Leesfragment: Meisje van glas

27 november 2015 , door Frank Gunning
| | |

Eind juli debuteert Frank Gunning met de roman Meisje van glas. Wij publiceren voor.

'De ergotherapeut was een jonge, blonde man, twee keer zo breed als Erik, maar slechts een halve kop groter dan ik. Zijn armen waren blond behaard, zijn lippen schraal en roze, en ingesmeerd met lippenbalsem met aardbeiengeur.'

In een revalidatiecentrum zoekt Eva vergetelheid in de armen van de beheerder. Ze heeft een aandoening waardoor ze verwacht niet lang meer te leven: situs inversus, haar hart zit aan de verkeerde kant. Al snel blijkt Eva's ontroerende geschiedenis onderdeel van een groter geheel, een huiveringwekkend verhaal over schoonheid en dood, waarin de levens van de personages met elkaar verbonden zijn. Dat van Flo, eenzaam levend in een souterrain. Dat van de jonkheer H. U. Kampvliet van Beurden en diens verwaarloosde zoon, die zich Strijdvloed noemt. En dat van de vermiste Hanna, het spiegelbeeld van Eva. Meisje van glas is een onstuimige droom, een duister sprookje.

 

I

Ik heb veel gezien. Veel dokters vooral, en zusters en verplegers en zieken. Veel billen en naalden. Ik heb een doek over een vrouw zien trekken met een stripboek in mijn ene hand en een bord gelei in de andere. Ik heb mijn longen zien zuchten en mijn hart zien kloppen.
Mijn naam is Eva. Mensen noemen mij kleine Eva. De aandoening die ik heb heet situs inversus: mijn hart zit aan de rechterkant. Hiermee valt vaak een aantal klachten samen, waarvan ik de meeste heb. De belangrijkste is dat de trilharen van mijn slijmvlies niet bewegelijk genoeg zijn, waardoor ik mijn slijm niet goed kan ophoesten, wat leidt tot een verwijding van de luchtwegvertakkingen. Hierdoor ontstaat een sterke verhoging van de kans op infecties aan de luchtwegen. Om wat meer ruimte te creëren voor het overtollig slijm zijn mijn neusholtes uitgeboord. Dat is vanbuiten niet te zien, maar ik heb het gevoel dat mijn hele hoofd meetrilt als ik lach. Jarenlang ben ik zoveel mogelijk binnengehouden om longontsteking of erger te voorkomen. Ik heb mijn halve jeugd doorgebracht in ziekenhuizen en de andere helft op een bedje in de woonkamer, tot duidelijk werd dat mijn weerstand er alleen maar van verminderde. Een arts schreef mij een combinatie voor van slijmverdunners en antibiotica, en verwees mij door naar een centrum voor ergotherapie in de stad, waar ze ervaring hadden met mijn conditie en de negatieve spiraal konden doorbreken.
Ik was nog geen achttien jaar oud toen ik, vroeg in de herfst van 1996, voor het eerst bij het revalidatiecentrum binnenging. Een jonge man zette de trapstijlen in de was. Hij stopte toen hij mij zag.
Het revalidatiecentrum was gevestigd in een oude woonwijk. De gangen galmden en de lucht was vochtig en koel. Vergeleken bij het smetteloze, zuurstofarme parfum van het ziekenhuis rook het er naar een bos vol hout en honing. Terwijl ik mijn sjaal stond af te wikkelen in de hal, kreeg ik een hoestaanval en klapte dubbel. De jongen liet meteen zijn wasblik vallen, rende de trap af, trok me overeind, sloeg zijn armen om me heen alsof hij me troostte. Ik had zin om hem te slaan, maar was nog te slap van mijn hoestbui. Hij hield me op armlengte van zich af en trok me meteen weer naar zich toe.
‘Oef, kijk nou toch,’ zei hij, en hij bukte en legde zijn kin op mijn hoofd. ‘Oef, kijk dat nou toch eens.’
Erik heette hij. Erik miste een voortand. Zijn mond was smal, zijn ogen waren helderblauw, zijn krullen waren kort en blond. Lang was hij, en mager als een hazewindhond. Die dag droeg hij een strakke spijkerbroek en een mouwloos wit hemd. Uit zijn achterzak stak een portemonnee vol bonnetjes en aan zijn riem hing een multifunctionele tang in een leren hoesje. Ik liet hem mijn verwijzingsbriefje zien. Hij wees de gang in en vroeg of ik zin had om na afloop ergens wat te drinken.

Na mijn fysiotherapie wachtte hij me op. We dronken koffie in een café aan de gracht, tegenover elkaar gezeten aan een tafeltje bij een koud, groot raam. Er ging een klant naar buiten, belletjes rinkelden aan de deur. Ik blies mijn handen warm en verstopte mijn neus in mijn kraag. Erik rekte zich uit en leunde met zijn handen in zijn nek achterover.
‘Dus je hart zit aan de verkeerde kant,’ zei hij. ‘Gaaf.’
Ik maakte mijn ogen groot en keek hem kwaad aan. ‘Ik heb geen geweten,’ zei ik. ‘Kijk maar uit.’
‘Kijk je altijd zo boos?’
‘Ze hebben mijn lachspieren operatief verwijderd.’
Hij lachte. ‘Hoe vaak moet je naar fysiotherapie?’
‘Vier keer in de week.’
‘Dan moet je maar eens bij me komen eten.’
‘Best,’ zei ik. Als het op jongens aankwam was ik niet altijd even fijngevoelig.

Erik woonde schuin boven het revalidatiecentrum, een voormalige kweekschool, die ingeklemd lag tussen twee rijen massieve vooroorlogse etagewoningen. Op de bovenste verdieping was in de Tweede Wereldoorlog een doorgang gemaakt naar de zolder van het pand ernaast. De eigenares van dat pand was een oude Joodse mevrouw, die Dolly heette en die op kousenvoeten door de gangen van haar huis sloop. Af en toe stak ze haar hoofd boven het trapgat om te kijken of haar hond niet naar boven was gevlucht. Ze verhuurde de zolder aan het revalidatiecentrum en het centrum stelde de woning op zijn beurt weer ter beschikking aan Erik, die als beheerder was aangesteld. In de weken die volgden ging ik regelmatig bij hem langs na mijn ergotherapie. De zolder van Erik telde drie kleine kamers en een berghok. Een valluik gaf toegang tot het platte dak dat zich over het huizenblok uitstrekte. In het berghok lag het gereedschap, tussen de oude vloerdelen, koperen buizen en verfpotten. In de ene kamer lag zijn matras. Er stonden een kledingrek, een wasmachine en een wasmand. In de andere stond een kast vol stripboeken en was een keukenblok aangebracht, met twee elektrische kookplaatjes. Meestal zaten we daar. Dan was hij iets aan het repareren of aan het koken, en las ik een stripboek.
De derde kamer was leeg. Nadat ik een paar keer op bezoek was geweest verzamelde ik mijn moed en vroeg hem of die te huur was. Erik tapte water uit een blauw plastic waterreservoir en maakte andijviestamppot met sukadelappen, terwijl ik in gespannen afwachting naar zijn rug keek. Hij gaf me een bord, legde een paar kussens tegen de kast. Met zijn blik op mij gericht liet hij zich erin zakken, met een volmaakt ongekunstelde glimlach die het gat tussen zijn tanden ontblootte.
‘Mag dat wel van je ouders?’
‘Zeg, ik ben geen kind meer.’
‘Ik bedoel eigenlijk: woon je niet gewoon lekker waar je woont?’
‘Ik wil erg graag ergens anders wonen,’ zei ik en keek hem strak aan. Hij begreep dat hij niet verder moest vragen en veranderde van onderwerp.
‘Mag je eigenlijk alles eten?’
Ik slikte een botte opmerking in en knikte.
‘Zijn er andere dingen die je niet mag?’
Ik zweeg nukkig.
‘Wat mij betreft is het goed.’
‘Echt?’
‘Echt.’
Er ontsnapte me een opgeluchte zucht.
‘Hé, kijk, het kan lachen!’ zei Erik.
Ik nam gauw een hap stamppot. ‘’t Is goeie,’ zei ik met volle mond.
Na het eten belde ik mijn ouders op om te vertellen dat ik uit huis zou gaan. Ik kreeg mijn vader aan de lijn en probeerde zo ongedwongen mogelijk te klinken. Mijn vader probeerde hetzelfde. Tussen zijn ‘Geen probleem, joh’ en ‘Veel plezier’ hoorde ik zijn onuitgesproken zorgen, en op de achtergrond het oorverdovend zwijgen van mijn moeder.
Die nacht sliep ik op Eriks matras. Hij sliep in de kamer ernaast op een deken. Mijn vader kwam de volgende dag met een auto met aanhanger mijn bed en kleding brengen. Erik was er niet. Ik liet me, na eenmaal met een paar tassen naar boven te zijn gelopen, hijgend op de trap zakken. Mijn vader bracht de rest in zijn eentje naar mijn nieuwe kamer. Toen dat klaar was ging hij naast me zitten. Er ging een golf van schuldgevoel door me heen. Maar voor ik wat kon zeggen, legde hij een arm om mijn schouders, en zei: ‘Het is wel goed, Eva.’

De eerste weken liep ik verdwaasd rond in het pand, of beter: ik zat er, verdwaasd, uren soms. Dan weer – terwijl Erik aan het klussen was in de gangen van het gebouw – tegen een ventilatiepijp op het platte dak, de geluiden van de stad om mij heen, door de wind door elkaar geroerd en versmolten. Dan weer op mijn matras, stripboeken lezend, half slapend of bezig met mijn oefeningen. Dan weer op de brede hoofdtrap van het revalidatiecentrum, waar dag en nacht een zwakke blauwe tl-buis de overloop verlichtte. Daar zag ik de patiënten door de hoofdingang binnenkomen en weer weggaan, sommige strompelend, sommige in rolstoelen, geduwd of zelf rijdend, andere ogenschijnlijk kerngezond, met doelbewuste pas. Veel ouderen, met wie ik me altijd verwant voelde omdat ze even dicht bij de dood stonden als ik.
Zo bracht ik mijn dagen door. De zolder, de trappen, het dak, de gymzaal: mijn nieuwe wereld was zoveel groter dan ik gewend was. Eens in de maand ging ik voor controle naar een ziekenhuis in een van de buitenwijken van de stad. Vier keer in de week werd ik in de gymzaal beneden behandeld door een ergotherapeut.

•••

De ergotherapeut was een jonge, blonde man, twee keer zo breed als Erik, maar slechts een halve kop groter dan ik. Zijn armen waren blond behaard, zijn lippen schraal en roze, en ingesmeerd met lippenbalsem met aardbeiengeur.
Het was rustig in de gymzaal van het revalidatiecentrum. Op een paar toestellen waren mensen bezig met strekoefeningen. Een kale jongen probeerde zijn armen omhoog te krijgen. Een bonkige oude man hing halverwege het looprek met zijn oksels over de houten liggers en weigerde nog een stap te zetten. Een stagiaire – een strakke jonge vrouw met de stem van een stewardess – stond er met de armen over elkaar naar te kijken.
‘U zult nu toch echt verder moeten, meneer De Jager. Of u moet weer helemaal terug.’
‘Ik heb er geen zin meer in. Ga maar lekker zelf lopen.’
‘Komkom. Nog een paar pasjes en dan bent u bij uw rolstoel.’
‘Waarom zou ik nog lopen. Ik heb mijn hele leven al gelopen. Ik ben drieënnegentig. Ik heb geen zin meer in lopen. Ik heb zin om op mijn achterste te zitten en tv te kijken.’
‘Dat lijkt me een prima plan, meneer De Jager. Nog een paar pasjes en dan bent u bij uw rolstoel.’
Ik strekte mij uit op een groene mat en keek omhoog, naar het hoge plafond van de zaal. De oude gymnastiekringen hingen er nog, tot tegen het hout opgetrokken. Eentje schommelde een beetje. Vreemd. Ernaast flikkerde een tl-buis. Ik hoorde de ergotherapeut naast me door zijn neus ademen en voelde zijn handen, een in de holte van mijn linkerknie, een onder mijn hiel. Koele, zorgvuldige handen, die mijn been optilden, mijn knie naar mijn borst brachten, mijn been uitstrekten, en weer opnieuw. Ik sloot mij ervoor af. Ik concentreerde me op het plafond. Er schommelden nu meer ringen.
Er ging een luikje open, een luikje in het plafond. Door het luikje verscheen een hoofd. Het draaide zich half om zijn as om het plafond af te spieden. Toen wurmde het zich verder door het gat, gevolgd door eerst de nek, toen de ene schouder, toen de andere, tot het lichaam zich tot het middel uit het luik had bevrijd. Er kwam één lange arm tevoorschijn. Erik moest zich met zijn voeten ergens tegen kunnen afzetten, want nu draaide hij als de grote wijzer van de klok een halve slag, zodat hij met zijn vrije arm de schommelende ring kon beetpakken. Hij werkte zijn arm tot de schouder door de ring heen en liet zich even hangen. Hij hing er nu een beetje bij als meneer De Jager op zijn looprek. Die was ondertussen nog geen meter verder gekomen, als ik op de geluiden af mocht gaan.
‘Je denkt toch niet dat ik me door zo’n kleuterjuf laat commanderen?’
‘Als u tijdens al dat praten was doorgelopen, meneer De Jager, dan had u nou een flink blokje om gedaan. Nog een paar pasjes.’
‘Ik ben de klant. Ik hoor jou te commanderen.’
Ik voelde de handen van de ergotherapeut mijn bovenbeen omsluiten en masseren. Ik richtte mijn aandacht op Erik boven me. Uit het luik kwam een witte tl-buis tevoorschijn, en daaraan vast de andere hand. Erik klemde de nieuwe buis tussen zijn tanden en met de vrije hand trok hij de kapotte tl-buis los, die hij langs zijn rug achter het luik liet verdwijnen. Hij bevestigde de nieuwe buis, die meteen licht gaf, trok zijn andere arm terug uit de ring, veegde een vuiltje uit zijn gezicht. Even liet hij zich achteroverhangen – een buigzame, pezige stengel. Hij wilde zich optrekken, maar in de beweging zag hij mij. Er brak een glimlach door op zijn gezicht en hij zwaaide naar me. Voor ik het wist zwaaide ik terug. De masserende handen stopten met hun werk en schoven snel een eindje naar mijn knie terug.
‘Wat ben jij nou aan het doen?’ vroeg de ergotherapeut, verbaasd opkijkend. Ik stopte met zwaaien. Ik trok met een ruk mijn been los en draaide me op mijn buik.
‘Rekoefeningen,’ zei ik.

[...]

 

© Frank Gunning, 2014.

Uitgeverij  Querido

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum