk hebben gemaakt, want hij nam de tijd om me in detail uit te leggen hoe hij tot die conclusie was gekomen. Hij wist ook dat ik een afspraak had op de jongensschool en zelfs met meneer Vantomme, de verhuurder van het huis waar ik het komende schooljaar in zou wonen. Tot mijn ergernis had hij zelfs navraag gedaan over hoe ik eruitzag.
‘Dus toen ik u zag passeren herkende ik u meteen,’ zei hij. ‘Ik zou u graag uitnodigen voor een kop koffie, maar straks is er een begrafenis en ik moet nog ’t een en ’t ander gereedzetten.’ Hij zei dat met dezelfde ernst waarmee hij tevoren zijn uitleg had gedaan. ‘Ik kom eens langs als u goed en wel geïnstalleerd bent.’
‘Dat is goed, meneer pastoor,’ zei ik.
Hij schudde me de hand, liep terug naar binnen. De grendel schoof in het slot. Ik was nog geen tien meter verder toen ik stappen hoorde en hij weer achter me stond.
‘Ik ben nog vergeten te zeggen dat de jongensschool en je huis die kant op zijn,’ zei hij en hij wees met uitgestrekte arm naar de andere kant van het kruispunt waar ik uit de tram was gestapt.
‘U hebt de huisnummers toch meegekregen?’ vroeg hij. ‘Ja, die heb ik. Dank u, meneer pastoor,’ zei ik. Ik maakte geen aanstalten om die kant op te gaan. Hij keek bedenkelijk, bleef nog even met zijn duimen draaien, maar keerde na een paar tellen toch om. Nog eenmaal keek hij achter zich, alvorens hij tussen de twee vierkantjes kruidentuin verdween. Ik besloot verder te wandelen. Een precies tijdstip op school had ik niet afgesproken. Hij wist dus niet alles, bedacht ik. Even verder werd ik verrast door de soberheid van een pleintje, bestraat met bolle kasseien. Vanuit mijn ooghoek zag ik de deur van het café op de hoek opengaan. Een grijsaard werd kordaat op een stoel in de buitenlucht gezet. Hij boog zich voorover en spuugde een dikke straal tussen zijn schoenen. De man die hem op de stoel had doen plaatsnemen en naast hem de wacht leek te houden, was niet groot, maar had brede schouders. Hij zag me staan. Ik groette hem. De bel van de bakkerswinkel rinkelde en twee jongens stapten naar buiten, hun vingers wroetend in de witte ronde zijkantjes van het brood. Ze keken betrapt toen ze me zagen, staken hun tong uit en stoven weg. Ik besloot rechtsomkeert te maken, om naar de jongensschool te gaan.

 

© 2014 Jan Vantoortelboom

Uitgeverij Atlas Contact

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum